Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5959

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
Wahv 200.270.844/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Staandehouding van de bestuurder hoeft pas nadat de gedraging is vastgesteld. Dat is nog niet het geval wanneer een stilstaand voertuig in een parkeerverbodszone wordt waargenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.270.844/01

CJIB-nummer

: 2222001391

Uitspraak d.d.

: 17 juni 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.J. Hofland, kantoorhoudende te Den Haag.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 november 2018 om 16:47 uur op de locatie Tjalie Robinsonduin in

ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert – kort samengevat – aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er in het onderhavige geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De ambtenaar heeft verklaard dat hij zag dat de bestuurder het voertuig ter plaatse parkeerde. Op dat moment had de ambtenaar tot staandehouding kunnen overgaan. In reactie op het in hoger beroep overgelegde aanvullend proces-verbaal, klaagt de gemachtigde erover dat niet inzichtelijk is welke specifieke vragen aan de ambtenaar zijn gesteld en is hij van mening dat de uitspraak in eerste aanleg voor vernietiging in aanmerking komt, nu het verzoek om aanvullende informatie al in een eerdere fase had moeten worden gedaan. Verder is de overgelegde bewijsvoering niet eenduidig; er liggen tegenstrijdige verklaringen.

3. De omstandigheid dat de advocaat-generaal pas in hoger beroep informatie verstrekt die voor de beoordeling van de zaak relevant is, leidt er niet toe dat die informatie buiten beschouwing moet worden gelaten of dat om die reden de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd. De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld op die informatie te reageren en heeft dat ook gedaan. Dat niet inzichtelijk is gemaakt welke specifieke vragen aan de ambtenaar zijn gesteld, brengt evenmin mee dat die informatie buiten beschouwing moet blijven.

4. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.

5. De verklaring van de ambtenaar zoals die is opgenomen in het zaakoverzicht - en voor zover relevant - luidt: “Opmerkingen ambtenaar 1: parkeren in strijd met parkeerverbod / parkeerverbodszone (bord E1). Op bovengenoemde tijd en locatie bevond ik mij samen met verbalisant 80123 in uniform op de openbare weg op bovengenoemde locatie en zag toen dat daar een motorvoertuig als bestuurder een voertuig parkeren in strijd met (zone) bord E1 (parkeerverbod)(s)(zone). (…) Ik heb geen laden en lossen geconstateerd of personen in of uit zien stappen. Ik zag dat achter de voorruit van genoemd voertuig geen gehandicaptenparkeerkaart lag. (…)”

6. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep de foto’s van de gedraging en een aanvullend proces-verbaal d.d. 14 maart 2020 overgelegd, waarin de ambtenaar onder meer het volgende verklaart: “Ik heb de betrokkene geen vernietiging/waarschuwing toegezegd. Ook heb ik geen persoon aangetroffen of gesproken bij bovengenoemd voertuig. Ik heb het proces-verbaal opgemaakt aan de hand van het kentekennummer van het bovengenoemde voertuig.”

7. Het hof stelt vast dat de door de ambtenaar afgelegde verklaringen geen tegenstrijdigheden bevatten. De verklaring van de ambtenaar in het op 14 maart 2020 opgemaakte proces-verbaal is slechts een aanvulling op zijn verklaring zoals vermeld in het zaakoverzicht.

8. Het hof stelt voorop dat de verplichting tot staandehouding – indien reëel mogelijk – niet eerder ontstaat dan nadat de ambtenaar heeft vastgesteld dat een gedraging heeft plaatsgevonden.

Op grond van de stukken kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene in een parkeerverbodszone buiten de aangegeven vakken geparkeerd stond. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de ambtenaren reeds hadden vastgesteld dat een gedraging in de zin van de Wahv had plaatsgevonden op het moment waarop zij zagen dat de bestuurder het voertuig ter plaatse liet staan. Immers, ook indien moet worden aangenomen dat zij zagen dat de betrokkene zijn voertuig ter plaatse liet staan, is daarmee nog geen gedraging vastgesteld. Pas op het moment waarop kon worden geconstateerd dat in het voertuig geen ontheffing of gehandicaptenparkeerkaart (inclusief parkeerschijf) aanwezig was of dat er sprake was van laden of lossen, kon worden vastgesteld dat een gedraging was begaan. Dat de betrokkene zich toen nog in de omgeving van de auto bevond, blijkt niet uit de foto’s van de gedraging en is het hof ook overigens niet gebleken. Op de foto’s is te lezen op welk tijdstip deze zijn gemaakt, namelijk op de dag van de gedraging om 16:49 en 16:50 uur. Uit die informatie, in combinatie met de informatie in het zaakoverzicht, volgt dat de ambtenaar om 16:47 uur de onderhavige gedraging heeft geconstateerd en vervolgens drie minuten later nog een foto heeft gemaakt. Hieruit leidt het hof af dat in elk geval voor de duur van drie minuten niemand bij het voertuig aanwezig was. Dit betekent dat zich in de onderhavige situatie geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan en dat de ambtenaar de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 Wahv aan de kentekenhouder van het voertuig heeft opgelegd. Het verweer van de gemachtigde faalt.

9. De gemachtigde voert voorts – kort samengevat – nog aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De kantonrechter heeft het beroep namelijk gegrond verklaard vanwege een geslaagd beroep op schending van de hoorplicht, hetgeen een wezenlijk onderdeel vormt van de Wahv-procedure.

10. Gelet op de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021 (vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786) is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom behoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding geen bespreking.

11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.