Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6031

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
19/00721
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:1737, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Ontvankelijkheid teruggaafverzoek wegens export.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1641
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00721

uitspraakdatum: 22 juni 2021

Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 april 2019, nummer AWB 18/2031, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft bij de Inspecteur een verzoek om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan (hierna: het teruggaafverzoek). Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking niet-ontvankelijk verklaard (hierna: de beschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 512 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 338 te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter digitale zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. Namens belanghebbende is [A] verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C] .

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is

aan deze uitspraak gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 17 januari 2017 voor een auto van het merk Audi, type A8, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) verzocht om teruggaaf van BPM als bedoeld in artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM).

2.2.

De registratie in het Nederlandse kentekenregister van de auto is op 8 september 2016 beëindigd. De auto is op 3 januari 2017 in Polen geregistreerd.

2.3.

De Inspecteur heeft het teruggaafverzoek nietontvankelijk verklaard, omdat dit verzoek niet is gedaan binnen dertien weken na beëindiging van de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister.

2.4.

Het daartegen gerichte bezwaarschrift is door de Inspecteur op 6 april 2017 ontvangen.

2.5.

De Inspecteur heeft bij brief van 14 juni 2017 zijn voornemen om het bezwaar ongegrond te verklaren, gemotiveerd aan de gemachtigde van belanghebbende meegedeeld. In deze brief is onder andere de volgende passage opgenomen:

Mogelijkheid om te worden gehoord

Indien u het niet eens bent met mijn voornemen, heeft u het recht om te worden gehoord. Ik verzoek u binnen 14 dagen na dagtekening van deze voorgenomen uitspraak aan te geven of u van deze gelegenheid gebruik wilt maken.”

2.6.

In de uitspraak op bezwaar van 8 maart 2018 heeft de Inspecteur het volgende geschreven:

Hoorgesprek

Voor het houden van een hoorgesprek heb ik u een aantal keren uitgenodigd.

Geen der uitnodigingen is door u geaccepteerd, alternatieve datums heeft u niet voorgesteld. In nagenoeg alle gevallen is het afwijzen ingegeven door het feit dat de belanghebbende - die aanwezig wil zijn bij de hoorgesprekken - steeds verhinderd is. U zelf heeft aangegeven - hoewel gemachtigd - niet zonder de belanghebbende het hoorgesprek te willen houden.

Op 19 februari 2018 bent u verschenen en is ook de heer [D] , belanghebbende - ondanks eerdere afwijzing - verschenen. Desgevraagd weigerde u inzage te nemen in de dossiers en aansluitend gehoord te worden. Nu er kennelijk aan uw zijde geen prioriteit gegeven wordt aan het houden van hoorgesprekken heb ik besloten om uitspraak te doen zonder te hebben gehoord. Daarbij zal ik uitgaan van de in het dossier én bezwaarschrift aanwezige informatie.

Ik verwijs u voor een overzicht van eerdere uitnodigingen naar mijn uitnodiging voor het hoorgesprek op 19 februari 2018. Deze brief is verstuurd op 12 januari 2018 en geeft ook een overzicht van de eerdere uitnodigingen. Daarnaast verwijs ik hier naar mijn brief van 22 februari 2018 waarin ik uitgebreid reageer op het hoorgesprek van 19 februari 2018. Daarnaast verwijs ik naar mijn brief van 6 februari 2018 waarin ik de problematiek van de hoor gesprekken bespreek. Beide brieven moeten voor zover nodig als hier ingelast worden beschouwd.”

2.7.

Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar gemaakt.

2.8.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3 Geschil

In geschil is of het teruggaafverzoek terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Daarnaast zijn verschillende punten van formeelrechtelijke aard in geschil.

4. Beoordeling van het geschil

Tardief verklaren nader stuk (pleitnota)

4.1.

Vaststaat dat de gemachtigde van belanghebbende vier werkdagen voor de zitting bij het Hof een nader stuk (pleitnota) van zeven pagina’s aan het Hof heeft gezonden. Het Hof heeft dit nader stuk vervolgens doorgezonden aan de Inspecteur. Ter zitting bij het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hem de tijd ontbrak om dit nader stuk nauwkeurig te lezen omdat hij door de interne administratieve verwerking pas een dag voor de zitting van het nader stuk kennis heeft kunnen nemen.

