Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6200

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
200.289.326
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:377a lid 2 BW omgangsregeling binnen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.289.326

(zaaknummer rechtbank Gelderland 374139)

beschikking van 24 juni 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.E.W. van Schaijk te Elst,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI of de voogd.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 3 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 februari 2021;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties van de GI;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.

2.2

De hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige2] heeft bij brief van 25 maart 2021 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

Op 10 mei 2021 is de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige1] door de voorzitter van het hof gehoord.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 27 mei 2021 plaatsgevonden. De volgende personen zijn verschenen:

- de moeder , bijgestaan door haar advocaat;

- [B] , voogd, namens de GI.

De begeleidster van de moeder, [de begeleidster] , en de partner van de moeder, de heer [de partner] , hebben de zitting als toehoorder bijgewoond.

Namens de raad voor de kinderbescherming is niemand verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft met [C] twee kinderen:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2005 te [A] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2007 te [A] .

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 11 juni 2012 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst.

3.3

Het ouderlijk gezag van beide ouders over de kinderen is bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 12 juni 2015 beëindigd. De GI is daarbij tot voogd benoemd over de kinderen.

3.4

De GI heeft op 11 augustus 2020 een omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en de kinderen waarbij zij begeleide omgang heeft met:

- [de minderjarige1] : een keer per twee weken een uur op donderdagmiddag;

- [de minderjarige2] : een keer per maand een uur op woensdagmiddag;

- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tegelijkertijd, wisselend bij [de minderjarige1] of bij [de minderjarige2] , vier keer per jaar een uur.

3.5

De kinderen hebben ook omgang met hun vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist op het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de omgang met de kinderen en - uitvoerbaar bij voorraad - als omgangsregeling vastgesteld dat de moeder omgang heeft met:

- [de minderjarige1] : een keer per twee weken een uur op donderdagmiddag;

- [de minderjarige2] : een keer per twee weken een uur op woensdagmiddag;

- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tegelijkertijd, wisselend bij [de minderjarige1] of bij [de minderjarige2] , vier keer per jaar een uur;

waarbij de GI de bevoegdheid heeft de omgangsregeling zo nodig uit te breiden of te beperken.

4.2

De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat tussen de moeder en de kinderen een omgangsregeling zal gelden waarbij er:

  • -

    in de ene week op donderdagmiddag gedurende twee uur onder begeleiding contact is met en bij [de minderjarige1] en op woensdagmiddag gedurende twee uur onder begeleiding contact is met en bij [de minderjarige2] ;

  • -

    in de andere week op woensdagmiddag of donderdagmiddag met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tegelijk, bij moeder thuis, zonder begeleiding, gedurende drie uur (zodat er na aftrek van reistijd nog circa twee uur quality time overblijft);

althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3

De GI voert verweer en is op zijn beurt in incidenteel hoger beroep gekomen.

De GI verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit af te wijzen.

In het incidenteel hoger beroep verzoekt de GI de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige2] die is bepaald in de bestreden beschikking te wijzigen, in die zin dat de moeder en [de minderjarige2] eenmaal per maand onder begeleiding een uur omgang zullen hebben, en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.

4.4

De moeder voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de GI niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel het verzoek van de GI af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Niet in geschil is dat de moeder als omgangsgerechtigde op de voet van artikel 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek de rechter kan verzoeken een omgangsregeling vast te stellen.

in het incidenteel hoger beroep

5.2

De GI stelt in haar incidenteel hoger beroep dat zij – conform haar bevoegdheid – de omgangsregeling die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld, heeft aangepast. De regeling die nu wordt uitgevoerd, waarbij [de minderjarige2] en de moeder elkaar eenmaal per maand anderhalf uur onder begeleiding zien en de moeder en de vader daarnaast ieder apart twee keer per jaar onder begeleiding een bezoek hebben met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] samen, is volgens de GI een geschikte regeling.

In artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 282 lid 4 Rv is bepaald dat een zelfstandig verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Daarom zal het hof de GI in haar verzoek om de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling te wijzigen, niet-ontvankelijk verklaren.

in het principaal hoger beroep

5.3

Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd van dit hoger beroep en vanwege het verbod van reformatio in peius (inhoudende dat de moeder niet slechter mag worden van haar hoger beroep), is er ook in het kader van de beoordeling van het verzoek van de moeder geen ruimte voor het hof om een beperking van de in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vast te stellen, zoals de GI wenst.

5.4

Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd en de omgangsregeling blijft zoals deze door de rechtbank is vastgesteld. Het hof legt hierna uit waarom.

5.5

Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de voogd meegedeeld dat zij verwachtte dat een uitbreiding van de omgang van de moeder met [de minderjarige2] van een uur per maand naar eenmaal per twee weken wel mogelijk zou moeten zijn en vervolgens heeft de rechtbank deze frequentie vastgesteld. De gezinshuisouders zien dat het uitbreiden van de regeling naar een frequentie van eenmaal per twee weken toch te belastend is voor [de minderjarige2] . Daarom is de frequentie door de GI inmiddels weer teruggebracht naar eenmaal per vier weken. Dat is ook mogelijk op basis van de door de rechtbank aan de GI gegeven bevoegdheid om de omgangsregeling zo nodig aan te passen. Daarbij moet naar het oordeel van het hof wel het uitgangspunt blijven dat geprobeerd wordt toe te werken naar uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige2] , indien het belang van [de minderjarige2] dat toelaat

5.6

[de minderjarige1] heeft verteld dat hij een uitbreiding van de omgang met zijn moeder zou willen, vooral omdat zijn vader een hele ochtend op bezoek komt en zijn moeder veel korter; hij wil beide ouders graag evenveel zien.

