Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5656

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
200.276.413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:364 BW. Deze zaak gaat over de vordering van de pachter om zijn zoon als medepachter aan te merken. Het hof oordeelt dat de zoon niet voldoet aan de vereisten die gelden voor een medepachter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.413

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant 7449435)

arrest van de pachtkamer van 1 juni 2021

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats]
2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats] ,
appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en, wat [appellant 1] betreft, ook verweerder in reconventie,

hierna: [appellant 1] en [appellant 2] ,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ( [land 1] ),

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats] ( [land 2] ),

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna: [geïntimeerde.] ,

advocaat: mr. R.R.E. Nobus.

1 Kern van de zaak en de beslissing

1.1

Deze zaak gaat over de vordering van [appellant 1] om zijn zoon [appellant 2] als medepachter aan te merken. Het hof oordeelt dat [appellant 2] niet voldoet aan de vereisten die gelden voor een medepachter. Dat vond de pachtkamer in Middelburg ook al en daarom bekrachtigt het hof het vonnis van die pachtkamer.

1.2

Hierna legt het hof zijn oordeel uit. Eerst vermeldt het hof nog wat er in de procedure in hoger beroep is gebeurd.

2 Het procesverloop tot nu toe

2.1

Het hof heeft op 10 november 2020 een tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof het procesverloop tot dan toe beschreven en een zitting aangekondigd.

2.2

Op 22 april 2021 heeft de zitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt. Aan het eind van de zitting heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

Vanaf 1981 pacht [appellant 1] een perceel grond van 31,5 ha in [gebiedsnaam] van [geïntimeerde.] . Daarop oefent hij een akkerbouwbedrijf uit. Rond 2014 heeft [appellant 1] tegen [geïntimeerde.] gezegd dat [appellant 2] hem wilde opvolgen. [appellant 2] was toen 36 jaar oud. In 2016 hebben vader en zoon een vennootschap onder firma opgericht met als doel samen een agrarisch bedrijf uit te oefenen en actief te zijn in de dienstverlening voor vervoer over land en/of de agro-logistieke dienstverlening. Vanaf april/mei 2018 heeft [appellant 1] [geïntimeerde.] verzocht zijn zoon [appellant 2] als medepachter aan te merken, wat [geïntimeerde.] heeft geweigerd. Daarna is deze procedure begonnen.

3.2

Bij vonnis van 12 februari 2020 heeft de pachtkamer in Middelburg de vordering van [appellant 1] afgewezen omdat [appellant 2] als voorgestelde medepachter onvoldoende waarborgen bood voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Het springende punt was dat [appellant 2] geen agrarische opleiding heeft en onvoldoende werkervaring in de landbouw. Tegen die beslissing richt zich het hoger beroep.

3.3

Bij de beoordeling of [appellant 2] aangemerkt kan worden als medepachter, moet het verweer van [geïntimeerde.] betrokken worden. [geïntimeerde.] voert aan dat [appellant 2] niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt. Als dat zo is, moet de vordering worden afgewezen (zie artikel 7:364 in combinatie met 7:363, vijfde lid, BW). De bewijslast voor zijn verweer rust op [geïntimeerde.] , maar [appellant 1] moet zelf wel voldoende informatie geven over de theoretische en praktische scholing van [appellant 2] .

3.4

In hoger beroep heeft het hof [appellant 1] en [appellant 2] uitgebreid gesproken op de zitting. Hieruit en uit het dossier volgt dat [appellant 2] , nu 43 jaar, een hbo-opleiding heeft genoten (HTS Autotechniek, specialisatie wegtransport). In zijn jeugd heeft hij in vakanties op het land gewerkt. Hij heeft geen agrarische opleiding gehad en is ook niet van plan om die te gaan volgen. In zijn werkzame leven heeft hij in de transportsector en met machines gewerkt. Hij heeft vanaf 2012 als zelfstandige loonwerker gewerkt voor een akkerbouwbedrijf en een aannemer, vanaf 2016 vanuit de vof. In januari 2018 heeft hij een spuitlicentie behaald. Op dit moment werkt [appellant 2] fulltime in loondienst als manager in een landbouwmechanisatiebedrijf.

