Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5641

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
200.261.576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; opstalverzekering; herhaalde waterschade badkamer; onderzoeken door diverse deskundigen; weigering verzekerde medewerking verder onderzoek ondanks waarschuwing door verzekeraar; daadwerkelijk en redelijke belang van een diepgaand onderzoek naar de elementen van de dekkingsomschrijving; verval recht op uitkering; tussentijdse opzegging door verzekeraar beoordeeld naar maatstaven van subsidiariteit en proportionaliteit; geen grond tot bevel overlegging van niet bestaand rapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 4, p. 189
JA 2021/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.261.576

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, NL18.16321)

arrest van 1 juni 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. P. Bosma,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. A.J. Schoonen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 7 februari 2019 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 6 mei 2019,

- het herstelexploot van 17 juni 2019,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- een akte van [appellante] met producties en

- een antwoordakte van Achmea.

2.2

Vervolgens heeft Achmea de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Deze zaak gaat over een waterschade in de woning van [appellante] en haar (inmiddels ex-) man, waarvoor hij (ook voor haar) een opstalverzekering (Woongarantverzekering) had gesloten bij Achmea. Partijen strijden over de vragen of de waterschade onder de polis is gedekt, of [appellante] aan Achmea onvoldoende onderzoekmedewerking heeft verleend met verval van het recht op uitkering als gevolg en of Achmea de verzekering rechtsgeldig heeft opgezegd.

3.2

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2.1 tot en met 2.9 van het vonnis.

3.3

Die feiten komen neer op het volgende.

Na afgewezen schademeldingen van lekkages in de douchebak in 2006 en in de badkamer in 2007 heeft [appellante] op 15 april 2014 opnieuw waterschade rondom en onder de badkamer bij Achmea gemeld. In opdracht van Achmea heeft herstelbedrijf QBuild BK Bouwservice de schade beoordeeld op 6 mei 2014. Achmea heeft vervolgens ( [B] van) Dekra Experts ingeschakeld, die de schade op 20 mei 2014 heeft onderzocht en daarvan foto’s heeft gemaakt. Van Achmea moest een lekdetectieonderzoek volgen. [B] had Polygoon daarvoor ingeschakeld, wat niet doorging, maar had er ook in toegestemd dat [appellante] zelf zo’n onderzoek liet uitvoeren. Op haar verzoek heeft Bos Reconditionering de lekkage toen op 27 mei 2014 onderzocht en daarover schriftelijk gerapporteerd. [appellante] kreeg moeilijkheden met [B] en heeft daarover en over de lange duur van schadebehandeling later, per e-mail van 10 september 2014, een klacht bij Achmea ingediend. Per e-mail van 23 juli 2014 heeft zij aan ( [B] voor) Achmea offertes gestuurd wegens verhuizing en opslag van alle inboedel, vervanging van de badkamer en het schilderen van wanden boven en beneden voor in totaal ongeveer € 130.000. Achmea, bekend met het rapport van Bos Reconditionering, vond blijkens haar e-mail van 7 augustus 2014, wegens de omvang van de schade en de herstelkosten, een nieuw deskundigenonderzoek nodig, nu door een bouwkundig expert. Daarvoor heeft zij eerst haar medewerker [C] ingeschakeld, die [appellante] echter heeft afgezegd twee dagen vóór zijn op 19 augustus 2014 geplande bezoek. Per e-mail van 29 augustus 2014 heeft Achmea [appellante] bericht dat (bouwkundige) [D] de expert was en dat zij contact met hem kon opnemen voor een bezoekafspraak, maar dit heeft zij nagelaten.

Per e-mail van 11 september 2014 heeft (mw. [E] van) Achmea de klacht van [appellante] afgewezen, haar bericht dat zij niet meewerkte aan het onderzoek naar de langdurige lekkages vanuit de badkamer en haar tenslotte meegedeeld dat Achmea, als [appellante] niet vóór 15 oktober 2014 aan een onderzoek meewerkte, de claim niet kon beoordelen en dan genoodzaakt was het dossier te sluiten.

[appellante] heeft hieraan niet meegewerkt, maar op 15 oktober 2014 een klacht ingediend bij het KiFiD, die werd afgewezen op 2 november 2015.

