Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5431

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
19/00438 en 19/00440 t/m 19/00442
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:1054, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers 19/00438, 19/00440, 19/00441 en 19/00442

uitspraakdatum: 1 juni 2021

Uitspraak van de tweeëntwintigste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 maart 2019, nummers AWB 17/6308, AWB 17/6318 en 17/6319 en 17/6320, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekeningen 13 februari 2017, 22 februari 2017, 3 februari 2017 en 2 februari 2017 heeft belanghebbende aangiften in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) ingediend. De volgens deze aangiften verschuldigde bpm is respectievelijk op 14, 23, 7 en 6 februari 2017 voldaan.

1.2.

Met dagtekening 8 en 9 maart 2017 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2017 het bezwaar in de zaak met de hogerberoepsnummers 19/00438 gegrond verklaard en het bezwaar in de zaak met het hogerberoepsnummer 19/00441 ongegrond. In de zaken met de hogerberoepsnummers 19/00440 en 19/00442 zijn de bezwaren bij uitspraken van 17 en 19 oktober 2017 gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 13 april 2021. Namens belanghebbende is [A] verschenen, bijgestaan door [B] . Van de zijde van de Inspecteur is [C] verschenen, bijgestaan door [D] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

Hoger beroep met nummer 19/00438

2.1.

Belanghebbende heeft de aangifte bpm, met dagtekening 13 februari 2017, ingediend ter zake van de registratie van een Renault Clio (auto 1). De verschuldigde bpm is met behulp van de afschrijvingstabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna de Uitvoeringsregeling) berekend op € 360. De bpm is op 14 februari 2017 voldaan. De tenaamstelling en de registratie met kenteken [kenteken1] heeft plaatsgevonden op 6 april 2017.

2.2.

Met dagtekening 18 oktober 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar wegens het toepassen van een extra leeftijdskorting gegrond verklaard en een teruggaaf van € 8 verleend. Een rente- en een proceskostenvergoeding zijn niet toegekend.

Hoger beroep met de nummers 19/00440, 19/00441 en 19/00442

2.3.

Belanghebbende heeft in België drie gebruikte schadeauto’s gekocht. Het gaat om een VW Tiguan (auto 2, hoger beroep met nummer 19/00440), een Audi Q3 (auto 3, hoger beroep met nummer 19/00441) en een BMW 1-serie Cabrio 118i Executive (auto 4, hoger beroep met nummer 19/00442). De verschuldigde bpm is voor deze drie auto’s met behulp van een taxatie berekend. Bij elke aangifte is een taxatierapport gevoegd. De auto’s zijn getaxeerd naar de staat waarin deze verkeerde bij de opname van de taxateur op 21 januari 2017 (auto 2), op 3 februari 2017 (auto 3) en op 1 februari 2017 (auto 4). In de taxatierapporten is vermeld dat de betreffende auto schade heeft. De taxateur heeft de kosten van herstel van die schade gecalculeerd en als schade in de rapporten opgenomen. De handelsinkoopwaarde is berekend door aan de hand van de vraagprijzen van drie referentievoertuigen de handelsinkoopwaarde van een soortgelijke, in Nederland geregistreerde gebruikte personenauto in onbeschadigde staat vast te stellen. De handelsinkoopwaarde zonder schade is daarmee berekend op 80% van de gemiddelde vraagprijs van de drie referentieauto’s. Door deze waarde te verminderen met het bedrag van 100% van de gecalculeerde schade is de handelsinkoopwaarde vastgesteld. Voor de drie schadeauto’s zijn de gegevens als volgt:

kenteken

datum aangifte

schade

datum tenaamstelling

berekende bpm aangifte

datum voldoening

2

[kenteken2]

22-02-2017

€ 15.042

14-08-2017

€ 293

23-02-2017

3

[kenteken3]

03-02-2017

€ 25.933

04-05-2017

€ 293

07-02-2017

4

[kenteken4]

02-02-2017

€ 15.111

27-02-2017

€ 411

06-02-2017

De historische nieuwprijzen van de auto’s zijn:

  • -

    Auto 2: € 48.940

  • -

    Auto 3: € 50.278

  • -

    Auto 4: € 47.853

De historische bruto bpm van de auto’s is:

  • -

    Auto 2: € 14.394

  • -

    Auto 3: € 6.426

  • -

    Auto 4: € 8.187

De door belanghebbende gehanteerde cijfermatige onderbouwing van de door haar bij de aangifte gehanteerde handelsinkoopwaarde:

  • -

    Auto 2: 80% van de gemiddelde van de handelsinkoopwaarden van drie referentievoertuigen (€ 14.995, € 15.350 en € 15.750) = € 80% van € 15.365 = € 12.292 minus 100% schade (€ 15.042) = negatief. Handelsinkoopwaarde getaxeerd op € 1.000.

