Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6005

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
200.262.771/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Beroep op grove miskenning van de wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2021/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.262.771/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 161952)

beschikking van 15 juni 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. van der Pol te Leeuwarden,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,
verweerster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.C.L. Crozier te Sneek.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 24 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 17 juli 2019;

  • -

    het verweerschrift met productie(s), ingekomen op 6 september 2019;

  • -

    het aanvullend beroepschrift met productie(s), ingekomen op 31 maart 2020;

  • -

    het journaalbericht van mr. Van der Pol van 15 oktober 2020 met productie(s);

  • -

    het journaalbericht van mr. Van der Pol van 19 oktober 2020 met productie(s);

  • -

    het journaalbericht van mr. Crozier van 20 oktober 2020 met productie(s);

  • -

    het journaalbericht van mr. Crozier van 20 oktober 2020.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 29 oktober 2020 plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten zijn daarbij verschenen.

Nadere stukken

2.3

Uit het journaalbericht van mr. Crozier van 20 oktober 2020 en uit de door hem ter zitting gegeven nadere toelichting, blijkt dat hij van mening is dat de door mr. Van der Pol op 15 en 19 oktober 2020 ingediende stukken buiten beschouwing dienen te blijven wegens strijd met de goede procesorde en strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.

2.4

Het hof zal voornoemde stukken wel bij de beoordeling van de zaak betrekken.

Het hof is van oordeel dat genoemde stukken kunnen worden toegelaten, omdat deze, gelet op de aard van de zaak en de geschilpunten die aan het hof zijn voorgelegd, dienen ter toelichting van de reeds ingenomen stellingen. Daarbij zijn de stukken ingediend binnen de in het geldend procesreglement voorgeschreven termijn en behoren de stukken voor een advocaat die alimentatiezaken behandelt eenvoudig te doorgronden te zijn. Er is dan ook naar het oordeel van hof geen strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof wijst er op dat ook het latere journaalbericht van mr. Crozier van 20 oktober 2020, met de daarbij overgelegde productie door het hof is meegenomen bij de beoordeling.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is [in] 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel van 14 november 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding vastgelegd in een echtscheidingsconvenant dat door ieder van hen is ondertekend op 24 oktober 2016. Een gewaarmerkt exemplaar van deze overeenkomst is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht en maakt daarvan op die wijze deel uit.

3.3

Blijkens dit echtscheidingsconvenant zijn partijen -voor zover hier van belang- overeengekomen dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een partneralimentatie van bruto € 1.375,- per maand zal voldoen.

Deze partneralimentatie is tussen partijen overeengekomen op basis van de in artikel 2.1 van het convenant genoemde uitgangspunten:

"De man werkt als vennoot in een Vennootschap Onder Firma ' [C]

’ te [A] . Zijn inkomsten (winstaandeel) uit de vof waren in 2015 € 47.285,-. De vrouw werkt 18 uur per week in loondienst in dit bedrijf, haar inkomsten bedragen € 15.306 bruto per jaar. De vrouw blijft werken in de onderneming tot 1 januari 2018. Partijen zijn overeengekomen dat uiterlijk per 1 januari 2018 het dienstverband van de vrouw beëindigd wordt waarbij de regels rondom een transitievergoeding niet van toepassing worden verklaard."
Voorts is in artikel 2.4 van het convenant opgenomen dat voor de vrouw de partneralimentatie een aanvulling is op dit inkomen en dat een stijging van haar arbeidsinkomen aanleiding zal zijn om de hoogte van de partneralimentatie opnieuw te laten berekenen. Ook in het geval dat een van partijen door onvoorziene en onvrijwillige omstandigheden (bijvoorbeeld als gevolg van economische omstandigheden, ziekte of werkloosheid) fors in inkomen achteruit gaat wordt er een nieuwe berekening gemaakt van de partneralimentatie.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook te noemen: partneralimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 24 april 2019 het verzoek van de man om het convenant dat is opgenomen in de echtscheidingsbeschikking te wijzigen en de partneralimentatie met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift, 3 juli 2018, op nihil te stellen, afgewezen.

