Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5951

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
200.285.710
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatie en verdeling woning. Draagkracht. Arbeidsongeschiktheid? Uitgaan van jaaropgaaf. Geen bindende afspraken over overname woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.285.710

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 494566 en 499240)

beschikking van 17 juni 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Ran te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verweerster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk te Vleuten, gemeente Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 september 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, tevens verzoek tot schorsing, met producties, ingekomen op

5 november 2020;

  • -

    het verweerschrift in de hoofdzaak met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Ran van 8 maart 2021 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Brokers-van Dijk van 9 maart 2021 met producties.

  • -

    een journaalbericht van mr. Ran van 16 maart 2021 met producties;

  • -

    een e-mailbericht van mr. Brokers-van Dijk van 16 maart 2021 met spreekaantekeningen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2021 plaatsgevonden. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een Skype-verbinding. Via deze verbinding waren aanwezig partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man met toestemming van het hof een jaaropgaaf 2020 per mail aan het hof gezonden.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1991 te [plaats] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. De vrouw heeft de Belgische nationaliteit en de man de Nederlandse.

3.2

De vrouw heeft op 17 december 2019 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen en (voor zover hier van belang en samengevat) bepaald dat de man € 2.216,- bruto per maand aan partneralimentatie moet betalen aan de vrouw, de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap gelast op de in het dictum van die beschikking onder 4.5.1. tot en met 4.5.7 vermelde wijze en het meer of anders verzochte afgewezen. Behalve wat betreft de echtscheiding is de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4

Het huwelijk van partijen is [in] 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.5

Bij beschikking van dit hof van 2 februari 2021 is het verzoek van de man strekkende tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking toegewezen

- voor zover de daarbij aan de man opgelegde partneralimentatie het bedrag van € 1.313,- bruto per maand te boven gaat en

- tot 1 mei 2021 voor wat betreft de beslissingen over de voormalige echtelijke woning aan [adres] 18 te [woonplaats1] (hierna: de woning) onder 4.5.1. en 4.5.2. van het dictum.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven I en II zien op de partneralimentatie en grief III ziet op de beslissingen ten aanzien van de voormalige echtelijke woning van partijen aan [adres] 18 te [woonplaats1] (hierna: de woning). Hij verzoekt het hof bestreden beschikking te vernietigen en:

- de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag zoals de rechtbank bij beschikking voorlopige voorzieningen van 26 maart 2020 heeft vastgesteld (€ 1.313,- bruto per maand),

- te bepalen dat de man de woning tot eind 2021 kan blijven bewonen en vervolgens kan overnemen tegen een waarde van € 550.000,-, met de bepaling dat de vrouw op dat moment zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypotheekgeldverstrekker en

- in geval de man alsdan de financiering van de woning niet rond krijgt en de woning verkocht moet worden, te bepalen dat de vrouw recht heeft op € 155.000,- van de overwaarde van de woning.

4.3

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de

man, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof overweegt ambtshalve dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de in geschil zijnde kwesties en dat het Nederlands recht van toepassing is op de verschillende verzoeken. Daartegen zijn geen grieven aangevoerd.

Ten aanzien van de partneralimentatie

5.2

De behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte partneralimentatie is niet in geschil en staat daarmee vast. Deze behoefte bedraagt € 3.924,- per maand.

5.3

De man stelt dat, anders dan de rechtbank heeft gedaan, voor de vaststelling van zijn draagkracht niet moet worden gerekend met zijn voormalige inkomen van € 6.775,19 bruto per maand (overeenkomstig zijn salarisstrook van juni 2019), aldus een jaarinkomen van

€ 84.144,-. Volgens hem moet worden uitgegaan van zijn huidige inkomen, omdat hij sinds 12 februari 2019 arbeidsongeschikt is, waarschijnlijk niet in zijn oude functie kan terugkeren en een andere, gelijkwaardige, functie onhaalbaar is. De vrouw betwist dat en stelt dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de (huidige) stand van zaken met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid.

5.4

Wat er ook zij van de arbeidsongeschiktheid van de man en zijn tot nog toe vergeefse pogingen te re-integreren dan wel andere passende arbeid te vinden, blijkens de in het geding gebrachte jaaropgaaf 2020 heeft de man over dat jaar een fiscaal loon van € 66.875,-.