  • -

    Auto 3: 80% van de gemiddelde van de handelsinkoopwaarden van drie referentievoertuigen (€ 33.950, € 35.900 en € 35.995) = 80% van € 35.282 = € 28.224 minus 100% schade (€ 25.933) = € 2.291

  • -

    Auto 4: 80% van de gemiddelde van de handelsinkoopwaarden van drie referentievoertuigen ( € 20.890, € 21.900, en € 22.895) = 80% van € 21.895 = € 17.516 minus 100% schade (€ 15.111) = € 2.405

2.4.

Met dagtekening 17 oktober 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar ter zake van auto 2 (VW Tiguan) wegens een gunstiger tussentarief gegrond verklaard en een teruggaaf van € 23 verleend. Een proceskostenvergoeding is niet toegekend.

2.5.

Met dagtekening 18 oktober 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar ter zake van auto 3 (Audi Q3) ongegrond verklaard.

2.6.

Met dagtekening 19 oktober 2017 heeft de Inspecteur wegens de door hem toegepaste leeftijdskorting het bezwaar ter zake van auto 4 (BMW Cabrio) gegrond verklaard en een teruggaaf van € 8 verleend. Een proceskostenvergoeding is niet toegekend.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of:

  • -

    de hoogte van het geheven griffierecht in strijd is met het Unierecht,

  • -

    sprake is van een in strijd met het Unierecht vermeend verschil in heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige auto’s en belanghebbende in verband daarmee aanspraak kan maken op een rentevergoeding wegens de vooruitbetalingsverplichting van de bpm,

  • -

    de Rechtbank en het Hof bevoegd zijn uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht,

  • -

    de Inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft geschonden,

  • -

    voor de Renault Clio de toepassing van de in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling voorziene afschrijvingstabel (hierna: forfaitaire tabel) in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU),

  • -

    voor de VW Tiguan (auto 2), de Audi Q3 (auto 3) en de BMW Cabrio (auto 4) het bepaalde in de onderdelen 3.4 en 3.5 van bijlage I van de Uitvoeringsregeling bpm (hierna: bijlage I) in strijd is met artikel 110 VWEU,

  • -

    voor de Audi Q3 (auto 3) recht bestaat op vermindering van bpm wegens extra leeftijdskorting,

  • -

    de Inspecteur bij vermindering van de verschuldigde bpm van rechtswege en zonder een daartoe ingediend verzoek verplicht is aan belanghebbende een passende rentevergoeding toe te kennen,

  • -

    belanghebbende bij gegrondverklaring van het hoger beroep aanspraak kan maken op een rentevergoeding over het betaalde griffierecht,

  • -

    belanghebbende recht heeft op (integrale) vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van de bezwaren, het beroep en het hoger beroep, en

  • -

    de Rechtbank het om een wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediende verzoek tot een immateriële schadevergoeding in dezelfde samenstelling had moeten beoordelen als de inhoudelijke zaak.

3.2.

Belanghebbende stelt voorts dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding voor immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in beroep en in hoger beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Hoogte griffierecht

4.1.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar onder meer het arrest Kantarev (HvJ EU 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807) gesteld dat zowel de Rechtbank als het Hof te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij de onderhavige geschillen. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierechten worden geheven dan 4% van de vordering die voorwerp is van geschil. Dit betoog slaagt niet op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van € 333 per beroep en door het Hof een griffierecht van € 519 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven haar financiële situatie of gelet op het bepaalde in artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering van het verschuldigde griffierecht.

Vooruitbetaling bpm en vergoeding van rente

4.2.