Intussen heeft Achmea bij brief van 20 november 2014 aan (de man van) [appellante] de verzekering opgezegd per 21 januari 2015 op de grond dat de verzekerden niet meewerkten aan het afhandelen van deze schade.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft gevorderd dat de rechtbank:

1. voor recht verklaart dat tussen partijen sprake is van een verzekeringsovereenkomst,

2. voor recht verklaart dat Achmea gehouden is dekking te verlenen op de

woon/garantverzekering met polisnummer [nummer] ,

3. Achmea veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis de schadeclaim

van [appellante] in behandeling te nemen,

4. Achmea veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met rente en kosten.

4.2

Na een conclusie van antwoord en een comparitie van partijen heeft de rechtbank in het vonnis van 7 februari 2019 de vorderingen afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4.3

Daartegen richt [appellante] vier grieven, die het hof hierna tezamen zal behandelen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

dekking onder de polis en medewerking door verzekerde?

5.1

Artikel 2 van de Bijzondere voorwaarden bepaalt dat de verzekering

onder andere de schade aan de woning dekt als gevolg van1:

“(...) h. water/stoom, dat onvoorzien gestroomd of overgelopen is uit waterleidingen, een centrale verwarmingsinstallatie, putten en riolen of daarop aangesloten sanitaire en andere toestellen en installaties als gevolg van breuk, het springen door vorst, verstopping of een ander plotseling optredend defect . Indien hierdoor schade is ontstaan aan de woning, zijn ook de kosten van opsporing hiervan en het daarmee verband houdende breek- en herstelwerk meeverzekerd.”

5.2

Wil er sprake zijn van een onder de polis gedekt voorval dan moet er volgens de hiervoor onderstreepte woorden wel het nodige worden uitgezocht: is er water onvoorzien uitgestroomd, waaruit en ook nog door een plotseling optredend defect? Die onderzoeknoodzaak was er zeker na wat er eerder was voorgevallen: [appellante] had eerder waterlekkages gemeld, in 2006 in de douchebak en in 2007 in de badkamer en nu, op 15 april 2014, opnieuw een waterschade rondom en onder de badkamer.

5.3

Van QBuild BK Bouwservice en Dekra Experts ontbreken in deze procedure schriftelijke rapporten. Bos Reconditionering heeft op 27 mei 2014 onder meer gerapporteerd:

“Reden lekdetectie / thermografie: Vochtplekken wand en plafond woonkamer

Vocht in wanden rondom badkamer en vloeren slaapkamers en overloop

(…)

Oorzaak:

Locatie van de oorzaak: (…) Afvoerleiding Kitnaden

(…)

Conclusie / resultaat onderzoek: Vochtplekken in woonkamer rondom de badkamer zijn alle wanden nat. De wand in het douchgedeelte is tot aan de bovenzijde nat de tussenwand

is aan de onderzijde geheel vergaan(hout) Bij gebruik douche (alleen afvoer) neem de vochtplek in de woonkamer snel toe. In de wand van de badkamer loopt de standleiding waar alle afvoeren samenkomen ook van boven komt er een afvoer welke tevens gebruikt wordt als beluchting

Locatie lekkage:

(…) 1e verdieping: Badkamer

(…)

Opmerkingen / Advies:

Doordat alles door en door nat is is het moeilijk aan te geven waar het exacte lek zich bevind in de standleiding. Deze loopt langs de gehele wand en hierop zijn de afvoeren van toilet, wasbak, douche en bad aangesloten.

Met zekerheid is aan te nemen dat een van deze aansluitingen lekt of zelfs meerdere.

Om het geheel weer te kunnen drogen is het advies om de gehele vloer en gedeelte wanden te vervangen om deze goed te kunnen drogen. De koof in de slaapkamer is zodanig nat dat deze gerepareerd moet worden dit geld waarschijnlijk voor meerdere wanden rondom de badkamer.”

De bijlage voegt daar nog aan toe:

“Aangezien de gehele badkamer en omgeving (overloop, en 2 slaapkamers wanden en vloeren) door en door nat zijn is het voor ons moeilijk om de exacte oorzaak te achterhalen.

Door al het water zijn er nu op verschillende plaatsen lekkages voornamelijk rond de

afvoeren (zie bouwtekening).

