Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6099

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
200.286.825
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Duur) partneralimentatie, grievend gedrag, hofnorm, behoefte en behoeftigheid, kosten meerderjarige kinderen, verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2021/124
FJR 2022/6.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.286.825 (partneralimentatie) en 200.286.826 (verdeling)

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 496037 en 502087)

beschikking van 22 juni 2021

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.C. van Schip te Soest,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L.T.M. Bredius te Bussum.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 september 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (verder ook: de bestreden beschikking).

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 december 2021;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep en

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Schip van 22 april 2021 met producties.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 3 mei 201 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon gehoord, bijgestaan door hun advocaten, via een digitale beeldverbinding (Telehoren).

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1996 in [plaats1] , gehuwd. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen is [in] 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [de meerderjarige] (23 jaar) en [de jong-meerderjarige] (20 jaar).

4 Het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld door toedeling van de polis bij [A] aan de vrouw onder de verplichting tot betaling van € 250,- aan de man en

  • -

    de vrouw veroordeeld tot betaling van € 625,28 aan de man ter zake van verschillende te verrekenen lasten;

Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (verder ook: partneralimentatie) afgewezen.

4.2

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de partneralimentatie (grief I), de verdeling van de polis bij [A] (grief II) en de te verrekenen lasten (grief III).

De vrouw verzoekt het hof

I. de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de afwijzing van haar verzoek om de man te veroordelen om partneralimentatie aan haar te voldoen en:

primair

de man te veroordelen om gedurende de periode dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft tot het moment dat zij dat wel heeft partneralimentatie te voldoen van € 165,- bruto per maand en vanaf het moment dat zij zelfstandige woonruimte heeft van € 1.608,- bruto per maand,

subsidiair

de man te veroordelen om gedurende de periode dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft tot het moment dat zij dat wel heeft partneralimentatie te voldoen van € 165,- bruto per maand en vanaf het moment dat zij zelfstandige woonruimte heeft van € 827,- bruto per maand,

meer subsidiair

de man te veroordelen om gedurende de periode dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft tot het moment dat zij dat wel heeft partneralimentatie te voldoen van € 165,- bruto per maand en vanaf het moment dat zij zelfstandige woonruimte heeft van € 648,- bruto per maand,

althans een zodanige bijdrage vast te stellen als het hof juist acht;

II. te verklaren voor recht dat de man de partneralimentatie verschuldigd zal zijn voor de duur van twaalf jaren vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk;

III. de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing inzake de polis bij [A] en te bepalen dat de vrouw niet verplicht is enig bedrag aan de man te voldoen;

IV. de man op grond van artikel 21 en 22 jo. artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten om de aangifte en de aanslagen die zien op het belastingjaar 2019 in het geding te brengen;

V. de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de verdeling van de goederen en de man te veroordelen tot betaling van € 1.597,28 aan haar ter zake van verschillende te verrekenen lasten, te vermeerderen met de helft van de teruggave die de man over 2019 van de belastingdienst heeft ontvangen;

kosten rechtens.

4.3

De man voert verweer in het principaal hoger beroep is zelf met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven hebben betrekking op grievend gedrag van de vrouw (grief I) en zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen van partijen (grief II).

De man verzoekt het hof in het primair hoger beroep om de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft het afgewezen verzoek tot vaststelling van partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap voor wat betreft de verdeling van de gemeenschap nog toe te voegen de verdeling van de definitieve belasting teruggaven van partijen over het jaar 2019 en te bepalen dat deze bij helfte verdeeld worden.

De man verzoek het hof in het incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft zijn afwijzing op zijn verzoek om het verzoek van de vrouw tot vaststelling partneralimentatie af te wijzen op grond van haar grievende gedrag, te vernietigen en op nieuw beschikkende te bepalen dat het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie wordt afgewezen vanwege haar grievend gedrag, alsmede de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft het buiten beschouwing laten van het aanvullend verzoek van de man van 11 augustus 2020, waarbij door hem als gevolmachtigde namens de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige] om een bijdrage is verzocht en opnieuw beschikkende te bepalen dat hij maandelijks bij vooruitbetaling als bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aan [de jong-meerderjarige] zal voldoen een bedrag van € 353,-.

