Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5469

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
21-004894-19
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2020:4737
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake mishandelingen en een poging doodslag tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het alibi van verdachte is niet aannemelijk geworden. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004894-19

Uitspraak d.d.: 3 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2019 met parketnummer 18-930180-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende te [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 juni 2020 en 20 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van feit 1 subsidiair (mishandeling), feit 2 (mishandeling) en feit 3 primair (poging doodslag) tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden, te weten: meldplicht, ambulante behandeling, alcoholverbod en controle daarop, meewerken aan het aflossen van schulden, inzage geven in financiën, contactverbod met de heer [benadeelde partij] en een locatieverbod. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.196,08 wordt toegewezen, vermeerderd met de proceskosten (reiskosten) en met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.A.J. van der Klaauw, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2019 ter zake van een tweetal mishandelingen en een poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden: ambulante behandeling, alcoholverbod, contactverbod met de heer [benadeelde partij] en meewerken aan het aflossen van schulden. Ten aanzien van deze bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen. Voorts heeft de rechtbank de teruggave aan verdachte gelast van inbeslaggenomen kleding.

De rechtbank heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 5.388,58 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- dat:

1.
hij op of omstreeks 03 november 2018 tussen ongeveer 12.00 en 14.00 uur, te en in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij] een kopstoot in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 03 november 2018 tussen ongeveer 12.00 en 14.00 uur, te en in de gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] een kopstoot in het gezicht, althans tegen het hoofd, te geven;

2.
hij op of omstreeks 03 november 2018 tussen ongeveer 16.30 en 18.00 uur, te en in de gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze in het gezicht, althans tegen het hoofd, te stompen en/of te slaan;

3. primair
hij op of omstreeks 03 november 2018 tussen ongeveer 16.30 en 18.00 uur, te en in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- ( meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar de keel/hals en/of het lichaam van die [benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden en/of

- ( meermalen) met dat mes/voorwerp in een arm en/of in een hand van die [benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden en/of

- ( daarbij) (meermalen) tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd: "Ik maak je dood, je gaat eraan, je foto is verspreid, de Russen die komen, wees erop verdacht" en/of "Ik snijd je hals af, we maken jou dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. subsidiair
hij op of omstreeks 03 november 2018 tussen ongeveer 16.30 en 18.00 uur, te en in de gemeente [gemeente] opzettelijk aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten snijverwondingen aan een of meer pees/pezen en/of spier(en) en/of zenuw(en) van zijn linkerhand, waardoor die [benadeelde partij] voortdurend ongeschikt is geworden tot de uitoefening van een deel van zijn beroepsbezigheden, door meermaals althans eenmaal die [benadeelde partij] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linker arm en/of linker hand te steken en/of te snijden;

3. meer subsidiair
hij op of omstreeks 03 november 2018 tussen ongeveer 16.30 en 18.00 uur, te en in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- ( meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar de keel/hals en/of het lichaam van die [benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden en/of

- ( meermalen) met dat mes/voorwerp in een arm en/of in een hand van die [benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. meest subsidiair
hij op of omstreeks 03 november 2018 tussen ongeveer 16.30 en 18.00 uur te en in de gemeente [gemeente] , met voorbedachten rade [benadeelde partij] heeft mishandeld door na kalm beraad en rustig overleg (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in een arm en/of in een hand van die [benadeelde partij] te steken en/of te snijden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging de onder 3 primair tenlastegelegde voorbedachte raad niet bewezen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft veroordeling ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde mishandelingen en de onder 3 primair tenlastegelegde poging doodslag, gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte een alibi heeft, omdat hij zich ten tijde van die feiten in de woning van [getuige 2] bevond.