4.2

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 april 2019. Deze grief ziet op de behoefte en behoeftigheid van de vrouw. De man heeft tevens in hoger beroep zijn inleidend verzoek aangevuld en gewijzigd, in die zin dat hij thans (onder aanvulling van de grondslag daartoe) het hof verzoekt – zo begrijpt het hof – de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het echtscheidingsconvenant dat deel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 14 november 2016, te wijzigen in die zin dat:

I. de partneralimentatie met ingang van 14 november 2016, dan wel met ingang van een door het hof te bepalen datum, wordt bepaald op € 691,- bruto per maand dan wel op een zodanig bedrag als het hof juist acht dat lager is dan thans verschuldigd;

II. de partneralimentatie met ingang van 3 juli 2018, dan wel met ingang van een
zodanige datum als het hof juist acht, op nihil wordt gesteld, dan wel op een zodanig
bedrag als het hof juist acht en dat lager is dan thans verschuldigd;

III. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde
partneralimentatie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;

IV. de vrouw te veroordelen om de door de man aan het LBIO betaalde, of nog te betalen, opslagkosten van € 654,04 aan de man te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

Ter zitting heeft de man zijn verzoek aangevuld met het verzoek om vast te stellen dat de partneralimentatie van rechtswege is beëindigd per 1 oktober 2019, althans 6 januari 2020.

4.3

De vrouw verzoekt het hof om de verzoeken van de man af te wijzen (en de bestreden beschikking te bekrachtigen).

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum van de partneralimentatie

5.1

Ter zitting van het hof is gebleken dat het huwelijk van partijen is ontbonden op

16 november 2016 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel van 14 november 2016 in de registers van de burgerlijke stand. Het hof begrijpt dan ook dat daar waar de man 14 november 2016 als ingangsdatum van de partneralimentatie noemt, door hem 16 november 2016 wordt bedoeld.

De samenwoning van de vrouw

5.2

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de vrouw in ieder geval vanaf 6 januari 2020 is gaan samenleven met haar nieuwe partner, de heer [D] , als waren zij gehuwd. De vrouw heeft de samenleving per die datum erkend en maakt met ingang van
6 januari 2020 geen aanspraak meer op alimentatie van de zijde van de man.

5.3

De man heeft gesteld dat de vrouw eerder is gaan samenleven in de zin van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW), althans had kunnen gaan samenwonen maar dit bewust niet heeft gedaan om alimentatie te kunnen blijven innen. De door de man genoemde feiten en omstandigheden ter onderbouwing van zijn stelling zijn naar het oordeel van het hof echter onvoldoende.

De man baseert zich namelijk op gegevens waaruit de gestelde samenleving als ware gehuwd zoals bedoeld in voormeld wettelijk kader niet zonder meer volgt. Hij noemt dat de vrouw per 5 maart 2019 officieel is ingeschreven op het adres [a-straat1] te [B] , terwijl die woning eigendom is van haar huidige partner. De man wijst erop dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft gezegd dat zij en haar partner daar officieel zouden gaan samenwonen op het moment dat haar partner zijn huis aan de [b-straat2] te [E] had verkocht. Op 1 oktober 2019 is die woning verkocht, maar toen heeft de partner van de vrouw zich op het adres van zijn zonen ingeschreven. Dit is volgens de man bewust gedaan om de schijn op te houden dat zij niet samenwoonden. Het is ook niet aannemelijk dat de partner van de vrouw daar woont omdat dit adres een tweekamerappartement betreft.

5.4

Ter toelichting wijst het hof er op dat voor een bevestigend antwoord op de vraag of sprake is (geweest) van samenleven van de vrouw in de zin van artikel 1:160 BW vereist is dat tussen de vrouw en haar partner sprake is (geweest) van (1) een affectieve relatie van
(2) duurzame aard die meebrengt dat zij (3) elkaar wederzijds verzorgen, (4) met elkaar samenwonen en (5) een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961). Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie (beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen) vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd. Dit brengt mee dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de hiervoor opgesomde eisen. Het is aan de man om te stellen, en bij voldoende betwisting, te bewijzen dat aan ieder van de bovengenoemde vereisten is voldaan. Niet is in geschil dat sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard. De vrouw betwist evenwel gemotiveerd dat voor 6 januari 2020 sprake was van wederzijdse verzorging (3), samenwonen (4) en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding (5). Gelet op de betwisting van de vrouw, heeft de man daar onvoldoende tegenover gezet om het samenleven als bedoeld in de wet ook eerder dan 6 januari 2020 aan te nemen.