4.4

De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen.

5 De overwegingen voor de beslissing

partneralimentatie

ingangsdatum

5.1

Het hof stelt voorop dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie eerst kan ingaan per de datum van de inschrijving van de echtscheiding (zie 3.1).

grievend gedrag

5.2

De man stelt dat de vrouw zich zodanig grievend heeft gedragen dat van hem niet kan worden verlangd dat hij partneralimentatie betaalt. Er is een einde gekomen aan de lotsverbondenheid. De vrouw heeft meerdere keren vernielingen aan zijn auto toegebracht. Ook laat zij zich belastend over hem uit in mails en sms’jes. Deze berichten stuurt zij niet alleen aan hem maar ook naar de kinderen van partijen.

De vrouw voert verweer en stelt dat de man zich ook heeft misdragen. De echtscheiding ging gepaard met hevige emoties. De man heeft haar bedreigd en geprobeerd haar auto in brand te steken.

5.3

Het hof overweegt dat lotsverbondenheid ontstaat op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door het aangaan van een huwelijk. Die - door het huwelijk in het leven geroepen - lotsverbondenheid geldt weliswaar als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting, maar die lotsverbondenheid duurt na het huwelijk niet voort. De onderhoudsverplichting na huwelijk wordt bestreken door artikel 1:157 BW. Daaruit vloeit voort dat de rechter een onderhoudsverplichting slechts kan doen eindigen op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen (ECLI:NL:HR:2018:695) .

In echtscheidingssituaties lopen de emoties soms hoog op, maar onredelijk, onheus of soms grof gedrag maakt - binnen de dynamiek van een echtscheiding - nog niet dat aan de onderhoudsverplichting een definitief einde moet komen.

5.4

Het hof stelt vast de man niet heeft weersproken dat ook van zijn zijde sprake is geweest van grievend gedrag. Aannemelijk is derhalve dat partijen zich over en weer onheus hebben opgesteld en gedragen. Niet gebleken is dat bij dit wederkerig gedrag sprake is van een zeer grote onbalans tussen gedrag en opstelling van de vrouw jegens de man enerzijds en van de man jegens de vrouw anderzijds. Evenmin is gebleken dat de man door de opstelling en het gedrag van de vrouw ernstig is geschaad in maatschappelijk opzicht. Het hof ziet derhalve geen grond om de onderhoudsverplichting van de man te beëindigen. De eerste grief van de man faalt daarom.

behoefte en behoeftigheid van de vrouw

5.5

De vrouw stelt dat zij voldoende inzicht in haar inkomsten en lasten heeft gegeven om de hoogte van haar behoefte te kunnen vaststellen en dat zij niet in staat is om daarin te voorzien.

behoefte

5.6

De vrouw heeft twee behoeftelijstjes opgesteld. In de situatie dat zij bij haar ouders woont en regelmatig in [plaats2] verblijft bedragen haar uitgaven € 1.617,70 per maand. In de situatie dat zij een huurwoning heeft, bedragen haar uitgaven circa € 2.335,21 per maand. Zij heeft deze lijstjes nader onderbouwd met producties. Subsidiair meent zij dat de hofnorm moeten worden gehanteerd. Zij verwijst naar hetgeen de rechtbank in de procedure voorlopige voorzieningen bij beschikking van 26 juni 2019 in het kader van haar behoefte heeft overwogen, met dien verstande dat zij het niet eens is met de bedragen die de rechtbank heeft gehanteerd als kosten voor de kinderen van partijen.

5.7

De man maakt bezwaar tegen een aantal uitgaven die de vrouw op haar behoeftelijstjes heeft vermeld. Volgens hem bedraagt haar behoefte nu € 1.123,- per maand. Hij stelt dat de vrouw op dit moment in het chalet in [plaats2] woont, maar ook als zij in de toekomstige situatie blijft haar behoefte gelijk of eventueel € 25,- meer in verband met sport. Wat betreft de hofnorm stelt de man dat de rechtbank in de beschikking voorlopige voorzieningen op de juiste wijze is omgegaan met de kosten van de kinderen.

