Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6243

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
200.271.758
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof erkent en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van Duits arbitraal vonnis. Art. 1075 Rv. Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2021/97
NTHR 2021, afl. 5/6, p. 253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.271.758

beschikking van 25 juni 2021

in de zaak van

de vennootschap naar Turks recht

Zahit Enerji Sanayi Ve Ticaret Ltd. Sti.,

gevestigd te Adana (Turkije),

verzoekster,

verweerster in het zelfstandige verzoek,

hierna: Zahit,

advocaat: mr. Y. Ersoy,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESTG B.V.,

gevestigd te Arnhem,

verweerster,

verzoekster in het zelfstandige verzoek,

hierna: ESTG,

advocaat: mr. V.M. Besters.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het hof neemt de inhoud van de beschikking van 9 februari 2021 hier over. In die beschikking heeft het hof het verzoek in incident van ESTG tot zekerheidsstelling door Zahit ex artikel 224 Rv afgewezen.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- de brief van 12 maart 2020 met de producties 5 t/m 8 van ESTG,

- het exploot van oproeping van 22 april 2021 van Zahit aan ESTG voor de mondelinge behandeling van 9 juni 2021,

- de brief van 27 mei 2021 met de producties 6 t/m 10 van Zahit,

- de brief van 28 mei 2021 met de producties 11 t/m 13 van Zahit,

- de brief van 28 mei 2021 met productie 12 van ESTG,

- de mondelinge behandeling van 9 juni 2021, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Ter zitting is namens Zahit verschenen mr. I. Atar, kantoorgenoot van mr. Ersoy. Namens ESTG is [de directeur] verschenen, statutair directeur van ESTG, bijgestaan door mr. Besters en mr. R.J. van Wolferen.

2 De motivering van de beslissing

2.1.

Zahit heeft een partij zonnepanelen aan ESTG verkocht en geleverd. Tussen partijen is een conflict ontstaan over de conformiteit van die zonnepanelen omdat de zonnepanelen zijn geleverd zonder certificaat van de keuringsinstantie TÜV. Het nadien door Zahit aangeleverde TÜV-certificaat is volgens ESTG niet geldig voor de geleverde zonnepanelen.

In de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen is een arbitraal beding opgenomen. Het Deutsche Institution für Schiedsgerichtsbarkeit (hierna: het DIS) heeft op 8 november 2019 een arbitraal vonnis gewezen tussen partijen. Het DIS heeft ESTG veroordeeld tot betaling aan Zahit van een bedrag van € 539.446,90, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

Zahit verzoekt het hof het arbitrale vonnis te erkennen en verlof te verlenen om het vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen. ESTG voert daartegen verweer en verzoekt het hof primair om het arbitrale vonnis niet te erkennen en Zahit geen verlof te verlenen om het vonnis ten uitvoer te leggen. Volgens ESTG is niet voldaan aan de formele vereisten die gelden voor het verzoek en kan zij een beroep doen op een aantal weigeringsgronden.

Formele vereisten

2.3.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1075 Rv een in een vreemde Staat gewezen arbitraal vonnis waarop een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is op verzoek van een van de partijen in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer kan worden gelegd. Op het verzoek in deze zaak is het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Nederland en Duitsland zijn namelijk beide partij bij het Verdrag. Artikel III van het Verdrag bepaalt dat iedere verdragsluitende staat (in dit geval Nederland) onder de in het verdrag opgenomen voorwaarden scheidsrechterlijke uitspraken als bindend zal erkennen en deze ten uitvoer zal leggen overeenkomstig de regelen van rechtsvordering geldend in het gebied waar een beroep op de uitspraak wordt gedaan (dat is ook weer Nederland).

2.4.

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Verdrag stellen aan een verzoek tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis een aantal formele vereisten. Bij het verzoek tot tenuitvoerlegging van het buitenlandse arbitrale vonnis moet onder meer een authentiek afschrift van het arbitrale vonnis worden overgelegd (zie artikel 986 lid 2 Rv jo artikel 1075 lid 2 Rv en artikel IV lid 1, aanhef en onder a, van het Verdrag). Verder moet degene die verzoekt om de tenuitvoerlegging van het buitenlandse arbitrale vonnis de partij(en) tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verlangd bij deurwaardersexploot oproepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek bij het hof en het bewijs van de oproeping aan het hof overleggen (zie artikel 987 lid 3 Rv jo artikel 1075 lid 2 Rv). Het hof stelt vast dat Zahit aan deze voorschriften heeft voldaan: Zahit heeft aan het hof een authentiek afschrift van het arbitrale vonnis en het originele exploot van oproeping van Zahit aan ESTG voor de mondelinge behandeling van 9 juni 2021 overgelegd.

2.5.