Oordeel van het hof

Het hof acht het door de verdediging geschetste alibi niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , die zich allen op enig moment die middag in de bewuste woning bevonden, niet eenduidig zijn en dat verdachte, naar hij zelf heeft verklaard, de woning van [getuige 2] die middag tweemaal heeft verlaten. Voorts acht het hof van belang dat het geschetste alibi niet strookt met de verklaringen van aangever en getuige [getuige 7] . Aangever heeft verklaard dat hij verdachte heeft herkend en getuige [getuige 7] heeft verklaard dat verdachte tussen half zes en zes uur bij hem aan de deur was. Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en [getuige 7] te twijfelen.

Ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde opzet, overweegt het hof in het bijzonder nog als volgt. Verdachte heeft meerdere malen met een mes in de richting van de keel/hals van aangever gestoken. Aangever heeft verklaard dat het mes meerdere malen rakelings langs zijn gezicht en hals kwam. Het is een feit van algemene bekendheid dat de keel/hals een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel is. De kans dat een persoon, die met een mes in de keel/hals wordt gestoken, komt te overlijden, dient naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk te worden aangemerkt. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de kans op de dood ook bewust heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat het meermalen steken met een mes in de richting van de keel/hals, gedragingen zijn die naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.

Daar komt nog bij dat verdachte, voorafgaand aan het steken, riep “Ik maak je dood, je gaat eraan!” en “Ik snijd je hals af, we maken je dood”.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot het bewezenverklaarde de navolgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzittingen van 11 juni 2020 en 20 mei 2021 met betrekking tot feit 1 subsidiair.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 november 2018, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018290446 d.d. 12 november 2018, inhoudende als verklaring van

[benadeelde partij] :

Op 3 november 2018 stond ik rond 12:00 op de oprit van mijn huis in [gemeente] . Ik zag dat er twee mannen aan kwamen lopen. Man 1 kwam opeens met versnelde pas recht op mij af. Ik voelde dat man 1 mij bij mijn jas beet had met beide handen. Plots voelde ik dat hij mij een kopstoot gaf. Ik voelde pijn tussen mijn neus en mijn voorhoofd.

Vandaag 3 november 2018, tussen omstreeks 17:00 uur en 18:00 uur, hoorde ik gerommel

aan mijn achterdeur.

Ik zag dat er bij de achterdeur iemand stond. Ik zag dat hij een zwarte muts op had.

Ik kon zijn gezicht goed zien. Ik zag direct dat het om man 1 ging van eerder vanmiddag. Ik ben naar de achterdeur gelopen. Man 1 had nog niks gezegd. Ik dacht dat hij zijn excuses wilde aanbieden. Ik heb mijn achterdeur van slot gedaan. Ik ben vervolgens naar buiten gegaan. Plots voelde ik een dreun op mijn hoofd. Ik zag dat man 1 mij met zijn rechter, gebalde vuist sloeg. Ik voelde dat deze vuistslag op mijn linkeroog terecht kwam. Ik voelde een behoorlijke klap. Ik voelde direct pijn.

Ik ben naar de deur gevlucht. Ik probeerde om de deur dicht te houden. Man 1 bleef aan de klink trekken om de deur te openen en ik trok aan de binnenzijde om mijn deur dicht te krijgen.

Ik hoorde de man schreeuwen: "Ik maak je dood, je gaat eraan! Je foto is verspreid. De Russen die komen, wees erop verdacht”. Hij herhaalde dit meerdere malen. Ik hoorde man 1 zeggen : "Ik snijd je hals af, we maken jou dood".

Het lukte hem om de deur steeds verder open te krijgen. Hij probeerde elke keer naar binnen te komen. Ik zag dat man 1 nog steeds met één (l) hand de deur vast had. Ik zag dat man 1 uit zijn kleding iets pakte. Ik zag direct dat het een mes betrof.

Ik zag dat hij met het mes in de richting van mijn keel ging. Op dat moment zat alleen de deur ertussen, terwijl deze op een kier stond. Ik zag dat man 1 met het mes een zwaaiende

beweging in de richting van mijn keel deed. Ik vermoed dat het mes mij op vijf (5) a tien (10) centimeter na net niet raakte. Ik zag dat de man meerdere malen met het mes in mijn richting zwaaide. Man 1 had zijn arm door de kier van de deur. Hier had hij dus het mes in.