De kitnaden rondom het bad zijn niet afdoende en hebben lekkage veroorzaakt maar

zeker niet de schade zoals deze nu is.

Gezien de aard van de schade lijkt het ons niet meer mogelijk om het geheel door middel

van droogapparatuur te drogen en zullen er op veel plaatsen tegels en wanden moeten

worden vervangen.

De wand tussen het bad en het douchegedeelte is vanaf de onderkant gedeeltelijk

vergaan (zie foto) en zal moeten worden vervangen.

De achterwand in het douchegedeelte is van beneden tot boven in zijn geheel te nat.

In de hoek van deze wand komt er een standleiding van boven waar de afvoer van de

wasmachine op zolder is aangesloten deze wordt tevens gebruikt als beluchting.

Na het openmaken van de koof in de slaapkamer waarin zich deze standleiding zich

bevind begint het enorm te ruiken wat ook duidt op een lekkage.”

Dit gaf dus een omvangrijk schadebeeld van een situatie waarin gedurende een lange periode sprake was van lekkage met langdurige vochtinwerking op muren en vloeren, waardoor de schade nu wel heel erg groot was geworden. Maar de oorzaak stond daarmee nog niet vast.

5.4

In het licht van 1) de lekkagevoorgeschiedenis uit 2006 en 2007, 2) dit rapport van de door [appellante] zelf uitgekozen deskundige Bos Reconditionering en 3) de massale omvang van de waterschade (met een claim van € 130.000) was het niet onredelijk dat Achmea wat betreft de dekkingsvraag grondig onderzocht wilde zien of er water onvoorzien was uitgestroomd, waaruit dat was gebeurd en door welk plotseling optredend defect. Vanwege die lekkagevoorgeschiedenis ging het namelijk ook om de vragen over het onvoorziene karakter van de uitstroom en het plotselinge optreden van het op te zoeken defect. Dat was tevens in het belang van [appellante] zelf, die tegenover Achmea moest stellen en zo nodig bewijzen dat zich een onder de polis gedekt risico had verwezenlijkt. Men kan zich wel iets voorstellen bij de irritatie van [appellante] dat Achmea nog een, nu vierde, deskundigenonderzoek nodig vond en over haar contacten met [B] van Dekra, waarover zij had geklaagd, maar het ging naar het oordeel van het hof echt veel te ver om dan maar, ondanks de ernstige en blijkbaar voortdurende waterschade, iedere verdere medewerking te weigeren of op te schorten, door in de loop van augustus 2014 niet mee te werken aan een onderzoek door [D] of een andere expert. Dit kwam in strijd met artikel 14, aanhef en onder c. van de Algemene voorwaarden dat de verzekerden onder neer verplicht aan Achmea hun volle medewerking te verlenen.

5.5

In haar mail van 11 september 2014 heeft Achmea [appellante] duidelijk en indringend gewaarschuwd om mee te werken en gewezen op het gevolg als zij dat niet zou doen:

“U werkt niet mee, doordat u afspraken met de expert afzegt. Er is sprake van langdurige lekkages vanuit de badkamer gezien de schademeldingen en het schadebeeld (foto’s). De schade is ver na het ontdekken van de lekkage pas bij ons gemeld. Er zijn verschillende oorzaken, maar ons tot nu toe geen gedekte oorzaak gebleken. Dit betekent dat wij niets voor u kunnen betekenen nu u niet meewerkt.

(…)

Mogelijke oplossing?
U heeft eerder waterschades vanuit de badkamer bij ons gemeld, die zijn afgewezen. Het schadebeeld geeft aan dat de lekkages langdurig zijn. Daarmee staat feitelijk vast dat u niets aan de oorzaak hebt gedaan. Als u ons aantoont dat u de oorzaken na de eerdere lekkages van 2006 en 2007 hebt hersteld willen wij uw claim in behandeling nemen. Zonder deze bewijzen zal verder behandeling niet mogelijk zijn, omdat de schade en lekkages niet onvoorzien zijn. Als de bewijzen hiervan geleverd worden zal een expert u bezoeken en de schade met u doornemen.

