Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5961

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
200.288.953
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blokaderecht gezinshuisouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.288.953

(zaaknummer rechtbank Gelderland 378805)

beschikking van 17 juni 2021

inzake

[verzoekster] en [verzoeker] ,

beiden wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: familie [verzoekers] ,

advocaat: mr. E.N. Mulder te Nijkerk,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam (Zuidoost),

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

advocaat: mr. T.I. Visser te Amsterdam (Zuidoost).

1
1. Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 18 maart 2021 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

In de tussenbeschikking was bepaald dat partijen nog een schriftelijk stuk mochten indienen bij het hof. Op 30 maart 2021 heeft het hof de schriftelijke reactie van mr. Mulder ontvangen. Op 15 april 2021 is de schriftelijke reactie van de GI bij het hof binnengekomen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 18 maart 2021, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof partijen toegelaten nogmaals hun inhoudelijk standpunt nader naar voren te brengen omdat tijdens de mondelinge behandeling alleen over de ontvankelijkheid van het verzoek is gesproken.

Familie [verzoekers] heeft in het beroepschrift en aanvullende schriftelijke reactie gesteld dat zij moeten worden aangemerkt als pleegouders en dat het blokkaderecht bij de uithuisplaatsing van de kinderen hen ook toekomt, zowel op grond van de artikelen 1:265i BW en 1:336a BW als op grond van artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) waarin onder meer het recht op eerbiediging van hun familie- en gezinsleven is gewaarborgd.

Daarnaast hebben de kinderen recht op bescherming op grond van artikel 2 en 3 het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (hierna: IVRK).

2.3

De GI voert verweer en stelt dat aan familie [verzoekers] geen blokkaderecht toekomt omdat zij moeten worden aangemerkt als een gezinshuis. Volgens de GI was het in het belang van de kinderen om hen elders te plaatsen om de kinderen de zorg en begeleiding te geven die zij nodig hebben.

2.4

De eerste grief richt zich tegen de beslissing van de rechtbank waarin artikel 1:265i BW niet van toepassing is verklaard omdat geen sprake is van een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing. Hiertoe voert familie [verzoekers] aan dat de feitelijke situatie in 2019 gelijk is aan de situatie van daarna. De kinderen verblijven nog steeds bij hen, maar sinds april 2019 is de GI belast met de voogdij over de kinderen en op 4 juni 2019 is de ondertoezichtstelling afgelopen. Het is volgens de familie [verzoekers] in het belang van de kinderen dat een onafhankelijk derde toeziet op de handelswijze van de voogd en de belangen van de kinderen. De GI voert verweer en stelt dat geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in 1:265i BW.

2.5

Het hof stelt vast dat artikel 1:265i BW specifiek geschreven is voor de situatie dat sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing). Hiervan is in de onderhavige situatie geen sprake, zodat hier geen geslaagd beroep op kan worden gedaan. Voor zover familie [verzoekers] stelt dat de feitelijke situatie nog hetzelfde is als voordat de GI werd belast met de voogdij en toen de ondertoezichtstelling nog liep, maakt dit het oordeel niet anders. De juridische situatie is namelijk gewijzigd waardoor dit artikel niet meer van toepassing is.

2.6

Grief 2 van familie [verzoekers] richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat in dit geval artikel 1:336a BW niet van toepassing is omdat familie [verzoekers] gezinshuisouders zijn. Familie [verzoekers] voert aan dat zij [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] al 4 jaar opvoeden als ware zij een pleeggezin. Er is een hechte familieband zodat sprake is van een perspectiefbiedend pleeggezin waarop het blokkaderecht van toepassing is.

De GI voert verweer en stelt dat vanaf het begin van de plaatsing sprake is geweest van een machtiging uithuisplaatsing voor een gezinshuis. Familie [verzoekers] heeft een arbeidscontract gesloten met [B] . Familie [verzoekers] ontvangt op grond daarvan een salaris en ze bewonen een huis van [B] .