5.5

Het hof heeft thans nog enkel te beoordelen of door de man te betalen partneralimentatie over de periode van 16 november 2016 tot 6 januari 2020 dient te worden gewijzigd. Immers, de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw dient met ingang van 6 januari 2020 als geëindigd te worden beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW.

Gronden waarop een overeengekomen bijdrage tot levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken

5.6

Een overeenkomst over partneralimentatie kan worden gewijzigd of ingetrokken:

- ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW: omdat de overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven; ofwel

- ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW: omdat de overeenkomst nadien door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Wat betreft de beoordeling van de nog aan de orde zijnde periode van 16 november 2016 tot 6 januari 2020 maakt het hof, net als de man, onderscheid in de periode vanaf 16 november 2016 (waarbij de man zich beroept op het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW) en de periode vanaf 3 juli 2018 tot 6 januari 2020 (waarbij de man zich beroept op het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW).

De grove miskenning van wettelijk maatstaven

5.7

Van grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake wanneer, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar - als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van die maatstaven of doordat zij daarbij zijn uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens - tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid.

5.8

In een procedure waarin wijziging van de overeengekomen bijdrage wordt verzocht op grond van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, worden zware eisen gesteld aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt.

5.9

De man voert thans aan dat het convenant op het punt van de partneralimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, omdat er in de berekening van de draagkracht van de man geen rekening is gehouden met:

- de maandelijkse aflossing van de man op de schuld van de [F] -rekening ad € 500,- per maand;

- de premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (premie AOV) ad € 450,75 per maand;

- de maandelijkse premie ziektekostenverzekering ad € 137,82.

De man betwist dat partijen op deze punten bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de overeengekomen alimentatie te betalen.

5.10

De vrouw verzet zich tegen wijziging van de overeengekomen partneralimentatie.

Zij wijst erop dat partijen ten tijde van hun uiteengaan op aanraden van de mediator een financieel expert hebben geraadpleegd die goed gekeken heeft naar wat de financiële consequenties zijn. Partijen zijn daar met alle financiële gegevens geweest, er is een berekening van de draagkracht van de man gemaakt waarin alle relevante posten zijn opgenomen en aan de hand daarvan is het convenant opgesteld. Beide partijen hebben volgens de vrouw ook daarna voldoende gelegenheid gehad om zich te laten voorlichten over de gevolgen van de afspraken die ze hebben gemaakt. Het kan niet zo zijn dat de man nu nog terug kan komen op de gemaakte afspraken omdat die niet aan de wettelijke maatstaven zouden voldoen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van de partneralimentatie bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken. De vrouw heeft ten tijde van de echtscheiding afgezien van verscheidene vermogensbestanddelen die aan de man zijn toegedeeld. Het zou volgens haar in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid om de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met terugwerkende kracht te wijzigen en de vrouw tot terugbetaling te verplichten. De vrouw wijst erop dat in het convenant (artikel 3.5 van het convenant) is bepaald dat de man de (negatieve) waarde van de onderneming [F] , vastgesteld op € 19.275,-, toegedeeld heeft gekregen onder de voorwaarde dat de man zal zorgdragen voor de maandelijkse aflossing op de schuld van [F] . Dat de man nu stelt dat deze aflossingen in mindering zouden moeten strekken op zijn draagkracht is volgens de vrouw een verkapte manier om haar alsnog mee te laten betalen aan de aflossing van de schuld die de man volledig toegedeeld heeft gekregen. Deze aflossingen dienen volgens de vrouw niet in de berekening van de draagkracht van de man te worden betrokken. Ook de premie AOV kan volgens haar niet in mindering komen op de draagkracht van de man. De vrouw is van mening dat zij niet hoeft mee te betalen aan de inkomensvoorzieningen van de man. De man dient deze premie vanuit zijn vrije ruimte te bekostigen. Verder stelt de vrouw dat de man, ook indien rekening wordt gehouden met de door hem gestelde ziektekosten van € 137,82, nog steeds voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde bijdrage te voldoen. Er is dan ook geen reden om de overeengekomen alimentatie te wijzigen, aldus de vrouw.

5.11

Het hof stelt voorop dat uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat de partneralimentatie in 2016 is overeengekomen onder professionele begeleiding van een mediator en een financieel adviseur, met wie partijen meerdere keren overleg hebben gevoerd. Aan de door partijen gemaakte alimentatieafspraken heeft een door de mediator (financieel adviseur) gemaakte draagkrachtberekening ten grondslag gelegen.

