Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6195

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
200.287.526
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 800 Rv niet horen rechthebbende door kantonrechter

artikel 1:431 lid 1 BW, artikel 1:450 lid 1 BW Bewind en mentorschap, noodzaak onvoldoende komen vast te staan, verzoeken alsnog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.287.526

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 8823592)

beschikking van 24 juni 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. N.J. Hos te Amersfoort,

en

de advocaat-generaal bij het ressortspakket, vestiging Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de advocaat-generaal,

en


[verweerder] ,

gevestigd te [A] ,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. W.A. Koers.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de zus] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: [de zus] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, van 20 oktober 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 december 2020;

- het verweerschrift namens [verweerder] ;

- het verweerschrift namens de advocaat-generaal.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 1 juni 2021 plaatsgevonden. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens [verweerder] zijn verschenen [de bewindvoerder] (bewindvoerder) en [de mentor] (mentor), bijgestaan door hun advocaat. Met bericht van afstand heeft de advocaat-generaal laten weten dat hij, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter mondelinge behandeling verschijnt. Aan [de begeleider] (verder: [de begeleider] ), begeleider van [verzoeker] , is bijzondere toegang verleend de besloten zitting bij te wonen.

3 De feiten

3.1

[verzoeker] is geboren [in] 1940 te [B] . [de zus] is de zus van [verzoeker] .

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 12 oktober 2020, heeft de Officier van Justitie, arrondissementsparket Midden-Nederland verzocht, voor zover hier van belang, een onderbewindstelling over de goederen van [verzoeker] uit te spreken alsmede om over [verzoeker] een mentor te benoemen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoeker] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, een mentorschap ingesteld ten behoeve van [verzoeker] en [verweerder] benoemd tot bewindvoerder en mentor.

4.2

[verzoeker] is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

20 oktober 2021. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoeker] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat het verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap wordt afgewezen, subsidiair verzoekt hij dat als het bewind en/of het mentorschap in stand blijft, de heer [de begeleider] , wonende te [A] , wordt benoemd tot bewindvoerder en/of mentor, kosten rechtens.

4.3

[verweerder] voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.

4.4

De advocaat-generaal voert verweer en verzoekt het verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

[verzoeker] stelt in zijn eerste grief dat de kantonrechter het verzoek in eerste aanleg heeft toegewezen zonder hem te horen. Nu [verzoeker] niet is gehoord, althans niet in de gelegenheid is gesteld om zijn mening kenbaar te maken, kan de beslissing niet in stand blijven, aldus [verzoeker] . Het hof overweegt het volgende.

5.2

Uit artikel 800 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat [verzoeker] op een mondelinge behandeling op het verzoek dient te worden gehoord door de rechter:

“Tenzij de rechter aanstonds een beschikking geeft waarbij hij zich onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, wordt aan de belanghebbenden, voorzover hun woonplaats bekend is, een afschrift van het verzoekschrift en van de daarbij behorende bescheiden toegezonden en worden de belanghebbenden opgeroepen voor de behandeling. (...)”

Het procesreglement sluit daarbij aan:

“De kantonrechter bepaalt dag en tijdstip van de mondelinge behandeling, tenzij hij het verzoek aanstonds toewijst (…)”.

Ook Aanbevelingen meerderjarigenbewind gaan daarvan uit:

“A Het instellen van meerderjarigenbewind

1. (…)

2. Ter beoordeling van de noodzaak en de omvang van het bewind is uitgangspunt dat verzoekers, betrokkene en belanghebbenden worden gehoord, zo nodig op de verblijfplaats van betrokkene. Hoewel artikel 800 Rv ruimte biedt om het verzoek aanstonds op de stukken toe te wijzen, wordt aanbevolen om daarvan in beginsel geen gebruik te maken.”

5.3

Verder is van belang dat bij het treffen van beschermingsmaatregelen uitgangspunt is dat een maatregel passend moet zijn en niet verder ingrijpt dan strikt noodzakelijk. Of een maatregel passend is en niet te ver ingrijpt hangt af van de omstandigheden van het geval: het komt er dus op aan dat de kantonrechter zich een beeld vormt van die omstandigheden alvorens te beslissen.

5.4

Uit de bestreden beschikking zelf blijkt niet eenduidig waarom [verzoeker] in eerste aanleg niet is gehoord. Enerzijds wordt overwogen dat [verzoeker] niet is gehoord omdat uit de stukken blijkt dat hij niet in staat is zijn mening kenbaar te maken. Anderzijds wordt overwogen dat het niet horen van [verzoeker] het gevolg is van de coronacrisis.