Het mes kwam meerdere malen rakelings langs mijn gezicht en hals.

Ik zag dat het mes in de richting van mijn linkerarm ging. Ik zag dat hij volle vaart en grote snelheid het mes in de richting van mijn linkerarm deed. Ik zag dat het mes mijn linkerarm raakte. Ik voelde plots hevige brandende pijn. Ik wist direct dat ik was geraakt door het mes.

Ik zag dat de arm van de man iets terugging. Ik zag het mes vervolgens in de richting van mijn linkerhand gaan. Ik zag dat het mes in mijn hand terechtkwam. Ik zag dat hij meerdere malen stak in mijn linkerhand. Ik voelde direct hevige brandende pijn.

Ik en [getuige 5] hebben gezien dat de man mijn erf verliet en in de richting van het Turks Centrum liep.

3. Een verslag van de Spoedeisende Hulp Ziekenhuislocatie Scheper van 3 november 2018, van P. Mossel, arts-assistent, opgenomen op pagina 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als zijn verklaring:

Lichamelijk onderzoek

Hematoom van het ooglid links

Hand links:

Drie insteekwonden van de linkerhand, waarvan één diepere wond op de dorsale zijde

van de handpalm tussen duim en dig-2 van circa 3 cm.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2018, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op zaterdag 3 november omstreeks 16:54 kregen wij de opdracht om te gaan naar de [adres] in [gemeente] . Aldaar zou een persoon zijn die in zijn hand en arm gestoken zou zijn. Het slachtoffer zou zijn meneer [benadeelde partij] zijn.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 november 2018, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 5] :

Gisteren, zaterdag 3 november 2018, omstreeks 12.30 - 12.45 uur, zou mijn dochter [getuige 6] met twee van haar kinderen bij mij komen om samen boodschappen te gaan doen. Op een gegeven moment ging ik naar buiten en zag daar mijn dochter met een ander meisje. Verder zag ik dat twee mannen achter mijn dochter aanliepen. Man 1 was een kale man. [getuige 6] liep met dat meisje mijn woning binnen en die twee mannen liepen erachteraan. Binnen gekomen vroeg ik [getuige 6] wat er aan de hand was. Ik hoorde dat [getuige 6] zei dat ze eraan was komen lopen. Ze had die 2 mannen zien staan, samen met het meisje en [benadeelde partij] . [benadeelde partij] (naar het hof begrijpt: aangever) is een overbuurman van mij. Volgens [getuige 6] gaf de kale man [benadeelde partij] een kopstoot.

Omstreeks 16.45 uur kwamen wij weer in mijn auto aanrijden.

Door de drukte moest ik mijn auto ongeveer bij [benadeelde partij] voor de deur parkeren. Ik had

net de klep van de auto open en toen kwam [benadeelde partij] aanrennen. Hij riep: Bel de politie

en de ambulance, die gek heeft mij gestoken. Ik zag dat [benadeelde partij] vanachter zijn woning

vandaan kwam. Ik zag dat er een man wegliep vanachter de woning van [benadeelde partij] . Die man

leek op de kale man, maar deze had een muts op. Ik herkende hem aan zijn silhouet.

[benadeelde partij] was inderdaad gestoken, althans ik zag bloed en een steekwond in zijn hand. Ook zag ik bloed op zijn arm.

Ik zag dat de man met de muts achter de woning van [benadeelde partij] vandaan kwam. Ik zag dat hij in de richting van de [adres] liep.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 november 2018, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 6] :

Die man met dat kale hoofd gaf een kopstoot aan die man.

Toen we terugkwamen van boodschappen doen, we zagen de man die de kopstoot had gekregen; hij zat onder het bloed en hij was gestoken door de man met het kale hoofd. We zagen ook een man weglopen, hij had iets op zijn hoofd, mijn moeder dacht een muts, hij leek er wel op, op die man met dat kale hoofd.