4.2.

Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Binnen het kader van een goede procesorde heeft de rechter de mogelijkheid stukken die binnen de termijn van tien dagen of op de zitting zijn ingediend al dan niet in de procedure toe te laten (vgl. HR 1 oktober 2004, nr. 38 967, ECLI:NL:HR:2004:AR3099). Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom zij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (HR 3 februari 2006, nr. 41 329, ECLI:NL:HR:2006:AV0821).

4.3.

De stellingen die de gemachtigde van belanghebbende in het nader stuk heeft genomen, zijn al in veel – bij de Inspecteur bekende – procedures betrokken en vergen geen onderzoek van feitelijke aard. Verder kon de Inspecteur door de interne administratieve verwerking pas een dag voor de zitting van het Hof van het nader stuk kennis nemen. Onder deze omstandigheden hoeven bedoelde stellingen naar het oordeel van het Hof niet als tardief te worden aangemerkt.

Horen

4.4.

Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur haar ten onrechte niet heeft gehoord en verbindt daaraan de conclusie dat de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de gemachtigde van belanghebbende en, naar het Hof begrijpt, de heer [D] (hierna: [D] ) verschillende keren zijn uitgenodigd voor een hoorgesprek en dat zij, voornamelijk wegens verklaarde verhindering van [D] , geen van die uitnodigingen hebben geaccepteerd. Gemachtigde en [D] zijn op 19 februari 2018 niettemin verschenen op de plaats en het tijdstip van een eerder afgewezen uitnodiging voor een hoorgesprek. Bij die gelegenheid heeft de gemachtigde, eveneens onweersproken gesteld door de Inspecteur, geweigerd inzage te nemen in het dossier van belanghebbende en aansluitend de bezwaren te bespreken. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het Hof niet worden geoordeeld dat de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden.

4.5.

Gelet op het voorgaande is belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld haar zienswijze met betrekking tot de voorgenomen uitspraak op bezwaar kenbaar te maken, zodat ook het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet is geschonden.

Teruggaafverzoek

4.6.

Op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM, kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen op aanvraag een teruggaaf van BPM worden verleend indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en vervolgens wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

4.7.

In artikel 4a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om voor teruggaaf van BPM in aanmerking te komen. Een van die voorwaarden is dat het verzoek om teruggaaf van BPM wordt gedaan binnen dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.

4.8.

Niet in geschil is dat belanghebbende niet binnen dertien weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister heeft verzocht om teruggaaf van BPM. De Inspecteur heeft het teruggaafverzoek naar het oordeel van het Hof daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.9.

Het betoog van belanghebbende houdt in dat het stellen van een termijn van dertien weken, alsmede het stellen van méér vereisten dan de enkele beëindiging van de registratie van de auto in het Nederlandse kentekenregister, zoals het vereiste dat de auto buiten Nederland wordt gebracht en vervolgens wordt ingeschreven in een andere lidstaat, een ongerechtvaardigde belemmering vormt van de algemene beginselen van het Unierecht en in strijd komt met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Dit betoog faalt reeds omdat de werkingssfeer van die beginselen en dat artikel zich niet uitstrekt tot gevallen waarin wegens de uitvoer van goederen uit een lidstaat naar een andere lidstaat geen teruggaaf plaatsvindt van – zoals hier – eerder door eerstgenoemde lidstaat (in casu Nederland) rechtmatig geheven BPM.1 Dit betekent dat met betrekking tot een verzoek om teruggaaf van BPM ter zake van de uitvoer van een auto naar een andere EU-lidstaat niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op artikel 110 van het VWEU.

4.10.