5.5

Het instellen van hoger beroep is ook een gelegenheid om fouten en verzuimen in eerste aanleg te herstellen. Het hof heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling gehoord en [verzoeker] heef zijn bezwaren en zijn standpunt kenbaar kunnen maken. De grief van [verzoeker] is dus terecht voorgesteld, maar kan niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

5.6

Op grond van het op 12 oktober 2020 geldende artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Op grond van artikel 1:432 lid 2 BW kan instelling van het bewind ook door het openbaar ministerie worden verzocht.

5.7

Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen. Op grond van artikel 1:451 lid 2 BW kan mentorschap ook worden verzocht door het openbaar ministerie. Ingeval van een mentorschap is “de betrokkene” onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding en vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en buiten rechte met betrekking tot deze rechtshandelingen (artikel 1:453 lid 1 en 2 BW).

5.8

[verzoeker] stelt in zijn tweede en derde grief dat onvoldoende is komen vast te staan dat voor hem onderbewindstelling en mentorschap noodzakelijk zijn. [verzoeker] heeft voldoende netwerk en is in staat zijn financiën zelf te regelen. Met de ondersteuning van [de begeleider] heeft [verzoeker] zijn financiën de afgelopen jaren voldoende op orde kunnen houden. Er zijn geen schulden. Daarnaast zijn er geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [verzoeker] zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard, zoals hiervoor omschreven, niet kan behartigen. [verzoeker] is prima in staat om deze aangelegenheden zelf te regelen.

Er is aldus niet voldaan aan de wettelijke gronden, aldus [verzoeker] .

5.9

De advocaat-generaal voert verweer. Hij stelt onder meer dat vanuit de hulpverlening (Beweging 3.0) meerdere signalen zijn gekomen dat [verzoeker] niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Zijn huishouden is niet op orde en [verzoeker] heeft moeite om het overzicht te bewaren. Kennelijk lukte het ook [de begeleider] niet om voldoende verandering te brengen in de situatie. [verzoeker] beschikt over onvoldoende netwerk waaruit hulp kan worden verwacht.

5.10

[verweerder] voert eveneens verweer en stelt onder meer dat voldoende is gebleken dat een bewind en mentorschap noodzakelijk zijn. Bij [verzoeker] is sprake van beginnende dementie. De thuiszorg constateerde dat zijn post soms bleef liggen. [verzoeker] vergat zijn pincode en kon zelf geen andere bankpas regelen nadat deze was geblokkeerd. Er waren zorgen over het regelen van een aanstaande verhuizing naar een verpleegtehuis. [verzoeker] is kwetsbaar en hij heeft bescherming nodig, aldus [verweerder] .

5.11

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat een bewind en mentorschap voor [verzoeker] noodzakelijk zijn.

Gebleken is dat [verzoeker] geen schulden heeft, hetgeen door [verweerder] ter mondelinge behandeling is bevestigd. Ook in het verleden heeft [verzoeker] geen schulden gehad. [verzoeker] gaf tijdens de mondelinge behandeling adequaat antwoord op vragen van het hof en hij heeft zijn (financiële) situatie voldoende in beeld. Het hof neemt in aanmerking dat [verzoeker] de samenwerking met de bewindvoerder en mentor is aangegaan, ondanks het feit dat hij het niet eens was met de instelling van bewind en mentorschap. Sinds begin 2021 verblijft [verzoeker] in een verpleegtehuis, waar hij volledig wordt verzorgd. Dat loopt goed. Dat [verzoeker] zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard niet zelf behoorlijk kan waarnemen, is niet gebleken. Verder wordt [verzoeker] inmiddels al geruime tijd door [de begeleider] geholpen bij zijn financiën. In dat verband bezoekt [de begeleider] [verzoeker] wekelijks, ook nu [verzoeker] in een verpleegtehuis verblijft. Het hof verwacht dat [verzoeker] met de hulp van [de begeleider] voorlopig voldoende in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelf te regelen. De enkele vrees van [verweerder] dat er in de toekomst bepaalde zaken - niet toegelicht is welke - kunnen misgaan is onvoldoende grond voor het instellen van ingrijpende maatregelen als een bewind en mentorschap. Ook het vergeten van een pincode is onvoldoende voor het instellen van een dergelijke maatregel.

Daarmee slagen de tweede en derde grief.

5.12

Nu de grieven twee en drie slagen, komt het hof aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van [verzoeker] niet toe.

5.13

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de verzoeken alsnog afwijzen.

5.14

Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten tussen [verzoeker] en [verweerder] compenseren, zoals hierna is vermeld.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, van 20 oktober 2020 en opnieuw beschikkende:

wijst de verzoeken tot instelling van een bewind en een mentorschap ten behoeve van [verzoeker] alsnog af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat [verzoeker] en [verweerder] ieder de eigen kosten van de procedure dragen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, M.H.F. van Vugt en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 24 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.