Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5473

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
200.283.483/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 186 Rv. Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Eisen die aan de onderbouwing van het verzoek kunnen worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.283.483/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/244376)

Beschikking van 3 juni 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende in [A] ,

appellante,

bij de rechtbank: verzoekster,

advocaat: mr. D.Y. Li uit Groningen,

hierna samen te noemen: de verkoopster,

tegen

[verweerder1] ,

en

[verweeder2] ,

beiden wonende in [B] ,

geïntimeerden,

bij de rechtbank: verweerders,

advocaat mr. H. Loonstein uit Amsterdam,

hierna te noemen: de bestuurders en/of verweerders.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Dit hoger beroep is gericht tegen een beschikking die de rechtbank Overijssel in Zwolle op 24 juni 2020 tussen partijen heeft gewezen. Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    Het beroepschrift van de verkoopster,

  • -

    Het verweerschrift de bestuurders,

  • -

    Het verslag (proces-verbaal) van de op 25 mei 2021 gehouden zitting.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Met deze procedure wil de verkoopster de mogelijkheid krijgen getuigen te horen over het handelen van de bestuurders bij de afwikkeling van koop van een restaurant door een vennootschap waarvan zij indirect de bestuurders zijn. De koopprijs is niet volledig aan de verkoopster voldaan, en de koper is gefailleerd. De verkoopster verwijt de bestuurders dat zij de vennootschap kennelijk onbehoorlijk hebben bestuurd en wil daarover getuigen horen. Dit geschil heeft de volgende achtergrond.

2.2

In 2018 heeft de verkoopster het restaurant [C] , dat zij als eenmanszaak exploiteerde, verkocht aan [D] BV (de koper). Verweerders waren daarvan ‘middellijk’(door tussenkomst van persoonlijke vennootschappen) de bestuurders. Een deel van de koopsom is echter niet betaald. Dat heeft geresulteerd in een veroordeling van de koper tot betaling van de resterende koopsom (€ 183.594,32), vermeerderd met wettelijke rente en kosten, en € 600,- per dag vanaf 6 juni 2018 tot aan de dag dat de koper de koopsom volledig zou hebben betaald. Het veroordelende vonnis dateert van 10 april 2019. Daar is geen hoger beroep tegen ingesteld. De koper is kort nadien, op 23 april 2019, gefailleerd. Aan het vonnis is geen gevolg gegeven.

3 Het oordeel van het hof

De opzet en de conclusie van deze uitspraak

3.1

Het hof zal de bezwaren (grieven) van de verkoopster hierna per onderwerp en met tussenkopjes bespreken. De conclusie zal zijn dat alsnog een voorlopig getuigenverhoor kan worden gehouden.

De rechtbank heeft het bet beoordelingskader goed weergegeven

3.2

De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat in een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet nauwkeurig hoeft te worden aangegeven welke feiten en stellingen aan de voorgenomen vordering ten grondslag zullen worden gelegd en over welke feiten de verzoeker getuigen wil laten horen1. De verzoeker hoeft zich ook niet uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering of de omvang van geleden schade.

3.3

Een verzoek dat aan deze marginale eisen voldoet, moet in beginsel worden toegewezen. De uitzonderingen op die regel (misbruik van bevoegdheid, strijd met goede procesorde, een ander zwaarwichtig geoordeeld bezwaar of gebrek aan belang) doet zich hier niet voor2.

3.4

De rechter komt in de beoordeling van het verzoek geen discretionaire bevoegdheid toe. De lat voor toewijzing van het verzoek ligt dus laag.

De beslissing van de rechtbank was juist

3.5

De verkoopster stelt dat de bestuurders actief en opzettelijk hebben bewerkstelligd dat de koper haar verplichting tot betaling van de koopsom niet kon nakomen (dat zij verhaal tot betaling op die vennootschap hebben gefrustreerd) en dat zij om die reden op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk zijn voor de schade die de verkoopster hierdoor heeft geleden.

3.6

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat in eerste aanleg zelfs een begin van feiten ontbrak waarmee aan dat standpunt inhoud zou kunnen worden gegeven. Dat heeft terecht tot afwijzing van het verzoek geleid, en tot veroordeling van verkoopster in de proceskosten. Die proceskostenveroordeling blijft daarom in stand.

In hoger beroep is het verzoek nader onderbouwd, waardoor het alsnog kan worden toegewezen

3.7

In dit hoger beroep is echter alsnog een onderbouwing gegeven die – hoewel nog steeds zeer summier –aanleiding geeft tot toewijzing van het verzoek: aangevoerd is nu dat ING Bank de betaling van het resterende deel van de koopsom al kort na de koop - in april 2018 - had gefinancierd, maar dat de bestuurders hebben bewerkstelligd dat de betaling daarvan is gefrustreerd. Zij hebben nakoming ten onrechte opgeschort met een beroep op dwaling en bedrog, en wisten (hadden althans moeten begrijpen) dat het niet aanwenden van de verkregen financiering tot gevolg zou hebben dat de koper haar betalingsverplichting niet zou nakomen, en dat deze ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan bij de verkoopster optredende schade.

3.8

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat de koper inderdaad beschikte over de financiële middelen om de resterende koopsom te betalen, terwijl onduidelijk is gebleven waarom die betaling achterwege is gebleven - met name nadat de rechtbank de koper tot betaling had veroordeeld. Dat rechtvaardigt een onderzoek door middel van getuigenverhoren naar de gang van zaken in die periode (tot aan het faillissement) en de rol die de bestuurders daarin hebben gespeeld.

De conclusie

3.9

De bestreden beschikking zal worden vernietigd, behalve ten aanzien van de proceskostenveroordeling. De bestuurders zullen in hoger beroep worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Gelet op wat hiervoor onder 3.6 is overwogen, zal het hof daarbij uitgaan van het zogenoemde liquidatietarief in eerste aanleg (tariefgroep 2, 2 punten).

4 De beslissing

Het hof

1. bekrachtigt de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel in Zwolle van 24 juni 2020 voor zover die onder 3.2 en 3.3 is gegeven;

2. vernietigt deze beschikking voor zover die onder 3.1 is gegeven en beslist alsnog het volgende.

  • -

    beveelt een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld onder 3.5;

  • -

    verwijst de zaak naar de rechtbank Overijssel in Zwolle om het voorlopig getuigenverhoor te laten plaatsvinden op een nader door haar te bepalen plaats en tijdstip voor een door haar te benoemen rechter-commissaris;

3. veroordeelt de bestuurders hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep. Tot nu toe worden die aan de kant van de verkoopster vastgesteld op

- € 338,- aan procedurele kosten (verschotten) en

- € 1.126,- aan salaris;

4. verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af wat verder is gevorderd.

Deze beschikking is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, K.M. Makkinga en M. Wolters, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2021.

1 vergelijk ECLI:NL:HR:1993:ZC0878.

2 vergelijk ECLI:NL:HR:2017:3250.