Zelfs als belanghebbende echter zou moeten worden gevolgd in haar betoog dat gevallen zoals hiervoor onder 4.9 bedoeld wel vallen binnen de werkingssfeer van het Unierecht, in het bijzonder artikel 110 van het VWEU, kan dat haar niet baten. Het Hof overweegt hiertoe dat het vaste rechtspraak is van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) dat, bij gebreke aan een regeling in het Unierecht, het aan de lidstaten is om formeelrechtelijke maatregelen te treffen. Hierbij dienen de beginselen van het Unierecht te worden gerespecteerd. De belangrijkste beginselen zijn het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel schrijft voor dat het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet uiterst moeilijk of onmogelijk mag worden gemaakt. Het gelijkwaardigheidsbeginsel schrijft voor dat de regels voor het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet ongunstiger mogen zijn dan de regels die gelden voor het uitoefenen van rechten die uit het nationale recht voortvloeien.2 Het staat de wetgever dan ook vrij onder meer fatale termijnen voor te (doen) schrijven bij het indienen van verzoeken om teruggaaf. Een termijn van dertien weken is lang genoeg om het recht op teruggaaf te kunnen effectueren en voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Ook de overige aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarden maken het effectueren van dat recht niet uiterst moeilijk of onmogelijk. Voorts is de termijn, noch enige andere aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarde in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel.

Rente over BPM

4.11.

Nu het Hof van oordeel is dat de Inspecteur het teruggaafverzoek terecht nietontvankelijk heeft verklaard en, zowel in het licht van het nationale recht als het Unierecht, terecht geen teruggaaf van BPM heeft verleend, behoeft belanghebbendes betoog dat passende rente moet worden vergoed over terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting geen behandeling meer.

Dezelfde formatie

4.12.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Rechtbank in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) in dezelfde formatie heeft geoordeeld over het hoofdgeschil en over de immateriëleschadevergoeding. Deze grief slaagt niet. Artikel 47 van het Handvest verzet zich niet tegen een werkwijze in nationale procedures waarbij de rechters die de hoofdzaak behandelden ook oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van die hoofdzaak.3

Hoogte en heffing griffierecht (hoger) beroep

4.13.

Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog dat de Rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar grieven tegen de hoogte van het geheven griffierecht. De Rechtbank hoefde op die grieven niet in te gaan, nu niet, althans onvoldoende gemotiveerd is gesteld dat die grieven strekten tot méér dan vergoeding van het voor het beroep betaalde griffierecht en de Rechtbank, zij het op andere gronden dan door belanghebbende aangevoerd, heeft beslist dat zodanige vergoeding moet plaatsvinden.

4.14.

Voor het voor het hoger beroep geheven griffierecht heeft het volgende te gelden. Belanghebbende klaagt erover dat zij ten onrechte het griffierecht voor het hoger beroep eerst volledig moet betalen om het onderhavige belastinggeschil door het Hof te laten beoordelen. Dit Nederlandse systeem van het vooraf heffen van griffierecht is volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht. Bovendien moet bij de bepaling van de hoogte van het griffierecht rekening worden gehouden met de hoogte van de onderliggende vordering en zijn de mogelijkheden om ontheffing van betaling van het griffierecht te krijgen te beperkt.

4.15.

Deze klachten treffen naar het oordeel van het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen doel. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld:

“3.1.3 (…) Uit het arrest Kantarev (Hof: Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, N. Kantarev, C571/16, ECLI:EU:C:2018:807), kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).

3.1.4.

In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699). Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het in het arrest Kantarev bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.”

Het arrest van het HvJ van 6 oktober 2015, nr. C-61/14, ECLI:EU:C:2015:655, Orizzonte Salute, leidt niet tot een ander oordeel.

4.16.

Voorts acht het Hof het van belanghebbende vooraf geheven bedrag – een griffierecht van € 519 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende het verschuldigde griffierecht heeft voldaan en geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht.

Wettelijke rente griffierecht beroep

4.17.

Belanghebbende heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Rechtbank niet heeft beslist dat de Inspecteur over de vergoeding van het griffierecht voor het beroep bij de Rechtbank wettelijke rente zal worden verschuldigd indien hij in verzuim komt met de voldoening daarvan. Anders dan belanghebbende in haar hoger beroep betoogt, hoefde de Rechtbank in haar uitspraak een dergelijke beslissing ook niet op te nemen. Belanghebbende heeft immers noch in haar beroepschrift of pleitnota, noch in enig ander van haar afkomstig stuk of ter zitting bij de Rechtbank aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente over het griffierecht. Omdat belanghebbende dat nu voor het eerst in hoger beroep doet, kan een uitspraak van het Hof daarover niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.4

4.18.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof verklaard dat de vergoeding van het griffierecht op 16 mei 2019 is ontvangen van de Inspecteur. Dat is binnen vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 23 april 2019, zodat die vergoeding tijdig is betaald en de Inspecteur geen wettelijke rente verschuldigd is geworden.5

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

4.19.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep betoogt dat de Rechtbank de Inspecteur had moeten veroordelen in de (werkelijke) kosten voor de behandeling van het bezwaar, faalt dit betoog omdat het bezwaar en het beroep ongegrond zijn en ook overigens geen aanleiding bestaat de Inspecteur te veroordelen in die kosten.