Belanghebbende stelt dat de bpm op de onderhavige auto’s in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting (veel) eerder plaats (moeten) vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt (de registratie in het kentekenregister). Die stelling faalt. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt, noch om van die belastingplichtigen te eisen dat bij de voldoening ervan rekening wordt gehouden met de staat waarin het motorrijtuig op het tijdstip van registratie verkeert indien die staat van belang is voor de hoogte van de belastingheffing. Het wettelijke systeem en ook de praktijk in Nederland dwingen de belanghebbende niet om het motorrijtuig eerder te naam te stellen en bpm te voldoen dan op het moment waarop het motorrijtuig geschikt is (gemaakt) om te worden toegelaten tot gebruik van de weg in Nederland. Het is niet onredelijk om van de belastingplichtige die om uitreiking van een aangiftebiljet voor de bpm verzoekt, te verlangen dat deze het motorrijtuig eerst bij de RDW aanmeldt voor inschrijving in het kentekenregister en dat het voldoen van bpm pas mogelijk wordt wanneer de RDW het motorrijtuig heeft geïdentificeerd en daarvoor een kenteken heeft opgegeven (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415). Verder is van belang dat de vraag of de Belastingdienst terecht het fiscaal akkoord niet geeft zolang de bpm voor het desbetreffende motorrijtuig niet is voldaan, niet ter beoordeling staat van de belastingrechter (vgl. HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:507). Dit betekent dat de omstandigheid dat de bpm moet worden vooruitbetaald geen aanleiding is voor een rentevergoeding.

Uitleg Unierecht

4.3.

Belanghebbende stelt -zakelijk weergegeven- dat de Rechtbank en het Hof onbevoegd zijn om het Unierecht uit te leggen, omdat uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie daartoe bevoegd is. Dit betoog faalt. Op grond vaste jurisprudentie is het de taak van de nationale rechter de volledige werking van het Unierecht te verzekeren (vgl HvJ EU 14 september 2014, ECLI:EU:C:2017:687), terwijl de rechter in belastingzaken op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Daar waar aan de orde is de nationale rechter dus niet alleen bevoegd, maar ook gehouden het Unierecht te interpreteren en toe te passen. Rechtbank en Hof zijn, als niet in hoogste instantie oordelende rechterlijke instanties, op grond van artikel 267 VWEU in voorkomend geval wel bevoegd, maar niet verplicht een Unierechtelijk geschilpunt voor te leggen aan het Hof van Justitie EU, ook niet als het rechtsvorming zou betreffen waarover dat Hof (nog) niet heeft geoordeeld. De andersluidende conclusie die belanghebbende trekt uit het arrest Hans Åkerberg Fransson (HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:105) berust op een onjuiste lezing van dat arrest. Het Hof ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.

Verdedigingsbeginsel

4.4.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur haar onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld haar standpunten toe te lichten, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Belanghebbende heeft de door haar berekende bpm op aangifte voldaan en daartegen vervolgens bezwaar gemaakt. Voor elk van de onderhavige auto’s heeft in verband met dat bezwaar een hoorgesprek plaatsgevonden met belanghebbendes gemachtigde. Verder heeft de Inspecteur voorafgaand aan het doen van de uitspraken een voornemen gezonden waarbij hij belanghebbendes gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te reageren. Gelet op het voorgaande is het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet geschonden.

Toepassing forfaitaire tabel Renault Clio

4.5.

Belanghebbende stelt dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel niet uitsluit dat de heffing van bpm ter zake van de Renault Clio hoger uitvalt dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Op grond van artikel 10, achtste lid, van de Wet BPM in samenhang gelezen met artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM kan de opgaaf van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van die waardedaling, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM, bestaan uit ofwel i) een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel ii) een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van een van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel (vgl. HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666). Met dit wettelijke systeem, waarin de vermindering (afschrijving) kan worden bepaald aan de hand van – kort gezegd – een taxatie, een koerslijst of de forfaitaire tabel, wordt het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod, naar het oordeel van het Hof, geëerbiedigd. Door de keuzemogelijkheid uit deze drie instrumenten is immers gewaarborgd dat bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking wordt genomen, dan wel een waarde wordt geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.

Voorwaarden taxatierapport in Bijlage 1

4.6.