2.7

De vraag die bij het hof voorligt is of familie [verzoekers] , formeel gezinshuisouders, vanwege de feitelijke situatie juridisch gezien gelijkgesteld kan worden met (de rechtspositie van) pleegouders. Pleegouders zijn personen die een kind dat niet hun eigen kind is (tijdelijk) verzorgen en opvoeden. Zij beschikken daartoe over een pleegcontract, afgesloten met een pleegzorgaanbieder. Zij ontvangen hiervoor een (onkosten)vergoeding. Gezinshuisouders zijn jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een instelling of dit als zelfstandig zorgondernemer doen. Bij gezinshuisouders gaat het om het verlenen van beroepsmatige jeugdhulp.

2.8

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat gezinshuisouders in juridische zin niet gelijk kunnen worden gesteld met pleegouders. Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken blijkt dat familie [verzoekers] werkte en heeft te gelden als een gezinshuis. Er was sprake van een dienstverband, het bewonen van een woning van [B] , contact met een bedrijfsarts en een salaris van [B] . Weliswaar wordt binnen de structuur van een gezinshuis een huiselijke setting als hulpverleningsinstrument ingezet, het blijft een professionele hulpverleningsvorm die naar het oordeel van het hof niet gelijk te stellen is met een (pleeg)gezin. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:265i BW, blijkt dat de wetgever heeft beoogd om enkel ‘pleegouders’ een versterkte rechtspositie te verschaffen. In het voorontwerp van de wet werd voorgesteld om ook aan zorgaanbieders een blokkaderecht te geven. Dit voorstel is echter niet overgenomen. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van plaatsing in een voorziening voor pleegzorg maar van plaatsing in een andere uithuisplaatsingscategorie is toepassing van artikel 1:265i BW of van artikel 1:336a BW, dat de zelfde materie na gezagsbeëindiging regelt, niet aan de orde. Het horen van de gezinshuisouders is derhalve geen vereiste op grond van de wet.

2.8

Nu het hof oordeelt dat de relatie tussen de familie [verzoekers] en de kinderen in de eerste plaats zijn grond vindt in de vorm van professionele hulpverleners is het ontstaan van family-life wellicht niet helemaal uitgesloten maar heeft de familie [verzoekers] onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat er in deze specifieke situatie sprake is van schending van artikel 8 EVRM.

2.9

In artikel 2 IVRK is bepaald dat de aangesloten lidstaten de in het verdrag beschreven rechten eerbiedigen en waarborgen voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid, zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd. De lidstaten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.

In artikel 3 IVRK is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. De staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor, of de bescherming van, kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

2.10

Voor zover familie [verzoekers] een beroep doet op schending van de belangen van de kinderen op grond van artikel 2 en 3 IVRK, overweegt het hof als volgt. Het uitgangspunt bij deze bepalingen is dat rechterlijke instanties bij hun beslissingen nadrukkelijk rekening houden met de belangen van kinderen en aan die belangen voorrang geven boven andere belangen tenzij die andere belangen zwaarwegender van aard zijn. Uit de stukken en hetgeen besproken is ter mondelinge behandeling blijkt dat familie [verzoekers] zeer betrokken was bij de kinderen. In de afgelopen jaren hebben zij zich ingezet voor de kinderen en hulp en steun geboden aan de kinderen. Daarbij zijn ze, onweersproken, over eigen grenzen gegaan en was er geen balans meer tussen draagkracht en draaglast. Op verzoek van henzelf zijn de kinderen daarom uit huis geplaatst. [B] heeft aangegeven op dit moment niet meer te kunnen instaan voor de veiligheid van de kinderen indien zij geplaatst zouden blijven, dan wel weer geplaatst zouden worden, bij familie [verzoekers] , zodat de voogd in het belang van de kinderen een andere plek voor hen heeft gezocht. Gelet op het vorenstaande en op de kindeigen problematiek zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in afzonderlijke gezinshuizen geplaatst. Het hof is van oordeel dat hiermee door de voogd juist is gekeken naar de belangen van de kinderen om hen een stabiele en veilige omgeving te bieden, waarin zij de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben. Daarmee is naar het hof voldaan aan de gestelde criteria van de artikelen 2 en 3 IVRK. Het hof wijst ook om die reden het verzoek van familie [verzoekers] om de kinderen bij hen terug te plaatsen af.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 7 december 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.U.M. van der Werff en

K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 17 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.