Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:6003

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
Wahv 200.242.572/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet de rijbaan gebruiken. De ontheffing gold niet, omdat niet werd voldaan aan de voorwaarde dat geen hinder mocht worden veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.242.572/01

CJIB-nummer

: 206883004

Uitspraak d.d.

: 18 juni 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2018, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 april 2017 om 11:29 uur op het Timorplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde voert namens de betrokkene aan dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. De betrokkene beschikt namelijk over een ontheffing, waarmee het is toegestaan om gebruik te maken van het trottoir. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat in strijd met de ontheffingsvoorschriften is gehandeld. Het door de kantonrechter genoemde ontheffingsvoorschrift is volgens de gemachtigde onverbindend. Met de ontheffing mag de betrokkene gebruik maken van het trottoir, waardoor ontegenzeggelijk (enige) hinder of (enig) gevaar voor andere weggebruikers ontstaat. De ontheffing wordt verleend omdat een specifiek belang – in casu het verhelpen van storingen in verband met koolzuurlekkage – naar het oordeel van de ontheffing verlenende instantie prevaleert boven de belangen die de genoemde verboden beogen te dienen. Voorts stelt de gemachtigde dat de ontheffingsvoorwaarden niet zijn overtreden, omdat een stilstaand voertuig niet een zodanige hinder of gevaar oplevert dat deze situatie valt onder de situatie van sub b van de genoemde ontheffingsvoorwaarden.

3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat onder meer bepaalt dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken. Zij mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad. Uit artikel 87 van het RVV 1990 volgt dat door het bevoegde gezag ontheffing kan worden verleend van artikel 10 van het RVV 1990.

4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, staat vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

5. Voor de beoordeling of de oplegging van de sanctie in het onderhavige geval billijk is, is van belang of de gedraging onder het bereik van de ontheffing valt.

6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ontheffing aanwezig, motorvoertuig stond geparkeerd op blindengeleidestrook.”

7. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar van 17 augustus 2018 overgelegd. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:

“Op donderdag 12 april 2017 om 11:29 uur, bevond ik mij, in uniform gekleed en met toezicht en handhaving belast op de openbare weg. Daar zag ik een rode Ford Transit bedrijfsauto met kenteken: [kenteken] geparkeerd staan op de openbare weg te weten het Timorplein te Amsterdam. Ik zag dat het voertuig met de voorwielen geparkeerd stond op een blindengeleidestrook, te zien op de foto van het brondocument. Ik heb zeker een waarnemingstijd van 10 minuten gehanteerd omdat er nog drie andere voertuigen geparkeerd stonden op het trottoir van het Timorplein. In deze tijd heb ik geen laad- en losactiviteiten waargenomen, ook was er geen bestuurder ten tijde van het verbaliseren aanwezig.”

8. Bij het aanvullend proces-verbaal bevindt zich een afschrift van het brondocument met daarbij twee foto’s van de gedraging. Op de eerste foto is het kenteken van het voertuig van de betrokkene te zien. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig met de voorwielen staat geparkeerd op een blindengeleidestrook.

9. De namens de betrokkene overgelegde ontheffing was geldig op het tijdstip van de gedraging en betreft een door de gemeente Amsterdam verstrekte ontheffing voor het voertuig met kenteken [kenteken] , die is verleend in het kader van het verhelpen van storingen in verband met koolzuurlekkage.

10. Het hof stelt vast dat in voornoemde ontheffing (onder meer) is bepaald dat ontheffing wordt verleend van artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990. Voorts is aan de ontheffing onder b. de voorwaarde verbonden dat bij gebruikmaking de omgeving en de overige verkeersdeelnemers niet op enigerlei wijze mogen worden gehinderd en/of in gevaar worden gebracht. Ter beoordeling ligt nu de vraag of deze voorwaarde in acht is genomen.

11. Uit de verklaring van de ambtenaar, in combinatie met de foto van de gedraging die zich bij het brondocument bevindt, blijkt dat het voertuig van de betrokkene (deels) geparkeerd stond op een blindengeleidestrook. Deze strook dient er toe om blinden en/of slechtzienden te helpen de juiste weg te volgen doordat zij zich hiermee kunnen oriënteren. Daarmee staat genoegzaam vast dat niet aan voormelde voorwaarde is voldaan. Gelet hierop komt de betrokkene geen beroep toe op de verleende ontheffing. Anders dan de gemachtigde betoogt houdt parkeren op het trottoir met gebruikmaking van de ontheffing niet zonder meer in dat altijd enige vorm van hinder of gevaar voor andere weggebruikers zal ontstaan, zodat de stelling dat het ontheffingsvoorschrift om die reden onverbindend is niet opgaat.

12. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de opgelegde sanctie achterwege te laten. De bezwaren treffen geen doel. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken, zijnde de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.