Voorts is gebleken dat het UWV bij brief van 7 januari 2021 de man (naar aanleiding van zijn aanvraag op 16 november 2020 voor een WIA-uitkering) heeft medegedeeld dat zijn werkgever niet alle verplichtingen is nagekomen voor zijn re-integratie en dat daarom is besloten de periode waarin hij tijdens ziekte recht heeft op loon te verlengen tot 8 februari 2022. Daarom zal het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de man uitgaan van voormelde jaaropgaaf. Blijkens de salarisspecificatie van februari 2021 is dat jaarloon, € 66.875,-, ook ongewijzigd.

5.5

Het hof kan en zal niet vooruitlopen op de periode nadien (na 8 februari 2022), nu ongewis is hoe de medische en arbeidsrechtelijke situatie van de man zal zijn. Voor zover de man in hoger beroep heeft verzocht of willen verzoeken de alimentatieverplichting in duur te beperken, overweegt het hof dat de man ook overigens onvoldoende heeft gesteld en onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft om dat verzoek toe te wijzen. Daarbij stelt het hof vast dat geen sprake is van een afzienbare periode tot aan het pensioen van de man.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat grief I gedeeltelijk slaagt en dat grief II faalt.

5.7

Uitgaande van voormelde jaaropgave en de overige – in hoger beroep niet betwiste – financiële gegevens, heeft het hof het netto besteedbaar inkomen van de man en zijn draagkracht berekend. De berekening is aan deze beschikking gehecht. Uit die berekening volgt een draagkracht aan de zijde van de man van € 1.644,- per maand.

Dat een hoge partneralimentatie de mogelijkheden van de man tot overname van de woning negatief beïnvloedt is geen reden om een lagere partneralimentatie vast te stellen. De onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de vrouw gaat voor de wens van de man om in de voormalige echtelijke woning te blijven wonen. Dat hij mogelijk geen hypotheekrenteaftrek meer heeft als die overname niet wordt gerealiseerd, is ook geen reden om anders te oordelen.

Ten aanzien van de woning

5.8

Met grief III richt de man zich tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen geen bindende afspraken over de overname en de waarde van woning hebben gemaakt. Volgens de man is hij met de vrouw overeengekomen dat hij tot eind 2021 in woning mag verblijven zonder dat de woning al door hem wordt overgenomen en dat hij vervolgens alsnog de woning mag overnemen tegen een waarde bepaald door een (door de vrouw aangewezen) makelaar. De waarde van de woning is getaxeerd op € 550.000,- en een waardedaling daarna zou niet ten nadele van vrouw strekken. De vrouw was akkoord met een overwaarde van € 155.000,-. Een en ander is niet overeengekomen tijdens de mediation maar bij partijen thuis en vastgelegd in een ‘addendum’, dat zou worden gehecht aan het convenant, aldus de man.

5.9

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Volgens haar is wel gesproken over een mogelijke overname van de woning door de man, maar heeft zij daarover met de man noch in het kader van mediation, noch buiten mediation om, bindende afspraken gemaakt.

5.10

Het hof is van oordeel dat de man, tegenover de betwisting door de vrouw, niet heeft aangetoond dat partijen bindende afspraken hebben gemaakt over de overname van de woning door de man en de daarbij in aanmerking te nemen (over)waarde. Aannemelijk is dat partijen de mogelijkheden om tot afspraken met betrekking tot de woning te komen hebben onderzocht, maar het door de man opgestelde ‘addendum’ is niet door partijen ondertekend. Daarnaast staat vast dat de mediation niet heeft geleid tot een convenant waarvan het ‘addendum’ deel zou gaan uitmaken, zoals volgens de man de bedoeling was. Voor zover al afspraken zouden zijn gemaakt, is in het ‘addendum’ niet uitdrukkelijk opgenomen dat partijen aan die afspraken gebonden zouden zijn, ook indien de mediation verder niet tot overeenstemming leidt, zoals volgens artikel 7 van de mediationovereenkomst is vereist. Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat partijen de bindende afspraken hebben gemaakt die de man stelt. Omdat de man ook geen (gespecificeerd) bewijsaanbod heeft gedaan faalt grief III.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen ten aanzien van de daarbij vastgestelde partneralimentatie en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure (de gevolgen van) hun echtscheiding betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

8.1

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 september 2020 ten aanzien van de daarbij vastgestelde partneralimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende:

8.2

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.644,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

8.3

bekrachtigt die beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

8.4

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.5

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

8.6

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en L. Hamer, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 17 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.