3.5

[appellant 2] heeft vanaf zijn jeugd meegeholpen op het bedrijf van zijn vader. Dat is een traditioneel akkerbouwbedrijf met ruim 40 ha aardappelen, uien, tarwe en bieten. De bedrijfsgebouwen en 9 ha cultuurgrond zijn eigendom van [appellant 1] . Naast [appellant 2] hebben [appellant 1] en zijn vrouw nog een zoon. Tot nu toe doet [appellant 1] , 73 jaar oud, het merendeel van de werkzaamheden; [appellant 2] springt alleen bij als het nodig of druk is. [appellant 2] heeft nog nooit een agrarische onderneming geleid. Weliswaar is aangevoerd dat hij alle ins en outs van het bedrijf kent en samen met zijn vader alle beslissingen in het bedrijf neemt, maar dat heeft geen handen en voeten gekregen.

3.6

Op basis van het dossier en wat besproken is op de zitting heeft [appellant 2] niet laten zien dat hij voldoende kennis en ervaring heeft om een agrarisch akkerbouwbedrijf te leiden, de ontwikkelingen in de landbouw te volgen en daarop bedrijfsmatig te anticiperen. Hij kon geen duidelijke toekomstvisie op het bedrijf geven in relatie tot belangrijke Europese en maatschappelijke ontwikkelingen. Hij liet ook niet zien dat hij goed zicht op de landbouwkundige ontwikkelingen in de akkerbouw. Naar het oordeel van het hof wreekt zich hier dat [appellant 2] geen enkele agrarische scholing heeft gehad. De bijeenkomsten van de AJK (Agrarisch Jongeren Kontakt) die [appellant 2] heeft bijgewoond, hebben dat gebrek niet kunnen opvullen. Over de financiële mogelijkheden voor de bedrijfsovername die in het verschiet ligt, hebben [appellant 1] en [appellant 2] geen duidelijke beeld (medegedeeld), terwijl het bedrijfsplan dat is ingediend de nodige vragen oproept over de overname en de toekomstige winstkansen. Die vragen heeft [geïntimeerde.] in zijn processtukken ook specifiek gesteld en zijn op de zitting nogmaals gesteld, maar hebben niet geleid tot concrete antwoorden. Wel heeft [appellant 2] veel vakkennis op het gebied van mechanisatie en door zijn ervaring ook kennis van traditionele teelten, maar dat is niet voldoende.

3.7

Het gebrek aan relevante opleiding en de beperkte ervaring in de akkerbouw brengen mee dat [geïntimeerde.] terecht heeft gesteld dat [appellant 2] onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Daarom moet de vordering van [appellant 1] om [appellant 2] als medepachter aan te merken worden afgewezen. Dat heeft de pachtkamer Middelburg gedaan. Het hof zal dat vonnis dan ook bekrachtigen.

3.8

[appellant 1] was in eerste aanleg in de proceskosten veroordeeld. Ook daartegen komt hij op in hoger beroep, waarbij hij ervan uitgaat alsnog in het gelijk te worden gesteld. Nu dat niet het geval is, blijft ook de proceskostenveroordeling in stand.

3.9

Bij deze stand van zaken hoeven de grieven verder geen bespreking meer. Dat geldt ook voor de andere stellingen en verweren van partijen. Als het hof die wel zou bespreken, zou dat namelijk niet tot een ander oordeel leiden.

3.10

De door partijen gedane bewijsaanbiedingen passeert het hof, omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kunnen leiden.

Slotsom

3.11

Het hoger beroep faalt zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten van [geïntimeerde.] stelt het hof vast op € 332 aan griffierecht en op € 2.228 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer te Middelburg (rechtbank Zeeland West-Brabant) van 12 februari 2020;

veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde.] vastgesteld op € 332 voor griffierecht en op € 2.228 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, J.H. Lieber en R.W.E. van Leuken en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en B. Lamers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.