Belanghebbende stelt voor de VW Tiguan, de Audi Q3 en de BMW Cabrio dat het bepaalde in onderdeel 3.4 van bijlage I in strijd is met artikel 110 VWEU. De verplichting om voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde uit te gaan van een gemiddelde waarde van drie tot vijf referentievoertuigen strookt niet, aldus belanghebbende, met de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU waarin is geoordeeld dat artikel 110 VWEU zich verzet tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto. Door uit te gaan van een gemiddelde waarde wordt, aldus nog steeds belanghebbende, niet uitgesloten dat voor de onderhavige ingevoerde auto’s meer bpm wordt geheven dan de bpm die nog rust op de waarde van gelijksoortige, reeds in Nederland geregistreerde auto’s.

4.7.

Voor de VW Tiguan heeft belanghebbende in deze procedure geen belang bij die stelling, aangezien bij deze auto niet is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde die is bepaald op basis van een gemiddelde handelsinkoopwaarde van referentievoertuigen, maar van een door de taxateur geschatte (rest)waarde van € 1.000. Het in artikel 3.4 vervatte voorschrift is met andere woorden bij deze auto niet toegepast.

4.8.

Voor de Audi Q3 bepleit belanghebbende dat voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde de laagste waarde van de referentievoertuigen als uitgangspunt moet worden genomen en dat vervolgens die waarde moet worden verminderd met het volledige schadebedrag. Naar het oordeel van het Hof moet de maatstaf voor de staat van een motorrijtuig worden beoordeeld naar de toestand op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt (vgl. HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695). Nu belanghebbende geen verklaring heeft ingebracht waaruit blijkt dat de auto zich in ongewijzigde staat bevond op het moment van registratie, hetgeen de Inspecteur haar tegenwerpt, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat voor de Audi Q3 te veel bpm is geheven, zodat haar beroep op de onverbindendheid van het in artikel 3.4 vervatte voorschrift reeds hierom niet slaagt. Hierbij wijst het Hof erop dat artikel 110 VWEU zich niet verzet tegen deze bewijslastverdeling (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63).

4.9.

Voor de BMW Cabrio zal het Hof veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat het betoog van belanghebbende juist is en dat onderdeel 3.4 van bijlage 1 onverbindend is en dat belanghebbende mag uitgaan van de laagste handelsinkoopwaarde van de in de taxatierapporten gebruikte referentievoertuigen. Voor de BMW Cabrio betekent dit een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 16.712 (€ 20.890 x 80%) in plaats van € 17.516 ((€ 20.890, € 21.900, en € 22.895= € 65.685):3 = € 21.895 x 80%). Een verschil derhalve van € 804.

4.10.

De Inspecteur heeft zich erop beroepen dat dit niet ertoe leidt dat belanghebbende in het gelijk moet worden gesteld. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende namelijk ten onrechte 100% van de geraamde herstelkosten als waardevermindering in aanmerking genomen. Op grond van artikel 3.5 van Bijlage I moet dat volgens de Inspecteur 72% zijn. Alsdan heeft belanghebbende volgens de Inspecteur eerder te weinig dan te veel bpm op aangifte voldaan. In dat verband heeft de Inspecteur zich uitdrukkelijk en ondubbelzinnig beroepen op toepassing van ‘interne compensatie’.

4.11.

Anders dan belanghebbende betoogt, is het Hof van oordeel dat ‘interne compensatie’ in het kader van de voldoening op aangifte van bpm per auto – dus niet tussen de auto’s onderling – is toegestaan. Het Hof verwijst voor de gronden daartoe naar zijn uitspraak van 16 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2545, overwegingen 4.16 en 4.17.

4.12.

Op grond van onderdeel 3.5 van de bijlage 1 geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Op de belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan een auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan 72% van het schadebedrag (vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084). In zoverre belanghebbende betoogt dat deze bepaling in strijd komt met het Unierecht en daarom onverbindend is, faalt dit betoog. Het Hof verwijst daarvoor naar de conclusie van A-G Wattel van 22 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:276 onderdeel 7, waarmee het Hof zich verenigt.

4.13.