5.8

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

De hofnorm, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk tot uitgangspunt wordt genomen, biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Deze maatstaf leidt tot een globaal budget voor de onderhoudsgerechtigde en heeft als bijkomend voordeel dat geen nodeloos escalerende discussies over specifieke kostenposten hoeven te worden gevoerd. Dat is temeer van belang omdat ook andere bestedingskeuzes - op basis van persoonlijke voorkeuren of situaties - mogelijk zijn. In de onderhavige situatie acht het hof de hofnorm een passende maatstaf. De behoeftelijstjes die de vrouw heeft opgesteld en de betwisting van een aantal onderdelen daarop door de man, beschrijven de binnen dat budget door de vrouw gemaakte en te maken bestedingskeuzes en geven geen aanleiding om te vermoeden dat de hofnorm niet passend is.

5.9

Uit de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank waar de vrouw naar verwijst (prod. 20 bij beroepschrift van de vrouw) en de stellingen van partijen, volgt dat het gezinsinkomen van partijen in 2019 € 4.133,- netto per maand bedroeg. Het hof is - net als de rechtbank - van oordeel dat voor de bepaling van de kosten van levensonderhoud en studie voor [de meerderjarige] rekening moet worden gehouden de norm Wet Studiefinanciering (WSF), nu hij destijds bij partijen inwoonde, meerderjarig was en geen middelbaar onderwijs meer volgde maar studeerde. Het door de rechtbank berekende bedrag van € 1.861,- netto per maand als behoefte van de vrouw is daarom volgens het hof juist.

Aldus heeft de vrouw geïndexeerd naar 2021 thans behoefte aan een netto bedrag van € 1.964,76 per maand.

behoeftigheid

5.10

De vrouw stelt dat zij niet de verdiencapaciteit heeft om volledig in haar eigen behoefte te voorzien. Meer dan 24 uur per week werken is in haar beroep niet mogelijk en een tweede functie is vanwege haar onregelmatigheidsdiensten niet te combineren met haar huidige baan. De vrouw heeft recente inkomensgegevens overgelegd en toegelicht dat zij met ingang van 15 maart 2021 een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft bij dezelfde werkgever met een arbeidsduur van 20 uur gemiddeld. Dit aantal uren houdt verband met wijzigingen in haar opleiding. Zij gaat er vanuit dat zij per september 2021 gediplomeerd is.

De man is van mening dat de vrouw haar uren kan uitbreiden en met haar eigen inkomen volledig in haar behoefte kan voorzien.

5.11

Het hof constateert dat de vrouw geen jaaropgave 2020 in het geding heeft gebracht en dat uit haar loonstroken 2020 en 2021 blijkt dat haar uren fluctueren. In januari 2021 heeft zij 125 uren kunnen werken en in februari 2021 93 uren. In 2020 heeft zij steeds 104 uren (gelijk aan 24 uur per week) per maand gewerkt. Het hof is van oordeel dat de verdiencapaciteit van de vrouw voor nu en voor de eerstkomende tijd in redelijkheid op 24 uur per week moet worden gesteld. De vrouw is nog in haar opleiding en het is aannemelijk dat zij bij haar huidige werkgever op dit moment geen mogelijkheden heeft meer dan 24 uur per week te werken of om een dienstbetrekking elders met een substantieel hoger aantal uren te vinden. Dit betekent dat het hof uitgaat van een dienstbetrekking met een omvang van 104 uren per maand. Dit laat onverlet dat van de vrouw redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij zich inspant om haar verdiensten in de toekomst verder te verhogen.

5.12

Uit de loonstrook over januari 2021 blijkt dat het salaris van de vrouw voor 104 gewerkte uren € 1.470,51 per maand bedraagt. De vrouw heeft aanspraak op 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering. Op basis van de loonstroken over september, oktober en november 2020 en over januari, februari en maart 2021 stelt het hof de onregelmatigheidstoeslagen in redelijkheid op gemiddeld € 140,- per maand. De premie Ouderdomspensioen (OP) stelt het hof in redelijkheid op gemiddeld € 150,- per maand en de premie aanvulling WW/WGA en Aanvullend Pensioen (AP) samen op € 10,- per maand.

Rekening houdend met de heffingskortingen berekent het hof het netto besteedbaar inkomen (verder ook: NBI) van de vrouw op € 1.582,- per maand.