De moeder stelt dat een verlenging van het tweewekelijkse bezoek voor haar meer quality time betekent.

De voogd heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep meegedeeld dat zij een uitbreiding van het bezoek van de moeder aan [de minderjarige1] van een uur naar om te beginnen anderhalf uur wel in overweging wil nemen, maar dat zij onbegeleide omgang niet verantwoord acht. Bij de kinderen is sprake van hechtingsproblematiek en zij hebben veel structuur en begrenzing nodig. Bovendien wordt nog onderzocht of [de minderjarige1] weer in een gezinshuis kan worden geplaatst, zoals [de minderjarige1] zelf graag wil. In de nabije toekomst zullen dus misschien veranderingen in het leven van [de minderjarige1] plaatsvinden die maken dat hij dan niet zo veel omgangsmomenten aankan.

Het hof acht een uitbreiding van de door de rechtbank vastgestelde regeling niet nodig, om een uitbreiding van de duur van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] te realiseren. In de door de rechtbank vastgestelde regeling is ruimte voor de GI om een dergelijke uitbreiding uit te voeren. Het hof gaat daarom ervan uit – zeker nu [de minderjarige1] heeft aangegeven dat hij dat graag zou willen – dat de GI zich voor een uitbreiding van de duur van de tweewekelijkse omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] zal inspannen.

5.7

Gelet op hetgeen in de stukken wordt vermeld over de problematiek en beperkingen bij de kinderen en hun speciale behoefte aan stevige opvoederskwaliteiten, staat voor het hof voldoende vast dat de moeder onvoldoende in staat is om bij de behoeften van de kinderen aan te sluiten. Zij kan niet de duidelijkheid en structuur geven aan de kinderen die wenselijk is. De moeder stelt dat het van ondergeschikt belang is dat zij bij onbegeleide omgang de kinderen onvoldoende structuur en duidelijkheid kan bieden, omdat het om beperkte omgangsmomenten bij haar thuis zal gaan, maar dat ziet het hof anders. Die zou [de minderjarige1] en [de minderjarige2] kunnen schaden in hun ontwikkeling, omdat zij erg kwetsbaar zijn en snel ontregeld raken. De stijgende lijn in de ontwikkeling van de kinderen moet niet in gevaar worden gebracht. [de minderjarige1] heeft nog maar een paar jaar tot zijn volwassenheid en die moet benut worden om hem zo stabiel mogelijk te maken.

Het algemene uitgangspunt is dat de band tussen de moeder en de kinderen zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden en uitgebouwd. De GI heeft aangegeven de afgelopen jaren veel tijd en energie te hebben gestoken in het tot stand brengen van uitgebreidere dan wel onbegeleide omgang, maar dat is helaas niet mogelijk gebleken. De moeder heeft in deze procedure geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het hof kan aannemen dat nu wel mogelijk zou zijn.

5.8

De moeder heeft in deze procedure ook aangevoerd dat het niet juist is dat de rechtbank heeft overwogen dat er geen goede samenwerking is tussen de moeder en de pleegouders, de groepsleiding en de voogd. Het hof stelt vast dat samenwerking tussen de moeder en de voogd in ieder geval moeizaam verloopt. Gebleken is dat de communicatie met de moeder hoofdzakelijk via haar persoonlijk begeleidster moet gaan. Het hof heeft de indruk dat dat ook een goede manier is. De moeder begrijpt niet altijd goed waarom bepaalde verzoeken van haar kant niet kunnen ingewilligd. De argumenten moeten goed aan haar worden uitgelegd en het is voor de moeder lastig om te aanvaarden dat dingen die zij graag met haar kinderen zou willen doen niet kunnen, omdat dat niet in het belang van de kinderen is. De persoonlijk begeleidster van de moeder fungeert als neutrale tussenpersoon en op die manier wordt voorkomen dat verschillen van inzicht tot een volledig verstoorde verstandhouding en onwerkbare situatie leiden.

5.8

Wat de omgangsmomenten van de moeder met beide kinderen samen betreft, is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken dat de GI twee momenten met de moeder en twee momenten met de vader probeert te agenderen. Het hof constateert dat dat niet in overeenstemming is met de inhoud van de regeling in de bestreden beschikking. Daarin is voor de moeder vier keer per jaar een moment met beide kinderen samen bepaald, afwisselend bij [de minderjarige1] en bij [de minderjarige2] . Dit dient het uitgangspunt dus te zijn voor de voogd, al heeft deze wel weer de bevoegdheid die regeling zo nodig te beperken.

5.9

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep van de moeder niet. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof,

in het principaal hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 november 2020;

in het incidenteel hoger beroep:

verklaart de GI niet-ontvankelijk;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, I.G.M.Th. Weijers-van der Marck en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 24 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.