5.12

Ter beantwoording van de vraag of er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de partneralimentatie die de rechter zou hebben vastgesteld en die welke partijen zijn overeengekomen dient - mede gelet op de tussen partijen in hoger beroep daarover gevoerde discussie - te worden nagegaan wat de draagkracht van de man ten tijde van het convenant was. Het hof overweegt daarover als volgt.

5.13

Ter zitting van het hof is komen vast te staan dat de door de man opgevoerde premie AOV van € 450,75 per maand (op jaarbasis ad € 5.409,-) ook al tijdens het huwelijk van partijen werd betaald. Omdat partijen betaling van een dergelijke premie indertijd vanwege het ondernemerschap van de man nodig hebben gevonden, is het redelijk te achten dat de onderhoudsplichtige na het uiteengaan van partijen daarmee doorgaat. Het hof wijst er op dat het ook gebruikelijk is dat een ondernemer de voorziening van een AOV treft en daarvoor kosten maakt. Ook de betaling van de premie ziektekostenverzekering is een noodzakelijke last waarmee rekening dient te worden gehouden bij het vaststellen van de draagkracht van de man.

5.14

Het hof heeft kennis genomen van de twee berekeningen (productie 2 bij het verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg) die als basis hebben gediend voor de vaststelling van de partneralimentatie en stelt vast dat in de berekening van de draagkracht van de man geen rekening is gehouden met voornoemde premie AOV en de premie ziektekostenverzekering. Dit geeft reeds aanleiding om te oordelen dat de overeengekomen partneralimentatie van € 1.375,- per maand destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

5.15

Het hof is, anders dan de vrouw, van oordeel dat er bij de berekening van de draagkracht van de man ten tijde van de totstandkoming van het convenant eveneens - naast voornoemde premie AOV en de premie ziektekostenverzekering - rekening dient te worden gehouden met de door de man te betalen aflossing op de schuld van de [F] -rekening ad

€ 500,- per maand. Het hof wijst er daarbij op dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of als de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Dat is hier echter niet het geval. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter buiten beschouwing kan laten.

Dat de man in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap de onderneming [F] heeft toegedeeld gekregen voor een in het convenant op € 19.275,- vastgesteld waarde, waarbij is bepaald dat hij zal zorgdragen voor de maandelijkse aflossing op de schuld van deze onderneming, brengt op zichzelf niet mee dat bij de vaststelling van de draagkracht van de man met deze aflossing geen rekening moet worden gehouden.

5.16

Het hof zal verder aansluiting zoeken bij de berekening van de draagkracht van de man die door hem als productie 3 bij het beroepschrift is overgelegd. De man heeft hetzelfde bedrag aan winst uit onderneming gehanteerd als in de draagkrachtberekening die is vermeld in 5.14. Aan de stelling van de vrouw dat de man geen rekening zou hebben gehouden met vakantiegeld en weekendtoeslag gaat het hof voorbij, omdat het winst uit onderneming betreft en niet loon uit dienstverband. Voor het overige heeft de vrouw de berekening van de man niet, althans niet gemotiveerd, bestreden. De man berekent zijn draagkracht over 2016 (tarieven 2016-2) op € 691,- bruto per maand. Hij heeft daarbij rekening gehouden met de premie AOV, de premie ziektekostenverzekering en de aflossing op de schuld van [F] , alsmede met de niet bestreden inkomsten en lasten. Het hof acht deze berekening en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten correct.

5.17

Naar het oordeel van het hof is het hieruit voortvloeiende verschil tussen hetgeen partijen zijn overeengekomen (€ 1.375,- bruto) en datgene waartoe een rechter zou hebben beslist (€ 691,- bruto) zodanig groot dat gesproken kan worden van een wanverhouding.

