Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6055

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
Wahv 200.270.198/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De officier van justitie heeft onzorgvuldig gehandeld door niet een evident ontbrekende pagina uit het aanvullend beroepschrift op te vragen bij de indiener.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.270.198/01

CJIB-nummer

: 215987043

Uitspraak d.d.

: 21 juni 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2019, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 264,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met

27 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 april 2018 om 16:30 uur op de N247 Nieuwe Leeuwarderweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter niet is ingegaan op de beroepsgrond dat de officier van justitie niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft gezonden. De kantonrechter heeft de zaak behandeld zonder eerst kennis te (kunnen) nemen van het volledige procesdossier. Nu juist een deel van de gronden in administratief beroep in het dossier ontbreekt, is het de betrokkene onduidelijk hoe de kantonrechter tot de conclusie heeft kunnen komen dat de beslissing op administratief beroep berust op een deugdelijke motivering.

3. In het beroepschrift aan de kantonrechter schrijft de gemachtigde dat de tweede pagina van het schrijven van 1 augustus 2018 met daarin de gronden van het administratief beroep niet aan de rechtbank is overgelegd. De gemachtigde schrijft dat op deze pagina uiteen is gezet waarom de officier van justitie gebruik diende te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. Het hof stelt vast dat de kantonrechter deze grond onbesproken heeft gelaten. Met betrekking tot de vraag of dit motiveringsgebrek tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter moet leiden dan wel of er ruimte bestaat om de beslissing van de kantonrechter te bevestigen met verbetering van gronden, overweegt het hof het volgende.

4. Het hof stelt vast dat zich in het dossier een schrijven van 1 augustus 2018 bevindt, waarin in de aanhef is vermeld "gronden van administratief beroep". Dit stuk bestaat uit twee pagina’s. In de voettekst onderaan de eerste pagina staat “pagina 1 van 3” vermeld en op de volgende pagina staat “pagina 3 van 3”. De eerste pagina eindigt vrij abrupt met het woordje “uw” en op de volgende pagina staat slechts dat de gemachtigde verzoekt om alle correspondentie die op deze zaak betrekking heeft aan hem te richten.

5. Het hof stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de tweede pagina van het schrijven d.d.

1 augustus 2018 ontbreekt. Het hof is van oordeel dat het de officier van justitie na bestudering van het stuk had moeten opvallen dat de tweede pagina van dat stuk ontbrak. Het hof overweegt hierbij dat bij het schrijven bijlagen zijn gevoegd, terwijl in dat schrijven niet aan die bijlagen wordt gerefereerd. Mede gelet hierop had de officier van justitie de ontbrekende pagina vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid naar het oordeel van het hof dienen op te vragen bij de gemachtigde. De officier van justitie had dit ook op eenvoudige wijze kunnen doen door dit bij de gemachtigde aan te kaarten op de hoorzitting van 14 augustus 2018. Nu de officier van justitie dit heeft gelaten, en dientengevolge de grond dat naar het oordeel van de gemachtigde sprake is van bedrijfsmatige aangegane huurovereenkomst niet in diens beslissing heeft meegewogen, is naar het oordeel van het hof sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, waardoor de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde bezwaren behoeven derhalve geen bespreking meer.

6. De gemachtigde voert tegen de inleidende beschikking aan dat er sprake is van een bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst, nu sprake is van het ter beschikking stellen van een vervangende auto. Van doorslaggevende betekenis is dat het voertuig aan een derde is verhuurd, nu daarvoor door de betrokkene kosten zijn doorbelast aan de betreffende derde. Aangezien sprake is van het tegen betaling (ad € 27,69) verschaffen van het gebruik van het voertuig door de betrokkene, een onderneming, aan een derde, is, zo betoogt de gemachtigde, sprake van een bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst.

7. Omdat de verhuurtijd niet blijkt uit het huurcontract en het voertuig slechts voor de dag van de gedraging was verhuurd, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht door de huurder van het voertuig. Het beroep op artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv wordt derhalve verworpen.

8. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

10. Voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.