Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5871

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
200.293.589
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:260 lid 1, in verband met artikel 1:255 lid 1 BW. Beëindiging ondertoezichtstelling. Vrijwillig kader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.293.589

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 515413)

beschikking van 15 juni 2021

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de vader,

en

[verzoekster] ,

verder te noemen: de moeder

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

beiden wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. H.S. Franken te Zoetermeer,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 februari 2021, uitgesproken onder zaaknummer 515413, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 29 april 2021;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van mr. Franken van 26 mei 2021 met productie.

2.2

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft op 1 juni 2021 plaatsgevonden. De ouders zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de GI is [B] verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming is met bericht vooraf niemand verschenen.

3. De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). [de minderjarige] is geboren [in] 2017 in [C] . De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 1 maart 2018 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna door de kinderrechter steeds verlengd.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 1 maart 2022.

4 De omvang van het geschil

4.1

De ouders zijn het niet eens met de laatste verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij zijn met drie grieven (klachten) in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grieven beogen zij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De ouders verzoeken die beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling met een jaar te verlengen alsnog af te wijzen. Als de ondertoezichtstelling toch verlengd moet worden, dan verzoeken de ouders het hof om de termijn van de verlenging korter te maken.

4.2

De GI voert verweer. De GI verzoekt het hof de ouders in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, of anders het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In artikel 1:260 lid 1, in verband met artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar. De kinderrechter kan dat doen als de minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De ouders zijn het niet eens met de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] . Zij voeren onder andere aan dat geen sprake (meer) is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] . De vader is nooit agressief geweest en zeker niet in het bijzijn van [de minderjarige] . Het huiselijk geweld waar de GI naar verwijst heeft betrekking op een vorige relatie van de moeder. De gewichtstoename van [de minderjarige] vormt evenmin een reden voor een ondertoezichtstelling. De vader heeft op vrijwillige basis hulpverlening voor zichzelf ingeschakeld en hij heeft dat traject met succes afgerond. De ouders wonen weer samen en dat gaat goed. De ouders vrezen dat de GI steeds weer nieuwe eisen aan hen zal stellen.

5.3

Op de mondelinge behandeling heeft de GI allereerst verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige] . Toch heeft de GI nog wel zorgen over [de minderjarige] , maar die zien - kort gezegd - op de omgeving waarin [de minderjarige] opgroeit. De GI stelt dat [de minderjarige] wel degelijk getuige is geweest van agressie. De vader heeft onder andere ten aanzien van medewerkers van de GI en van de peuterspeelzaal van [de minderjarige] laten zien dat bij hem de emoties hoog kunnen oplopen. Dit kan bij hem leiden tot verbale agressie. De vader had een wisselende rol in het leven van [de minderjarige] : de moeder wilde in oktober 2020 het gezamenlijk gezag met de vader beëindigen en sinds november 2020 wonen de ouders weer samen. Daarmee is voor [de minderjarige] onvoorspelbaarheid ontstaan. De GI ziet dat het gezin sinds november 2020 in goede sfeer samenleeft. De GI wil langer betrokken blijven om toezicht te houden op de stabiliteit en veilige (hechtings)relatie tussen de vader en [de minderjarige] , gelet op het recente verleden. De GI heeft zorgen over hoe de ouders omgaan met de gewichtstoename van [de minderjarige] .

5.4

Het hof stelt voorop dat de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] volgens de GI, gelet op het verzoek in eerste aanleg, er in is gelegen dat:

- de opvoedsituatie onvoldoende stimulerend, veilig en stabiel was;

- de relatiestatus en daarmee de rol van de vader als opvoeder van [de minderjarige] wisselend was;

- [de minderjarige] getuige is geweest van huiselijk geweld.

5.5

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat ten tijde van het geven van de bestreden beschikking was voldaan aan de wettelijke vereisten om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen. De ouders woonden toen nog maar kort opnieuw samen. Op dat moment was nog niet duidelijk of de relatie tussen de ouders voldoende stabiel was en of de ouders [de minderjarige] een veilige opvoedingssituatie konden bieden. Daarnaast was onduidelijk of de ouders de benodigde begeleiding, onder andere in verband met het overgewicht van [de minderjarige] , voldoende zouden accepteren en of zij ook in het vrijwillig kader deze hulp zullen voortzetten.

5.6

Gelet op wat de ouders ter mondelinge behandeling hebben verklaard en de reactie van de GI daarop is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling inmiddels niet meer aanwezig zijn. Het gaat goed met [de minderjarige] , ook volgens de GI. Weliswaar zijn er zorgen over het overgewicht van [de minderjarige] , maar die zijn niet zodanig dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Bovendien ontvangen de ouders in verband met het overgewicht begeleiding vanuit het consultatiebureau en nemen zij, ook volgens de GI, de adviezen over.

De ouders wonen sinds november 2020 weer samen en dat gaat goed, zo erkent ook de GI in haar verweerschrift. Dat er onvoldoende zicht is op het gezin is niet gebleken. De ouders staan open voor hulpverlening. De moeder heeft regelmatig contact met hulpverleningsorganisatie [D] . Zij kan hen altijd bellen, ook ’s avonds. De moeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij de hulpverlening vanuit [D] ook bij een einde van de ondertoezichtstelling zal voortzetten. Daarnaast is gebleken dat er vanuit het netwerk van de ouders voldoende betrokkenheid is bij hun gezin.

Van het gestelde huiselijk geweld en agressie door de vader in het bijzijn van [de minderjarige] is onvoldoende gebleken. De vader heeft gedurende vijf jaar, op vrijwillige basis, hulpverlening ontvangen vanuit [E] . Inmiddels heeft hij dat traject met succes afgerond. Dat de vader ten aanzien van medewerkers van de peuterspeelzaal agressie heeft laten zien hebben de ouders voldoende gemotiveerd weersproken.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat er geen zorgen zijn op financieel gebied.

Het hof heeft op de mondelinge behandeling twee voor [de minderjarige] liefdevolle ouders gezien. Ouders ook die in staat zijn tot goede communicatie, ook naar het hof toe. De ouders hebben goed onder woorden kunnen brengen waarom zij vinden dat de ondertoezichtstelling moet eindigen, hoe zij hun (voor beiden) niet makkelijke verleden achter zich hebben weten te laten en hoe zij de toekomst voor zich zien, ondanks de spanning die de mondelinge behandeling zichtbaar voor hen meebracht en ondanks de eerdere voor hen negatieve ervaringen met de rechtspraak. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat deze ouders de laatste stappen ‘in het vrijwillig kader’ moeten kunnen zetten, dat wil zeggen: zonder toezicht van de GI.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling met ingang van heden dient te worden afgewezen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ziet op de periode tot heden en vernietigen voor zover deze ziet op de periode met ingang van heden en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor zover dat ziet op de periode vanaf heden alsnog afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 februari 2021, voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zich uitstrekt over de periode tot heden;

vernietigt die beschikking voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling zich uitstrekt over de periode vanaf heden en, opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, als voorzitter, E. de Boer en

A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 15 juni 2021 door de voorzitter uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.