Verder moet het arbitrale vonnis uitvoerbaar zijn in het land waar zij is gewezen (zie artikel 986 lid 2 Rv jo artikel 1075 lid 2 Rv). Dit vereiste wordt in het Verdrag niet genoemd. Anders dan ESTG, ziet het hof echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dit vereiste in strijd zou zijn met het Verdrag. Er bestaat daarom geen aanleiding om, zoals ESTG verzoekt, daarover een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad. Verder zal het hof hierna concluderen dat in dit geval is voldaan aan het vereiste van uitvoerbaarheid van het arbitrale vonnis in het land van herkomst. Het verzoek wordt dus niet afgewezen op grond van een vereiste dat in het Verdrag niet wordt genoemd.

2.6.

In het arbitrale vonnis is vermeld dat sprake is van een “Final Award”. Tegen het arbitrale vonnis staat geen hoger beroep open. Een definitief arbitraal vonnis heeft dezelfde gevolgen als een definitieve beslissing van een gerechtelijke instantie. In § 1055 van de Duitse Zivilprozessordnung (hierna: ZPO) is namelijk het volgende bepaald: “Der Schiedsspruch hat unter den Parteien die Wirkungen eines rechtskräftigen gerichtlichen Urteils.” In Duitsland is een exequatur nodig om het arbitrale vonnis ten uitvoer te leggen. In § 1060 lid 1 ZPO is daarover het volgende vermeld: “Die Zwangsvollstreckung findet statt, wenn der Schiedsspruch für vollstreckbar erklärt ist.” De eis dat het arbitrale vonnis in het land van herkomst uitvoerbaar moet zijn, brengt echter niet mee dat, als voor tenuitvoerlegging in het land van herkomst een exequatur nodig is, eerst een exequatur in het land van herkomst moet worden verkregen (vgl. Kamerstukken II 1983/84, 18464, 3, p. 36). Een dubbel exequatur heeft ook geen redelijke zin. Verder is ESTG bij het Oberlandesgericht München een procedure tot vernietiging van het arbitrale vonnis gestart. Anders dan ESTG stelt, maakt de aanhangigheid van die vernietigingsprocedure niet dat het arbitrale vonnis niet meer ten uitvoer kan worden gelegd; een daadwerkelijke vernietiging of schorsing van het arbitrale vonnis wel. Maar daarvan is geen sprake.

2.7.

Gelet op het voorgaande is dus voldaan aan het vereiste dat het arbitrale vonnis uitvoerbaar moet zijn in het land waarin zij is gewezen en aan de overige formele vereisten. Tijdens de zitting heeft ESTG verklaard dat zij haar stelling dat Zahit niet heeft voldaan aan het vereiste om woonplaats te kiezen binnen het arrondissement van het hof niet langer handhaaft (zie artikel 986 lid 1 Rv jo artikel 1075 lid 2 Rv).

Weigeringsgronden

2.8.

In artikel V van het Verdrag staan een aantal gronden op basis waarvan op verzoek van de partij tegen wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan de erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak kan worden geweigerd.

2.9.

ESTG doet een beroep op de weigeringsgrond dat het arbitrale vonnis nog niet bindend is geworden voor partijen (artikel V lid 1, aanhef en onder e, Verdrag). Dit beroep gaat niet op. In het algemeen wordt een arbitraal vonnis in ieder geval als niet bindend beschouwd indien daartegen arbitraal hoger beroep openstaat bij een overheidsrechter of bij appelarbiters. In dit geval staat tegen het arbitrale vonnis geen hoger beroep open. De omstandigheid dat bij het Oberlandesgericht München een vernietigingsprocedure van het arbitrale vonnis aanhangig is, maakt niet dat het vonnis niet (meer) bindend is voor partijen. Een vernietigingsprocedure van een arbitraal vonnis is immers een buitengewoon rechtsmiddel waardoor het arbitrale vonnis haar rechtskracht niet verliest.

2.10.

Verder stelt ESTG dat de voorzitter tijdens de zitting aan partijen heeft medegedeeld dat hij van oordeel is dat het certificaat van de keuringsinstantie TÜV niet geldig is voor de geleverde zonnepanelen. Volgens ESTG bestond ook tussen partijen consensus over de omstandigheid dat het TÜV-certificaat niet geldig was. Desondanks heeft het DIS in haar vonnis geoordeeld dat ESTG onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat de geleverde zonnepanelen niet onder het TÜV-certificaat vallen, aldus ESTG. Volgens ESTG is het daardoor voor haar in de arbitrageprocedure onmogelijk geweest de zaak te verdedigen (artikel V lid 1, aanhef en onder b, Verdrag). ESTG betoogt dat indien het DIS haar erop had gewezen dat hij nog twijfelde over de vraag of het TÜV-certificaat van toepassing was op de geleverde zonnepanelen, zij nog zou hebben aangeboden nader bewijs te leveren. Volgens ESTG heeft het DIS een ontoelaatbare verrassingsbeslissing genomen door in het arbitrale vonnis af te wijken van haar eerder medegedeelde oordeel. Dat maakt dat het arbitrale vonnis in strijd is met de openbare orde (artikel V lid 2, aanhef en onder b, Verdrag), aldus ESTG.

2.11.