Om onze expert zijn werk; het vaststellen van de (schade)oorzaak te kunnen laten doen, zodat hij ons verslag kan uitbrengen en wij uw claim kunnen beoordelen verzoek ik u vriendelijk mee te werken, zoals bovenstaand omschreven. Als u hierin niet meewerkt vóór 15 oktober kunnen wij niets voor u betekenen omdat wij uw claim dan niet kunnen beoordelen en dan zijn wij genoodzaakt het dossier te sluiten.

(…)”.

5.6

Zoals gezegd, heeft [appellante] ook daarna haar medewerking aan verder onderzoek niet meer verleend, wat dus in strijd kwam met artikel 14, aanhef en onder c. van de Algemene voorwaarden. Artikel 12.1 aanhef en onder c. van die voorwaarden sluit dan dekking uit:

niet nakomen verplichtingen

indien u zich niet houdt aan de verplichtingen die genoemd staan in, dan wel voortvloeien uit de Algemene en/of Bijzondere voorwaarden en wij in een redelijk belang zijn geschaad”.

Dit is in overeenstemming met het - ingevolge artikel 7:943 lid 2 BW in het belang van de verzekerde semi-dwingendrechtelijke - artikel 7:941 leden 2 en 4 BW. Volgens het tweede lid daarvan zijn de verzekeringnemer en de uitkeringsgerechtigde verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Naar het oordeel van het hof brengt de ratio achter deze bepaling (om de schade zo laag mogelijk te houden en de verzekeraar in staat te stellen om op een zo juist mogelijke wijze de omvang van de schade vast te stellen) mee dat die verplichting verder gaat dan enkel informatieverschaffing; het gaat om een meer algemene medewerkingsplicht (na de ingeroepen verwezenlijking van het risico). Daaronder valt ook de verplichting van een verzekerde om mee te werken aan een, zoals hier door Achmea op redelijke gronden verlangd, verder, nu bouwkundig, onderzoek. Dit heeft [appellante] , ondanks de indringende waarschuwing, geweigerd, waardoor zij Achmea niet in staat heeft gesteld de oorzaak van de lekkage vast te stellen. De inmiddels verstreken tijd om zicht te krijgen op de schade, de oorzaak en het herstel en de ingrijpende gevolgen van de schade voor [appellante] kunnen haar weigering tot verdere medewerking niet rechtvaardigen. Door die weigering ontstond alleen maar een impasse. Dat de vierde deskundige volgens [appellante] (zie de e-mail van Bouw 2000 B.V. van 20 oktober 2016) met hak- en breekwerk destructief onderzoek zou moeten gaan doen, kan niet worden aangemerkt als een goede weigeringsgrond nu Achmea ingevolge artikel 15 van de Algemene voorwaarden de kosten van dat onderzoek voor haar rekening zou nemen, zoals de rechtbank in hoger beroep onbestreden heeft vastgesteld.

5.7

Op dat gebrek aan medewerking heeft Achmea de in artikel 7:941 lid 4 BW opgenomen sanctie toegepast van het vervallen van het recht op uitkering. Door het gebrek aan medewerking van [appellante] is Achmea geschaad in het hier (niet theoretische maar) daadwerkelijk en redelijke belang van een diepgaand onderzoek naar de elementen van de dekkingsomschrijving. Daardoor kon Achmea ook niet onderzoeken of en zo ja in welke mate de nu geclaimde, massale, waterschade door een verzekerd evenement was veroorzaakt. Dit door Achmea aangevoerde redelijke belang heeft [appellante] niet betwist en zeker niet gemotiveerd bestreden. Het hof acht zich daardoor ook niet in staat zich een zelfstandig oordeel te vormen over de dekkingsvraag, laat staan over de omvang van de door een eventueel gedekt evenement veroorzaakte schade2. Op grond hiervan is een eventueel recht op een uitkering, indien deze al zou zijn verschuldigd, als sanctie vervallen.

tussentijdse opzegging van de verzekering

5.8

Die kwestie komt aan de orde door de vordering van [appellante] om een verklaring voor recht dat tussen partijen sprake is van een verzekeringsovereenkomst.