Het hof is niet gebleken dat partijen bij het vaststellen van de partneralimentatie op dit punt bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De stelling van de vrouw dat de man is overbedeeld, hetgeen door de man uitdrukkelijk wordt betwist, is daartoe niet voldoende. Dat de vrouw, zoals zij stelt, ten tijde van de echtscheiding zou hebben afgezien van verscheidene vermogensbestanddelen en dat die aan de man zijn toebedeeld in ruil voor een hogere partneralimentatie, blijkt niet uit de stukken en is verder niet onderbouwd.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de in het convenant van 24 oktober 2016 vastgestelde partneralimentatie is overeengekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

5.18

Voor zover de man stelt dat de overeenkomst destijds ook wat betreft de behoefte van de vrouw is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, waarbij de man met name doelt op (de ontbrekende of lagere) woonlasten van de vrouw, volgt het hof hem daarin niet. Partijen zijn ten tijde van het opstellen van het convenant ervan uitgegaan dat de vrouw met haar eigen inkomen van € 15.306,- bruto per jaar niet geheel kon voorzien in haar huwelijksgerelateerde behoefte en dat zij daarom aanvullend een onderhoudsbijdrage van de man nodig had. De man heeft zijn stelling over de woonlasten van de vrouw die volgens hem zou moeten leiden tot een lagere behoeftevaststelling – mede in het licht van de betwisting van de vrouw – onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de vrouw een partner heeft, en – zo begrijpt het hof de stelling van de man – dus minder kosten heeft, noopt evenmin tot de conclusie dat indertijd is uitgegaan van een zodanig onjuiste behoefte dat op basis daarvan sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het hof ziet geen aanleiding de behoefte van de vrouw (opnieuw) te beoordelen.

5.19

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de man waarbij hij zich beroept op het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW in hoger beroep slaagt. Het hof zal het convenant op dit punt wijzigen en uitgaan van een per 16 november 2016 voor partneralimentatie beschikbare draagkracht van € 691,- bruto. Na indexering betreft het in 2018 een bedrag van afgerond
€ 716,-.

Wijziging van omstandigheden

5.20

De man heeft verder aangevoerd dat zich na de totstandkoming van het convenant en de echtscheidingsbeschikking van 14 november 2016 zodanige wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan dat die een hernieuwde beoordeling van de door hem te betalen partneralimentatie rechtvaardigen (artikel 1:401 lid 1 BW).

5.21

De rechtbank heeft geoordeeld dat zich nadat de partneralimentatie in het convenant is overeengekomen wel wijzigingen hebben voorgedaan, maar dat die geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW opleveren op grond waarvan de partneralimentatie moet worden aangepast. De man heeft tegen dit oordeel niet gegriefd. In hoger beroep richt de man zich in grief I en de toelichting daarop uitsluitend op de (gewijzigde) behoefte/behoeftigheid van de vrouw. De man verzoekt het hof de partneralimentatie met ingang van 3 juli 2018 (datum van de indiening van het inleidend verzoekschrift) te stellen op nihil, omdat de vrouw volgens de man in haar eigen levensonderhoud voorziet of in ieder geval in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast heeft de nieuwe, en volgens de man vermogende, partner van de vrouw, invloed op de behoeftigheid van de vrouw.

5.22

Zoals hierboven reeds onder punt 5.3 en 5.4 is overwogen door het hof is in deze procedure niet komen vast te staan dat de vrouw in de periode vanaf de indiening van het verzoekschrift tot 6 januari 2020 heeft samengeleefd als bedoeld in artikel 1:160 BW. Dat haar behoefte desondanks in die periode is gewijzigd heeft de man niet onderbouwd. Verder geldt dat partijen indertijd bij de vaststelling van de partneralimentatie tot uitgangspunt hebben genomen dat de vrouw met een bruto jaarinkomen uit arbeid van € 15.306,- in voldoende mate haar verdiencapaciteit benutte en dat zij ondanks dit inkomen nog een onderhoudsbehoefte had van (ten minste) € 1.375,- bruto per maand. Niet valt in te zien waarom de vrouw in de aan de orde zijnde periode jegens de man gehouden zou zijn geweest een hoger inkomen te verwerven. Het dienstverband dat de vrouw had in de onderneming van de man is beëindigd. De vrouw is nadien gestart met een hondenuitlaatdienst, waarmee zij, zo blijkt voldoende uit de stukken, een beperkte omzet genereert terwijl zij ook kosten maakt. Haar inkomen is daarmee in ieder geval lager dan voormeld bruto jaarinkomen van

€ 15.306,-. Het hof houdt het ervoor dat de vrouw hierdoor in de periode die aan de orde is behoefte heeft gehad aan de onderhoudsbijdrage die de man kan betalen, van € 691,- bruto per maand.

5.23

De door de man gestelde gewijzigde omstandigheden aan de zijde van de vrouw geven daarom geen aanleiding tot een wijziging van de door hem te betalen partneralimentatie.

Ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie/terugbetaling

5.24

De man heeft vanaf 16 november 2016 de volgens het convenant verschuldigde geïndexeerde partneralimentatie (via LBIO) nagenoeg geheel voldaan. Nu het hof heeft vastgesteld dat de partneralimentatie voor de periode vanaf 16 november 2016 tot

6 januari 2020 lager zou moeten zijn dan partijen zijn overeengekomen, zou bij toewijzing van het wijzigingsverzoek van de man voor de vrouw een terugbetalingsplicht ontstaan. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal evenwel in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

5.25

Doorgaans wordt in zaken als deze als ingangsdatum voor een wijziging gekozen de dag van indiening van het verzoekschrift, in dit geval 3 juli 2018, omdat vanaf dat moment voor alle betrokkenen duidelijk is dat rekening gehouden moet worden met een mogelijke wijziging. Het hof vindt het ook in dit geval juist om van die ingangsdatum uit te gaan. Hierbij laat het hof meewegen dat aannemelijk is dat de partneralimentatie over de voorliggende periode (16 november 2016 tot 3 juli 2018) is verbruikt. Ook laat het hof naar redelijkheid en billijkheid meewegen dat de man pas voor het eerst in hoger beroep zich op de grove miskenning van de wettelijke maatstaven heeft beroepen, en ook pas vanaf toen zijn verzoek tot terugbetaling van het te veel betaalde heeft uitgebreid tot die voorliggende periode voor de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. Omdat de vrouw in ieder geval vanaf 3 juli 2018 rekening heeft kunnen houden met een mogelijke verlaging van de partneralimentatie en geen gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat ze de partneralimentatie nadien niet heeft kunnen reserveren, acht het hof 3 juli 2018 als ingangsdatum passend. Dit betekent dat de vrouw de te veel ontvangen/geïncasseerde partneralimentatie over de periode van 3 juli 2018 tot 6 januari 2020 (grofweg 18 maanden) zal moeten terugbetalen. Het hof is niet gebleken dat de vrouw niet tot terugbetaling in staat is. De verzochte wettelijke rente zal, bij gebreke aan een toelichting op basis waarvan en vanaf wanneer deze verschuldigd zou zijn, worden afgewezen.

Opslagkosten

5.26

De man heeft het hof ten slotte nog verzocht om de vrouw te veroordelen om de door de man aan het LBIO betaalde, of nog te betalen opslagkosten van € 654,04 aan de man te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

Het LBIO heeft medio november 2019 op verzoek van de vrouw incassomaatregelen jegens de man getroffen vanwege niet betaalde partneralimentatie. De man heeft hier met het LBIO over gecommuniceerd met het verzoek om de maatregelen op te schorten in afwachting van de procedure in hoger beroep. Daarbij heeft de man aan het LBIO bericht dat er voor de vrouw vanaf oktober 2019 geen enkele grond bestaat om aanspraak te maken op partneralimentatie omdat zij een gemeenschappelijke huishouding voert met haar nieuwe partner.

5.27

Het hof overweegt dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de vrouw in de periode vanaf de indiening van het verzoekschrift tot 6 januari 2020 heeft samengeleefd als ware zij gehuwd. Naar het oordeel van het hof bestond er voor de man medio november 2019 dan ook geen grond om geen enkele partneralimentatie meer te voldoen. De inschakeling door de vrouw van het LBIO met de daaraan voor de man verbonden kosten kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als onnodig. Het verzoek van de man op dit punt wordt dan ook afgewezen.

6 De slotsom

Het voorgaande betekent dat het hof de in het convenant overeengekomen partneralimentatie zal wijzigen en dat het aanvullend verzoek van de man in hoger beroep dient te worden toegewezen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

24 april 2019, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 14 november 2016 en het aan die beschikking gehechte echtscheidingsconvenant dat door beide partijen is ondertekend op

24 oktober 2016 met betrekking tot de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en stelt deze bijdrage met ingang van 3 juli 2018 op een bedrag van € 716,- bruto per maand;

stelt vast dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van

6 januari 2020 is geëindigd op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW;

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van hetgeen zij op grond van deze beschikking over de periode van 3 juli 2018 tot 6 januari 2020 ten titel van partneralimentatie te veel betaald heeft gekregen of te veel heeft geïnd van de man;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, M.P. den Hollander en

F. Kleefmann, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 15 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.