5.13

Dit betekent dat de vrouw naast haar eigen behoefte nog een bedrag van de man nodig heeft van € 382,76 netto per maand nodig heeft om volledig in haar behoefte van € 1.964,76 per maand te kunnen voorzien. De vrouw heeft dan behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man van € 743,- bruto per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte behoefteberekening.

Nu de vrouw voor de periode dat zij nog geen zelfstandige huurwoning heeft een bijdrage van de man van € 165,- bruto per maand heeft verzocht, is haar verzoek voor die periode toewijsbaar tot maximaal dat bedrag.

Gezien het vorenstaande slaagt de grief van de vrouw gedeeltelijk. Dat leidt er toe dat het hof de draagkracht van de man zal vaststellen.

draagkracht van de man

5.14

De vrouw stelt dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden gerekend met zijn jaarinkomen uit arbeid in 2020 van € 53.006,- bruto. De vrouw stelt dat de man daarnaast ook nog inkomsten uit zijn onderneming heeft. Zij stelt deze op € 1.000,- per maand.

5.15

De man wil voor de bepaling van zijn draagkracht uitgaan van het gemiddelde inkomen over de laatste drie jaren. Hij heeft dit jaar een lange periode verlof gehad en geen overuren gemaakt. Zijn onderneming is slapend, hij heeft daaruit geen inkomen.

5.16

Het hof gaat voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van de jaaropgave 2020. Het hof acht de man in staat om dat inkomen ook in 2021 te verwerven, nu niet gebleken is dat de man lichamelijke beperkingen heeft. Dat de man daarnaast inkomsten uit zijn onderneming heeft, acht het hof niet aannemelijk. Wat de vrouw daartoe stelt is in elk geval onvoldoende.

Het bruto jaarinkomen van € 53.006,- leidt tot een NBI van € 3.120,- per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte draagkrachtberekening en bespreekt hierna uitsluitend die posten waarover partijen van mening verschillen.

Woonlasten / opslagkosten

5.17

De man stelt dat naast zijn woonlast van € 335,- per maand rekening moet worden gehouden met de huur van twee opslagboxen voor een bedrag van € 206,- per maand, omdat zijn nieuwe partner een erg kleine woning heeft en hij daarom geen andere mogelijkheid heeft tot het opslaan van zijn inboedel.

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen deze extra last. Volgens haar is het huren van opslagboxen niet nodig, omdat zij in een televisie-uitzending heeft gezien dat de inboedel van de man grotendeels in de woning van zijn vriendin staat.

Het hof laat deze kosten buiten beschouwing omdat de man de noodzaak ervan niet voldoende heeft onderbouwd. De kosten worden veroorzaakt door de keuze van de man om zaken op te slaan in plaats van te verkopen of af te stoten en hebben geen prioriteit boven zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw.

Advocaatkosten

5.18

De kosten voor de advocaat worden conform de aanbevelingen van de Expertgroep slechts geacht te prevaleren boven de onderhoudsverplichting van de man voor zover deze niet meer bedragen dan € 114,- per maand gedurende een periode van één jaar. Gelet op de totale duur van de juridische procedures rondom de echtscheiding in eerste aanleg en in hoger beroep, is deze periode reeds verstreken en dient de man de kosten te voldoen vanuit zijn vrije ruimte.

Kosten [de jong-meerderjarige]

5.19

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met de kosten die hij voldoet voor [de jong-meerderjarige] . Naar zijn mening heeft de rechtbank de akte van 11 augustus 2020: een aanvullend verzoek namens [de meerderjarige] en [de jong-meerderjarige] , buiten beschouwing gelaten.

De vrouw stelt dat de akte van 11 augustus 2020 terecht buiten beschouwing is gelaten. De akte was te laat ingediend en daarom in strijd met de goede procesorde. Voor zover een dergelijk verzoek door de kinderen kan worden gedaan geldt dat de man niet door hen was gevolmachtigd.

5.20

Het hof is van oordeel dat het verzoek van [de meerderjarige] en [de jong-meerderjarige] niet in aanmerking kon worden genomen en dat de rechtbank op dit punt juist heeft beslist. In een echtscheidingsprocedure kunnen op de voet van artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) nevenvoorzieningen worden getroffen. Artikel 827 Rv biedt enkel een mogelijkheid voor de bijdrage aan minderjarige kinderen. Daarom kunnen (jong-)meerderjarige kinderen in een echtscheidingsprocedure geen verzoek om een bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud en studie indienen, ook niet door een ouder daartoe volmacht te geven om dit namens hen te doen. De tweede grief van de man faalt.