Uit de stukken uit de arbitrageprocedure blijkt dat ESTG bij het DIS zowel mondeling tijdens de zitting als schriftelijk voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunt naar voren te brengen. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het voor ESTG bij het DIS onmogelijk is geweest om haar zaak te verdedigen. Verder kan het feit dat de voorzitter tijdens de zitting mogelijk een voorlopig oordeel heeft gegeven dat afwijkt van de uiteindelijke beslissing, niet tot de conclusie leiden dat het arbitrale vonnis in strijd is met de openbare orde.

2.12.

ESTG voert verder aan dat het DIS meer wettelijke rente heeft toegewezen dan is gevorderd en zo buiten de rechtsstrijd is getreden, als gevolg waarvan het arbitrale vonnis in strijd is met de openbare orde (artikel V lid 2, aanhef en onder b, Verdrag).

2.13.

Het hof overweegt dat het de zaak zelf niet aan een nieuw onderzoek onderwerpt (zie artikel 985 Rv jo artikel 1075 lid 2 Rv). In dit geval staat vast dat de vordering tot toewijzing van de wettelijke rente voorlag bij het DIS waarop het DIS heeft beslist. Daarom ziet het hof geen aanleiding voor de conclusie dat het DIS buiten de rechtsstrijd is getreden en dat het arbitrale vonnis in strijd is met de openbare orde.

Opschorting

2.14.

ESTG verzoekt het hof subsidiair om op grond van artikel VI van het Verdrag de beslissing over de tenuitvoerlegging op te schorten totdat door het Oberlandesgericht München op het verzoek tot vernietiging van het arbitrale vonnis is beslist. Op grond van dat artikel kan, indien vernietiging van de uitspraak is verzocht aan de bevoegde autoriteit, de autoriteit bij wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan, indien zij daartoe aanleiding vindt, de beslissing over de tenuitvoerlegging van de uitspraak opschorten. ESTG heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat er een grote kans bestaat dat de Duitse rechter het verzoek tot vernietiging toewijst, nu het haar tijdens de arbitrale procedure onmogelijk is gemaakt de zaak te verdedigen en het arbitrale vonnis in strijd is met de openbare orde. Het hof overweegt dat deze stellingen gelet op hetgeen onder 2.10 tot en met 2.13 is overwogen niet opgaan. Voor het overige heeft ESTG geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven de beslissing over de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis op te schorten. Daarom moet dit subsidiaire verzoek van ESTG worden afgewezen.

Schorsing

2.15.

ESTG verzoekt meer subsidiair om, indien het arbitrale vonnis door het hof wordt erkend en het verlof tot tenuitvoerlegging wordt verleend, de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis op grond van artikel 1066 Rv te schorsen, totdat op het verzoek tot vernietiging van het arbitrale vonnis is beslist. Artikel 1066 lid 2 Rv bepaalt dat de rechter die omtrent de vernietiging oordeelt de tenuitvoerlegging kan schorsen. Het hof is niet de rechterlijke instantie die over het verzoek tot vernietiging van het arbitrale vonnis beslist. Dat is het Oberlandesgericht München. Daarom kan de tenuitvoerlegging niet op grond van artikel 1066 Rv door het hof worden geschorst.

Zekerheidsstelling en uitvoerbaar bij voorraadverklaring

2.16.

Uiterst subsidiair verzoekt ESTG het hof om aan de erkenning en het verlof tot tenuitvoerlegging de voorwaarde te verbinden dat Zahit zekerheid stelt, zodat ESTG geen schade lijdt door onrechtmatig door Zahit van ESTG geïnde gelden. Verder verzoekt ESTG om de beschikking waarbij het arbitrale vonnis wordt erkend en het verlof tot tenuitvoerlegging van dat vonnis wordt verleend, niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.17.

Op grond van artikel 988 lid 2 Rv jo artikel 1075 lid 2 Rv is de beschikking waarin een arbitraal vonnis wordt erkend en verlof tot tenuitvoerlegging van dat vonnis wordt verleend uitvoerbaar bij voorraad zonder zekerheidstelling, voor zover het hof niet anders beslist. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt.

3 De slotsom

3.1.

Het hof zal het arbitrale vonnis erkennen en aan Zahit verlof voor de tenuitvoerlegging van dat vonnis verlenen.

3.2.

Het hof zal ESTG als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure veroordelen. De kosten voor de procedure aan de zijde van Zahit zullen worden vastgesteld op € 760 voor griffierecht en op € 2.228 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x appeltarief II). Verder zal het hof de verzochte nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende:

erkent en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het arbitrale vonnis van het Deutsche Institution für Schiedsgerichtsbarkeit (het DIS) van 8 november 2019, gewezen tussen Zahit en ESTG, met zaaknummer DIS-SV-KR-783-17;

veroordeelt ESTG in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zahit vastgesteld op € 760 voor griffierecht en op € 2.228 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt ESTG in de nakosten, begroot op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 en de explootkosten van betekening van de uitspraak in geval ESTG niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Th.C.M. Willemse, D.M.I. de Waele en P.L.R. Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2021.