Mijn moeder heeft het alarmnummer gebeld om tien voor vijf, dus reken maar kwart voor vijf dat wij terugkwamen van het boodschappen doen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 november 2018, gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 7] :

Op 3 november 2018 tussen half 6 en 6 uur kwam [verdachte] bij mij aan de deur.

Ik vond het raar dat hij op de avond kwam.

Toen hoorde ik dat hij op opgewonden toon zei: “Ik heb hem helemaal in elkaar geslagen. Ik heb hem gesneden en geprikt. Ik had hem de strot moeten doorsnijden”. Hij vertelde toen dat hij bij hem aan de deur stond en dat hij gelijk had geslagen. Hij had het over een meisje.

Hij draagt soms ook een wollen mutsje. Een donkergroene en soms een zwarte.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 januari 2019, gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 7] :

Ik heb naar alle eerlijkheid mijn verklaring tegen [verdachte] afgelegd.

[verdachte] heeft mij verteld wie hij had gestoken. Hij had het over die pedo, een oude man met dat meisje. Hij vertelde dat hij toen gevlucht was en dat hij hem had gestoken. Er was overal bloed. [verdachte] vertelde dat het net gebeurd was.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.subsidiair
hij op 3 november 2018 tussen ongeveer 12.00 en 14.00 uur, te en in de gemeente [gemeente]

[benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] een kopstoot in het gezicht te geven.

2.
hij op 3 november 2018 tussen ongeveer 16.30 en 18.00 uur, te en in de gemeente [gemeente]

[benadeelde partij] heeft mishandeld door deze in het gezicht te stompen.

3.primair

hij op 3 november 2018 tussen ongeveer 16.30 en 18.00 uur, te en in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet,

- meermalen met een mes naar de keel/hals van die [benadeelde partij] heeft gestoken en

- meermalen met dat mes in een arm en in een hand van die [benadeelde partij] heeft gestoken en

- daarbij tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd: "Ik maak je dood, je gaat eraan, je foto is verspreid, de Russen die komen, wees erop verdacht" en "Ik snijd je hals af, we maken jou dood",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde levert op:

telkens:

mishandeling.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft het hof gelet op de navolgende rapportages:

- een pro justitia rapport opgemaakt door de forensisch psychiater M.A. Westerborg van 19 november 2020;

- een pro justitia rapport opgemaakt door de GZ-psycholoog J.M. de Jonge van 18 november 2020;

- een pro justitia rapport opgemaakt door de psychiater M.R. Weeda van 19 april 2019;

- een pro justitia rapport opgemaakt door de GZ-psycholoog E.C. Aarnink van 4 april 2019.

In voornoemde rapportages adviseren de respectieve psychologen en psychiaters verdachte het feit in verminderde mate toe te rekenen. Daarbij wordt in verschillende rapportages opgemerkt dat verdachte alleen het onder 1 tenlastegelegde feit heeft bekend en dat het derhalve niet mogelijk is een uitspraak te doen over de feiten 2 en 3.