5.21

Het vorenstaande laat onverlet dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij in de kosten van [de jong-meerderjarige] bijdraagt met een € 352,- per maand, gelijk aan de ouderbijdrage die DUO heeft berekend. De onderhoudsverplichting van de man jegens [de jong-meerderjarige] heeft prioriteit boven de onderhoudsverplichting jegens de vrouw (artikel 1:400 lid 1 BW).

5.22

Zoals uit de aangehechte draagkrachtberekening blijkt heeft de man voldoende draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw van € 743,- per maand te kunnen voorzien. Met die bijdrage verkeert de vrouw niet in een financieel voordeliger positie dan de man.

5.23

De door de man met ingang van 19 januari 2021 te betalen bijdrage berekend met inachtneming van de belastingtarieven 2021. Het verzoek van de vrouw om een bijdrage van € 165,- voor de periode dat zij nog geen zelfstandige woonruimte heeft, is gedaan in 2020. Het hof verhoogt de door de vrouw verzochte bijdrage daarom met de wettelijke indexering (1: 402a BW) en zal de man voor die periode een partneralimentatie opleggen van € 169,95,- per maand. Zodra de vrouw over zelfstandige woonruimte beschikt dient de man een bedrag van € 743,- per maand aan de vrouw te voldoen.

duur van de partneralimentatie

5.24

Het verzoek van de vrouw de duur van de verplichting om partneralimentatie te betalen moet worden verlengd van vijf jaar naar twaalf jaar stuit af op het bepaalde in artikel 1:156 lid 3 BW. Het is niet mogelijk om de termijn van de partneralimentatie zodanig te verlengen dat de uitkering later eindigt dan op grond van de toepasselijke termijn, bedoeld in 1:157 BW. Het verzoek van de vrouw tot verlenging van de wettelijke alimentatietermijn zal op grond van het vorenstaande door het hof worden afgewezen.

de verdeling

5.25

Tussen partijen is niet in geschil dat de peildatum voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap 16 januari 2020 is, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.

polis [A]

5.26

De vrouw stelt dat uit de door haar overgelegde productie 30 blijkt dat op 27 augustus 2019 aan haar ter zake de [A] € 6.473,90 is uitgekeerd. Zij heeft € 371,89 overgemaakt aan [de jong-meerderjarige] voor boeken, aan DUO heeft zij € 1.168,- voldaan en het restant van € 4.934,12 heeft zij overgemaakt aan [de jong-meerderjarige] . Hieruit volgt dat zij niets heeft overgehouden en dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij € 250,- aan de man moet uitkeren.

In verband met de door de vrouw in hoger beroep overgelegde stukken refereert de man zich.

5.27

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vrouw als onbetwist moet worden toegewezen.

te verrekenen lasten

5.28

De vrouw heeft het in de bestreden beschikking opgenomen bedrag van € 625,28 inmiddels aan de man betaald, maar zij is ook met kosten geconfronteerd waarvan de man de helft aan haar moet voldoen.

Het betreft de navolgende kosten:

gemeente- en waterschapsbelastingen (GBLT) 2019;

€ 91,38

gemeente Almere 2019

€ 146,70

gemeente Almere afvalstoffenheffing 2020 tijdvak 0101-0103

€ 94,55

waterschapsbelastingen 2020.

€ 264,92

voorlopige aanslag inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet 2019

€ 1.157,00

teruggave belastingdienst IB 2018 door man ontvangen

€ 1.440,00

totaal

€ 3.194,55

De eerste vier posten moeten bij helfte worden gedeeld omdat de echtelijke woning pas in maart 2020 is verkocht. Verder heeft zij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet 2019 voldaan die de man voor de helft aan haar moet voldoen. Tenslotte heeft de man de teruggave belastingdienst IB 2018 ontvangen en deze moet met haar gedeeld worden. Zij heeft derhalve een vordering van in ieder geval € 1.597,28. Daarnaast heeft de man ook een teruggave van de belastingen gehad over 2019, die hij met de vrouw moet delen.

