Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5936

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
Wahv 200.283.649/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijden door rood. De betrokkene heeft de gedraging van meet af aan stellig ontkend. Getuigen hebben haar verklaring ter zitting van het hof bevestigd. Gelet hierop is twijfel ontstaan of de gedraging is verricht. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.283.649/01

CJIB-nummer

: 227468174

Uitspraak d.d.

: 17 juni 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juni 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. E. Tj. Van Dalen, advocaat te Groningen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De zaak is behandeld op de zitting van 3 juni 2021. De betrokkene en de gemachtigde van de betrokkene zijn verschenen. Als getuige zijn verschenen [naam1] en [naam2] . De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam3] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 juli 2019 om 14:55 uur op de Griffeweg in Groningen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voertuig van de betrokkene op de rijstrook voor het linksafslaand verkeer stond. Ze hadden boodschappen gedaan in Haren en waren onderweg naar huis om de boodschappen uit te laden. Op een gegeven moment sprong het stoplicht op groen en de betrokkene is vervolgens links afgeslagen en naar het huis van de betrokkene in de Oosterpark gereden. De betrokkene heeft niet op de rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer gestaan. Rechtdoor rijden zou niet logisch zijn. De kantonrechter baseert zich bij het oordeel dat de gedraging in voldoende mate is komen vast te staan enkel en alleen op de constateringen van de ambtenaar. Op zichzelf begrijpt de betrokkene dat dat bewijstechnisch kan, maar de betrokkene heeft naar haar oordeel een gemotiveerd verweer gevoerd en dat verhaal wordt ook bevestigd door de andere aanwezigen in de auto (de echtgenoot en stiefdochter van de betrokkene). De betrokkene denkt dat de ambtenaar een vergissing heeft gemaakt door de persoon, die klaarblijkelijk op de rechtdoorgaande rijstrook door het rode licht is gegaan, te verwarren met de auto van de betrokkene, die daar links van stond. De betrokkene verzoekt de ambtenaar en haar echtgenoot en stiefdochter als getuigen te horen. Verder voert de gemachtigde aan dat het aanvullend proces-verbaal op een cruciaal punt, namelijk de pleegdatum, afwijkt van de verklaring zoals weergegeven in het zaakoverzicht. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de ambtenaar zich heeft vergist, niet alleen wat betreft de datum, maar ook wat betreft het feit of de betrokkene die middag al dan niet door rood is gereden en/of zij nu al dan niet rechtdoor is gereden dan wel linksaf is geslagen.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 2 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.

Plaatsaanduiding verkeerslicht: verkeerslichtnummer 11.1 in de richting van de Sontweg.

Reden geen staandehouding: er was geen mogelijkheid om de bestuurder veilig aan de kant te zetten en ik reed niet in een dienstvoertuig, maar in privétijd. Gezien het drukke kruispunt en gevaarzetting besloten te verbaliseren.”

5. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep een aanvullend proces-verbaal van

10 december 2020 overgelegd. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:

“Op 27 juli 2019, omstreeks 14:55 uur stond ik, verbalisant [verbalisant1] , te wachten voor het verkeerslicht aan de Griffeweg te Groningen welke is aangegeven met 10.1. Ik stond voorgesorteerd op de baan voor rechts afslaand verkeer naar de Europaweg en voor mij stond nog één voertuig. Omdat ik gewend ben om ruim afstand op mijn voorganger te houden, had ik goed zicht op het kruispunt. Ik zag dat het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer, aangegeven met 11.1, rood werd. Ik zag vervolgens dat er een voertuig, na ongeveer twee seconden na het rood worden van het verkeerslicht, rechtdoor reed in de richting van de Sontweg, rijdend over de baan voor rechtdoor en hierbij het rode verkeerslicht negeerde.

Ik zag dat het een Peugeot 306 was, groen van kleur en voorzien van kenteken [kenteken] . Hierop heb ik direct het kenteken, merk, type, rijrichting en kleur van het voertuig ingesproken op mijn memo-recorder.

Ik verbaliseer zeer zelden in privétijd, maar omdat ik:

  • -

    bovenstaande voertuiggegevens direct heb ingesproken;

  • -

    honderd procent zeker was van de rijstrook en rijrichting van het voertuig;

  • -

    honderd procent zeker was dat het verkeerslicht op rood stond;

  • -

    het een gevaarlijk kruispunt vond om een rood verkeerslicht te negeren;

heb ik besloten om in privétijd op kenteken te verbaliseren en sta daar nog steeds volledig achter.”

6. Ook is een aanvullend proces-verbaal van 26 januari 2021 overgelegd. Hierin verklaart de ambtenaar het volgende:

“Ik zag dat ik een verschrijving heb gemaakt in proces-verbaalnummer PL0600-00242763.

Op 10 december 2020 is er door mij, verbalisant [verbalisant1] , een aanvullend proces-verbaal opgemaakt met proces-verbaalnummer PL0600-00242763. In dit proces-verbaal is abusievelijk de pleegdatum verkeerd geschreven. In het proces-verbaal staat als pleegdatum 27 juli 2019 omstreeks 14:55 uur. Dit moet zijn: 24 juli 2019 omstreeks 14:55 uur.”

7. Gelet op hetgeen de betrokkene gedurende de gehele procedure consistent en vasthoudend heeft aangevoerd, is bij het hof gerede twijfel ontstaan of de gedraging is verricht. De betrokkene stelt niet rechtdoor te zijn gereden, maar linksaf te zijn geslagen naar het huis van de betrokkene in de Oosterpark. De betrokkene heeft uitgelegd dat zij onderweg was naar huis nadat zij boodschappen had gedaan en waarom het niet logisch zou zijn om rechtdoor te rijden. Wat de betrokkene verklaart, komt overeen met wat de getuigen ter zitting hebben verklaard. Het hof acht de verklaring van de ambtenaar in dit geval, gelet op wat de betrokkene, ondersteund door de getuigen, daar tegenover heeft gesteld, onvoldoende overtuigend voor de vaststelling dat de betrokkene rechtdoor is gereden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal daarom beslissen als hierna vermeld.

8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift, de nadere toelichting en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal 2,5 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 667,50.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 667,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.