De rapporten van 19 april 2019 en 19 november 2020 houden in dat bij verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) naast een beperkte neurocognitieve stoornis door hersentrauma. Tevens is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en antisociale kenmerken naast een stoornis in alcohol- en cocaïnegebruik. In gelijke zin wordt gerapporteerd in de rapporten van 4 april 2019 en 18 november 2020. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren alle stoornissen actueel, met uitzondering van de stoornis in cocaïnegebruik die reeds jaren in remissie is. Door de PTSS was verdachte hyperalert en prikkelbaar en reageerde hij op een door hem vermeende dreiging door in een vechtmodus te schieten en tot actie over te gaan. Door het gebruik van alcohol was verdachte impulsiever en minder in staat om de situatie adequaat te overzien. De neurocognitieve stoornis speelde een vergelijkbare rol; verdachtes mentale flexibiliteit is beperkt en zijn neurocognitieve stoornis beperkte verdachte aldus in het snel adequaat overzien van de situatie en inschatten van de dreigingen en nodige actie. De genoemde persoonlijkheidsstoornis maakt dat verdachte toch al eerder geneigd is situaties als dreigend in te schatten en anderen niet te vertrouwen. Dit maakt verdachte impulsiever en eerder geneigd om het recht (middels agressie) in eigen hand te nemen.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat alle feiten geweldsfeiten betreffen die op dezelfde dag en jegens hetzelfde slachtoffer begaan zijn, is het hof van oordeel dat verdachte niet alleen ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit, maar tevens ten aanzien van de onder 2 en 3 primair bewezenverklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft het slachtoffer [benadeelde partij] op meerdere momenten op één dag mishandeld en geprobeerd hem met een mes te doden. Aan het begin van de middag heeft verdachte [benadeelde partij] , die op dat moment zijn hond uitliet, ogenschijnlijk uit het niets, een kopstoot gegeven. Later die middag is verdachte naar de achterdeur van het huis van het slachtoffer gegaan. Aldaar heeft verdachte het slachtoffer eerst in zijn gezicht gestompt. Daarna heeft verdachte een mes tevoorschijn gehaald, waarmee hij meerdere malen in de richting van de keel/hals van het slachtoffer heeft gestoken en hem meerdere malen in zijn linkerhand heeft gestoken.

Het jegens het slachtoffer toegepaste geweld kent geen enkele rechtvaardiging. Verdachte heeft verklaard dat hij meende dat het slachtoffer een jong meisje wat aandeed en dat hij daarom meende te moeten reageren met een kopstoot. Er is geen enkele aanwijzing dat die veronderstelling van verdachte juist was. Uit hetgeen het slachtoffer ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat de ongefundeerde beschuldiging van verdachte het slachtoffer ook veel leed heeft toegebracht.

Wat de beweegredenen van verdachte waren om later in de middag opnieuw de confrontatie met het slachtoffer te zoeken, is niet bekend geworden. Wel kan worden gesteld dat het geweld jegens het slachtoffer qua intensiteit is toegenomen. De mishandelingen en het steken met het mes zijn voor het slachtoffer zeer angstige momenten zijn geweest. Uit de slachtoffer verklaringen blijkt dat het door verdachte uitgeoefende geweld destijds, en nog immer, een grote impact op het leven van het slachtoffer heeft. Het slachtoffer voelt zich nog steeds niet veilig in zijn woning en door het steekincident durft de familie van het slachtoffer niet bij het slachtoffer thuis te komen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde delict heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het volgende:

* Het onder 3 primair bewezenverklaarde feit is een zeer ernstig feit. Het steken met het mes had veel ernstiger gevolgen kunnen hebben voor het slachtoffer waarbij het slachtoffer zelfs kon vrezen voor zijn leven.

* De omstandigheid dat het hier gaat om een delict waardoor de rechtsorde wordt geschokt en een dergelijk delict in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg pleegt te brengen.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 april 2021 waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk ter zake misdrijven is veroordeeld.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:

* De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

*De psychische problematiek waaronder verdachte gebukt gaat en de omstandigheid dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

* De omstandigheid dat verdachte vanaf 17 oktober 2019 tot 14 mei 2020 opgenomen is geweest op de high intensive care van de FPK Drenthe. Na behandeling is verdachte met een lopende zorgmachtiging ontslagen uit de kliniek en overgedragen naar het ACT te [gemeente] . Zijn urinecontroles zijn goed. Verdachte is goed in beeld en er is sprake van toenemend besef dat hij zijn medicatie (depotmedicatie) nodig heeft en ook behandeling bij de AFPN in [gemeente] . Er lijkt sprake te zijn van ziektebesef waarbij verdachte het belang van zijn depotmedicatie inziet.