5.29

De man betwist dat hij de door de vrouw genoemde gebruikerslasten voor de helft aan haar moet vergoeden. Hij betaalde partneralimentatie en de vrouw, die in de echtelijke woning verbleef, moest de gebruikerslasten voldoen. Op de ochtend van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man een hernieuwd bevel combinatieaanslag gemeente Almere 2019 ontvangen voor een bedrag van € 813,44. Mogelijk heeft de vrouw slechts een termijn 2019 van € 146,70 voldaan en de overige termijnen niet.

De belastingteruggave over 2018 heeft hij besteed aan de kosten van gemeenschappelijke huishouding.

Na verrekening van de Zvw resteerde van de teruggave van de belastingen over 2019 een bedrag van € 690.- dat inderdaad tussen partijen moet worden verdeeld. De vrouw heeft vermoedelijk ook een teruggave ontvangen die nog moet worden verdeeld.

5.30

Over de kosten die de vrouw reeds heeft voldaan, een bedrag van € 625,28, ter uitvoering van de bestreden beschikking bestaat geen discussie, zodat de bestreden beschikking wat die kosten betreft in stand kan blijven. Over de verder door partijen genoemde kosten overweegt het hof als volgt.

GBLT 2019 en gemeente Almere 2019

5.31

Partijen zijn gezamenlijk aansprakelijk voor de GBLT en aanslag gemeente Almere 2019 en zij moeten daarvan uiteindelijk elk de helft dragen. Het hof heeft geen goed totaalbeeld van deze kosten en wat daarvan precies is betaald. Het lag op de weg van de vrouw daarover informatie te verschaffen. Nu nadere onderbouwing ontbreekt, zal het hof het verzoek op dit onderdeel afwijzen.

gemeente Almere afvalstoffenheffing 2020 en waterschapsbelastingen 2020

5.32

Nu de man niet betwist dat de vrouw deze heffingen heeft voldaan heeft zij recht op vergoeding van de helft daarvan de man. De waterschapsbelasting 2020 zien op een heel jaar. Nu de woning in maart 2020 is verkocht zal het hof rekening houden met de lasten voor een kwartaal en daarvan dient de man de helft aan de vrouw te vergoeden.

teruggave inkomstenbelasting

5.33

Wat betreft de teruggave inkomstenbelasting 2018 heeft de man aannemelijk gemaakt dat deze teruggave is besteed aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Het verzoek van de vrouw op dit onderdeel moet daarom worden afgewezen.

5.34

De man heeft niet betwist dat de vrouw de aanslag inkomstenbelasting en de Zvw heeft voldaan. Derhalve dient hij de helft aan de vrouw te voldoen.

De teruggave die de man in 2019 heeft ontvangen dient de man ook nog voor de helft aan de vrouw te vergoeden.

Uit de stukken 2019 van de belastingdienst die de vrouw heeft overgelegd blijkt dat aan haar zijde in 2019 geen sprake was van een belastingteruggave.

slotconclusie

5.35

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de man aan de vrouw dient te vergoeden € 1.003,90.

6 De slotsom

in het principaal en incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven van de vrouw slechts gedeeltelijk en falen de grieven van de man en dit leidt er toe dat de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing op het verzoek van de partneralimentatie en de vergoedingsrechten dient te worden vernietigd en dat het hof zal beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 september 2020, ten aanzien van de beslissing over de partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en zolang de vrouw nog geen zelfstandige huurwoning heeft als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 169,95,- per maand zal betalen, en zodra de vrouw de beschikking heeft over zelfstandige woonruimte een bijdrage van € 743,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 september 2020, ter aanzien van de beslissing over de polis bij [A] en ten aanzien van de beslissing over de verschillende te verrekenen lasten, en in zoverre opnieuw beschikkende:

deelt de polis bij [A] toe aan de vrouw;

veroordeelt de vrouw tot betaling van € 625,28 aan de man ter zake van verschillende te verrekenen lasten en veroordeelt de man tot betaling van € 1.003,90 ter zake van verschillende te verrekenen lasten aan de vrouw;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, R. Feunekes en C.M. Schönhagen, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes en is op 22 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.