Achmea heeft bij brief van 20 november 2014 aan de man van [appellante] als verzekeringnemer de verzekering opgezegd per 21 januari 2015 op de grond dat de verzekerden niet meewerkten aan het afhandelen van deze schade. Volgens artikel 5.2, aanhef en onder c. van de Algemene voorwaarden kan Achmea de verzekering met een termijn van tenminste twee maanden opzeggen als de verzekerde diens verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst niet nakomt. Het - ingevolge artikel 7:943 lid 3 BW in het belang van de consument-verzekerde semi-dwingendrechtelijke - artikel 7:940 lid 3, slotzin, BW verlangt voor zo’n tussentijdse opzegging wel dat de in de overeenkomst vermelde gronden van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd. Daarvoor heeft Achmea gewezen op de weigering van [appellante] tot verdere medewerking aan het door Achmea terecht verlangde diepgaander onderzoek.

5.9

Hier moet worden opgemerkt dat het [appellante] als verzekerde is geweest die haar medewerking aan verder onderzoek heeft geweigerd en daarin, ondanks een indringende schriftelijke waarschuwing door Achmea, heeft volhard. Nog daargelaten dat [appellante] dat niet heeft verdedigd, kan in dit geval niet worden volstaan met het verval van het recht op uitkering en/of uitsluiting van toekomstige waterschades. Juist haar halsstarrige gedrag tegen de verdere zoektocht naar de oorzaak van de omvangrijke waterschade na eerdere afgewezen waterschades in/bij de badkamer levert een breuk op in de voor een verzekeringsovereenkomst nodige vertrouwensrelatie en rechtvaardigt naar maatstaven van subsidiariteit en proportionaliteit3 dat Achmea vanwege dit aan [appellante] persoonlijk toe te rekenen gedrag is overgegaan tot de tussentijdse beëindiging van de opstalverzekering. [appellante] heeft daartegenover, ook bij de rechtbank, geen voldoende overtuigend inhoudelijk argument aangevoerd. Bij die stand van zaken was de tussentijdse opzegging dan ook terecht. Daaraan doet niet af dat volgens [appellante] aanvankelijk nog steeds onderzoek kon plaatsvinden waar de schade niet, zelfs niet gedeeltelijk, was hersteld. Bij akte van 22 september 2020 heeft zij overigens aan de hand van foto’s uiteengezet dat zij de schadeveroorzakende situatie niet heeft laten voortbestaan maar inmiddels de lekkage na breekwerkzaamheden heeft laten dichten.

bewijsmiddelen en -aanbod

5.10

[appellante] verlangt overlegging door Achmea van een rapport van Dekra van 19 juli 2014 aan Achmea. Achmea heeft gemotiveerd bestreden dat ( [B] van) Dekra zo’n rapport heeft opgemaakt en over dat rapport te beschikken; het zou alleen maar zijn gegaan om doorzending door ( [B] van) Dekra aan Achmea van het rapport van Bos Reconditionering met de schadeopstelling van [appellante] . Dat ( [B] van) Dekra zelf een rapport heeft uitgebracht, staat dus niet vast en dit biedt dan ook geen grond om (op de voet van artikel 22 Rv) Achmea tot overlegging ervan te verplichten.

5.11

[appellante] heeft bewijs aangeboden door getuigen van QBuild BK Bouwservice, Dekra Lekdetectie Experts ( [B] ) en Bos Reconditionering van in het bijzonder haar stelling dat zij zich heeft ingespannen en uitdrukkelijk heeft meegewerkt met Achmea en de door Achmea ingeschakelde derden. Haar medewerking tijdens het onderzoek in het voorjaar van 2014 staat wel vast. Maar het gaat juist om haar weigering tot verdere onderzoekmedewerking in de periode augustus tot en met oktober 2014 en daarop is dit bewijsaanbod niet (kenbaar) betrokken. Daarom passeert het hof het bewijsaanbod.

6 De slotsom

6.1

Het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 741

- salaris advocaat € 4.917 (1,5 punten x appeltarief V).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 februari 2019;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 741 voor verschotten en op € 4.917 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.M. Croes en M.B. Beekhoven van den Boezem, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.

1 onderstrepingen door het hof

2 zie HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:522

3 zie rov. 2.7 van conclusie AG met vindplaatsen in ECLI:NL:PHR:2019:179 voor HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:447