De reclassering heeft meerdere malen omtrent verdachte gerapporteerd. Het meest recente rapport is gedateerd 7 mei 2021. De reclassering adviseert aan verdachte in het kader van een voorwaardelijke veroordeling bijzondere voorwaarden op te leggen. Binnen het huidige kader met bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, laat verdachte zien dat hij na zijn ontslag uit de FPK de afspraken en voorwaarden na wil en kan komen. Het kader bevat voldoende handvatten voor behandelverplichting, controle, monitoring en gedragsverandering. De reclassering acht het van belang dat de eventueel op te leggen proeftijd langer wordt dan gebruikelijk, om zo de continuïteit van de behandelverplichting, de medicatie, het middelenverbod en de monitoring te kunnen waarborgen en te voorkomen dat verdachte te vroeg uit zorg zou gaan, waarmee het recidivegevaar zou toenemen.

Alles afwegende acht het hof gelet op het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving een gevangenisstraf van dertig maanden passend en geboden. Het hof zal een gedeelte van deze straf, te weten vijftien maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van vijf jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de straf zal het hof - zoals door de reclassering geadviseerd - een aantal bijzondere voorwaarden verbinden.

Gelet op de inhoud van de rapportages en hetgeen overigens over verdachte bekend geworden is, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.238,58. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.388,58. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Verdachte is ter zake van het onder 4 tenlastegelegde feit vrijgesproken door de rechtbank. Dit feit is in hoger beroep niet meer aan de orde. Dat geldt tevens voor de ten aanzien van dit feit gevorderde immateriële schade.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade is als volgt opgebouwd: ten aanzien van feit 1 € 350,00 en ten aanzien de feiten 2 en 3 € 5.000. De gevorderde materiele schade betreft een bedrag van € 346,08, daaronder mede begrepen een bedrag van € 23,40 aan reiskosten naar de rechtbank. Deze post dient te worden aangemerkt als proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks tot een bedrag van € 322,68 aan materiële schade heeft geleden. Voorts is het hof van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor genoemde bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.350,00 aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van de hiervoor genoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering voor het overige deel dient te worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voorts is het hof van oordeel dat de door de benadeelde opgevoerde proceskosten bestaande uit reiskosten, te weten een bedrag van € 23,40 voor het reizen naar de zitting bij de rechtbank, € 42,50 aan reiskosten gevorderd ter zitting van de rechtbank van 27 augustus 2019, € 85,80 voor het reizen van en naar de zitting bij het hof d.d. 11 juni 2020 en een bedrag van € 54,06 voor het reizen van een naar de zitting bij het hof d.d. 20 mei 2021, dienen te worden toegewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 36f, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

-betrokkene meldt zich binnen 5 dagen na de uitspraak bij reclassering VNN Drenthe en betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

-betrokkene laat zich behandelen door AFP-GGZ Drenthe of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

- betrokkene zal zich laten opnemen in een zorginstelling voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek, indien de reclassering of een voor indicatie verantwoordelijke instantie dit noodzakelijk acht. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

-betrokkene gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.

-betrokkene gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.

-betrokkene zal op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [benadeelde partij] te [gemeente] , zolang de reclassering dit verbod nodig vindt.

-betrokkene geeft de reclassering toestemming om informatie uit te wisselen met alle voor het toezicht relevante personen.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

kleding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.672,68 (vijfduizend zeshonderdtweeënzeventig euro en achtenzestig cent) bestaande uit

€ 322,68 (driehonderdtweeëntwintig euro en achtenzestig cent) materiële schade en

€ 5.350,00 (vijfduizend driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 205,76 (tweehonderdenvijf euro en zesenzeventig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.672,68 (vijfduizend zeshonderdtweeënzeventig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 322,68 (driehonderdtweeëntwintig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 5.350,00 (vijfduizend driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 63 (drieënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 november 2018.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 3 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.