Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5555

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
Wahv 200.271.504/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een verzoek om de oplegging van een inmiddels onherroepelijk geworden sanctie te heroverwegen, is geen beroep waarop de kantonrechter moet beslissen. Zo een verzoek moet worden voorgelegd aan het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.271.504/01

CJIB-nummer

: 219993963

Uitspraak d.d.

: 7 juni 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Oost-Brabant van 9 december 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. drs. A.C.M. Brom, kantoorhoudende te Eersel.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het verzoek om terug te komen van de inleidende beschikking afgewezen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Uit de stukken van het dossier blijkt het volgende. Bij inleidende beschikking van

28 september 2018 is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig/aanhangwagen met toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg is de geldigheid van het keuringsbewijs verlopen”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 18 september 2018 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Op

11 december 2018 is een eerste aanmaning en op 28 januari 2019 een tweede aanmaning aan de betrokkene verzonden. Toen betaling van de sanctie en de opgelegde verhogingen uitbleef, is op

14 maart 2019 een dwangbevel uitgevaardigd.

2. Op 7 mei 2019 is door de officier van justitie een op 4 mei 2019 gedateerd schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Het onderwerp van dit schrijven luidt: “herzieningsverzoek beschikking CJIB-nummer 219993963 BSN 141768812 alsmede verzoek intrekken dwangbevel d.d. 14 maart 2019 inzake [betrokkene] kenteken [kenteken] .” In deze brief verzoekt de gemachtigde om, gelet op onder meer de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 februari 2019 betreffende het CJIB-nummer 218044914, de inleidende beschikking met het CJIB-nummer 219993963 te vernietigen, het sanctiebedrag op nihil te stellen en de verhogingen ongedaan te maken. Dit omdat sprake is van identieke gevallen en de sanctie aldus ten onrechte is opgelegd.

3. Voornoemde brief is door de officier van justitie aangemerkt als een beroepschrift tegen de inleidende beschikking. Op 24 juni 2019 heeft de officier van justitie het administratief beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Bij schrijven van 23 juli 2019, door de officier van justitie ontvangen op 26 juli 2019, heeft de gemachtigde tijdig beroep ingesteld tegen die beslissing. De gemachtigde wijst er - kort gezegd - op dat geen beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking maar dat sprake is van een verzoek tot herziening.

4. Bij de bestreden beslissing van 9 december 2019 heeft de kantonrechter overwogen dat het op 7 mei 2019 ontvangen schrijven van de gemachtigde door de officier van justitie ten onrechte is beschouwd als een - tardief - beroep tegen de inleidende beschikking. Om die reden heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Vervolgens heeft de kantonrechter het herzieningsverzoek beoordeeld en geoordeeld dat geen sprake is van een novum. Het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter afgewezen.

5. De gemachtigde heeft op 24 december 2019 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing. Hij voert aan dat de kantonrechter zich had moeten beperken tot de beoordeling van de beslissing van de officier van justitie tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep en het herzieningsverzoek moeten terugwijzen naar dezelfde officier van justitie. Daarnaast heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat geen sprake is van een novum in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. De aan de betrokkene opgelegde sanctie kan namelijk niet in stand blijven omdat het voertuig ten tijde van de registercontrole door het openbaar ministerie in beslag was genomen. Dit volgt ook uit andere beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie in zaken die de betrokkene aangaan. De gemachtigde verzoekt de beslissing van de kantonrechter te vernietigen

6. Uit het op 7 mei 2019 door de officier van justitie ontvangen schrijven van de gemachtigde leidt het hof af dat de betrokkene heeft beoogd een verzoek in te dienen bij het bestuursorgaan om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om terug te komen op een rechtens onaantastbare beslissing tot oplegging van de sanctie en voorts tot intrekking van het dwangbevel. De betrokkene heeft niet beoogd administratief beroep in te stellen tegen de reeds onherroepelijk opgelegde sanctie. Dit betekent dat de kantonrechter op juiste gronden de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd. Vervolgens had de kantonrechter moeten verstaan dat de gemachtigde geen administratief beroep heeft ingesteld en niet zelf (inhoudelijk) beslissen op het door de gemachtigde ingediende herzieningsverzoek maar dit verzoek moeten voorleggen aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan. Nu de kantonrechter dit heeft nagelaten kan de beslissing niet in stand blijven. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

7. Het op 7 mei 2019 ontvangen schrijven van de gemachtigde bevat twee verzoeken. Het eerste strekt tot gebruik maken door het bestuursorgaan van zijn bevoegdheid om terug te komen op de rechtens onaantastbare beslissing tot oplegging van de sanctie, het tweede tot intrekking van het dwangbevel. Het eerste verzoek betreft de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd, het tweede de bevoegdheid van de Minister voor Rechtsbescherming. Het hof zal de griffier opdragen de stukken ter verdere behandeling in handen te stellen van het CJIB, teneinde de verzoeken voor te leggen aan de bevoegde bestuursorganen.

8. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen heeft afgewezen. Daartoe wijst de gemachtigde erop dat de beslissing van de officier van justitie op het herzieningsverzoek is aan te merken als de inleidende beschikking en niet de oorspronkelijke sanctiebeschikking, omdat daar geen beroep tegen is ingesteld. Nu de beslissing van de officier van justitie op het herzieningsverzoek is vernietigd, is de inleidende beschikking komen te vervallen en is er - conform rechtspraak van het hof - wel degelijk aanleiding de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden.

9. Het hof deelt dit standpunt van de gemachtigde niet. Voor de beoordeling van de vraag of de proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, is relevant of de betrokkene in het gelijk is gesteld. Dat is het geval indien de inleidende beschikking waarbij de sanctie is opgelegd wordt vernietigd of op bepaalde onderdelen gewijzigd (zie het arrest van dit hof van 28 april 2020 vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dat is hier niet het geval. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Het hof zal het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding afwijzen.

10. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verstaat dat geen administratief beroep is ingesteld;

draagt de griffier van het hof op de stukken ter verdere behandeling in handen te stellen van het CJIB;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.