Proceskostenvergoeding beroepsfase

4.20.

Het standpunt van belanghebbende dat de Rechtbank de Inspecteur had moeten veroordelen tot een hogere kostenvergoeding dan voortvloeit uit de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), volgt het Hof niet. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit, kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Besluit. De Rechtbank heeft dergelijke bijzondere omstandigheden niet aanwezig geacht. Het Hof sluit zich hierbij aan.

4.21.

Anders dan belanghebbende ter zitting heeft betoogd, stond het de Rechtbank bovendien vrij om in de omstandigheid dat de Inspecteur slechts is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende omdat door de Rechtbank aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade is toegekend, aanleiding te vinden om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id4ca1bad6e064730c1109859c5ceb8257) bij het Besluit – te hanteren van 0,5 (licht).6

Vergoeding voor materiële schade in de beroepsfase

4.22.

Met betrekking tot de door belanghebbende in de beroepsfase verzochte vergoeding van materiële schade, die naar blijkt uit de stukken van het geding uitsluitend bestaat uit kosten van rechtsbijstand, overweegt het Hof dat, nu de Rechtbank zich over het verzoek om integrale vergoeding van proceskosten heeft uitgesproken, de Rechtbank, anders dan belanghebbende meent, niet aan belanghebbendes verzoek op dit punt voorbij gegaan is.

Stellen van prejudiciële vragen

4.23.

Het betoog van belanghebbende dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen en toe te passen, is onjuist.7 Tegen beslissingen van het Hof staat beroep in cassatie open. Op basis van artikel 267, onderdeel b, van het VWEU is het Hof daarom wel bevoegd maar niet verplicht prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ. Het Hof ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

Immateriëleschadevergoeding

4.24.

Belanghebbende heeft het Hof ten slotte verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in hoger beroep. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.8 Naar het oordeel van het Hof is de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die een verlenging van de termijn met vier maanden rechtvaardigt. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen.9 Het Hof heeft het hogerberoepschrift op 27 mei 2019 ontvangen en doet heden uitspraak, zodat de redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een immateriëleschadevergoeding.

Slotsom


Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. Reeds hierom gaat het Hof voorbij aan belanghebbendes verzoek de Inspecteur op te dragen afschriften te verschaffen van de, door belanghebbende slechts bloot gestelde, laat staan aannemelijk gemaakte, kosten die de landsadvocaat in rekening zou brengen aan de Inspecteur voor een (hoger)beroepsprocedure.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.

De raadsheer,

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 juni 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vergelijk HR 29 april 2016, nr. 15/02976, ECLI:NL:HR:2016:753.

2 Zie met name HvJ 16 december 1976, nr. 33/76, ECLI:EU:C:1976:188, punt 5; 16 december 1976, nr. 45/76, ECLI:EU:C:1976:191, punten 13 en 16; 15 september 1998, C231/96, ECLI:EU:C:198:401, punten 19 en 34; 17 november 1998, C-228/96, ECLI:EU:C:1998:544, punt 18; 9 februari 1999, C343/96, ECLI:EU:C:1999:59; 8 maart 2001, C397/98 en C410/98, ECLI:EU:C:2001:134, punt 85; en 11 juli 2002, C-62/00, ECLI:EU:C:2002:435, punt 34.

3 Zie HR 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o 2.2.2. tot en met 2.2.5.

4 Vergelijk HR 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358, r.o 2.2.5.

5 Vergelijk HR 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358, r.o 2.2.2.

6 Vergelijk HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660.

7 Vergelijk onderdeel 7.2 van de conclusie van AG Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184.

8 Vergelijk HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252.

9 Vergelijk CBB 16 februari 2021, nr. 19/172, ECLI:NL:CBB:2021:158.