Het Hof acht belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van de schade meer dan 72% van de geraamde herstelkosten bedraagt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het in het taxatieverslag opgenomen beeldmateriaal en de daarin opgenomen schadecalculatie niet voldoende om een hogere waardevermindering in aanmerking te nemen. Dit betekent dat belanghebbende voor de BMW Cabrio € 4.231 te veel aan schade in aanmerking heeft genomen. Dit bedrag is ruimschoots toereikend om het onder 4.9 vermelde verschil intern te compenseren, zoals door de Inspecteur is bepleit.

Passende rentevergoeding bij vermindering verschuldigde bpm

4.14.

Belanghebbende maakt aanspraak op een passende rentevergoeding over de op grond van het Unierecht onverschuldigd betaalde bpm. Volgens belanghebbende vloeit het recht op vergoeding van rente – over de gehele termijn waarover zij niet over de onverschuldigd betaalde belasting heeft kunnen beschikken – rechtstreeks uit het Unierecht voort, zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag behoeft te worden gelegd. Dit betoog slaagt niet op de gronden als vermeld in de rechtsoverwegingen 66 tot en met 69 van het arrest Sole-Mizo (HvJ EU 23 april 2020, ECLI:EU:C:2020:292). Het vereiste dat belanghebbende voor de vergoeding van ‘Irimie-rente’ op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 een afzonderlijk verzoek moet indienen bij de Ontvanger levert derhalve geen strijd op met de Unierechtelijke vereisten van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid.

4.15.

Indien het Hof moet verstaan dat in het betoog van belanghebbende de aanspraak op vergoeding van belastingrente besloten ligt, faalt dit betoog eveneens. Artikel 30ha, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) regelt dat er ook belastingrente wordt vergoed als er recht ontstaat op een teruggaaf die verband houdt met een eerder door de Inspecteur ingenomen standpunt over de hoogte van de verschuldigde belasting. Het betreft hier uitsluitend situaties waarin de belanghebbende het niet eens is met de hoogte van de aangifte- en afdrachtverplichting die het gevolg is van het standpunt van de Inspecteur en daarom bezwaar maakt tegen de eigen aangifte (zie Kamerstukken II, 2011-2012, 33 003, nr. 3, p. 128). De onderhavige in bezwaar verleende teruggaven van bpm houden geen verband met een door de Inspecteur voorafgaand aan de aangiftes ingenomen standpunt. Er bestaat daarom geen recht op belastingrente op grond van artikel 30ha van de AWR.

Proceskosten bezwaarfase

4.16.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur in de zaken waarin het bezwaar gegrond is verklaard (Renault Clio (auto 1), VW Tiguan (auto 2) en de BMW Cabrio (auto 4)) ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend en verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Gelet op de reden van gegrondverklaring, te weten toepassing van extra leeftijdskorting (Renault Clio en BMW Cabrio) respectievelijk een gunstiger tussentarief (VW Tiguan), is geen sprake van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Het met de leeftijdskorting samenhangende tijdsverloop tussen het moment van aangifte en het moment van registratie heeft belanghebbende zelf in de hand, waarbij heeft te gelden dat heffing voorafgaand aan het belastbare feit is toegestaan (vgl. Hoge Raad van 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:64 en HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415). Met het ten aanzien van de VW Tiguan vermelde aspect had belanghebbende bij het doen van aangiftes zelf rekening kunnen houden. Op grond van het voorgaande heeft de Inspecteur terecht geen kostenvergoeding voor bezwaar toegekend. Belanghebbendes beroep op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603 is evenmin aanleiding voor een kostenvergoeding, nu in de onderhavige zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen van de wetgever dat voor rekening van de Inspecteur moet komen.

Redelijke termijn vergoeding immateriële schade

4.17.

Belanghebbende heeft het Hof ten slotte verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in beroep en in hoger beroep. Voor de berechting van de zaak in beroep en in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat de Rechtbank en het Hof uitspraak doen binnen twee jaar nadat bezwaar is gemaakt respectievelijk hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De bezwaarschriften zijn op 8 en 9 maart 2017 ontvangen. De Rechtbank heeft overeenkomstig haar ter zitting van 1 maart 2019 gedane aankondiging op 7 maart 2019 in het openbaar uitspraak gedaan. Een afschrift van de uitspraak is op 12 maart 2017 aan partijen verzonden. Het Hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden. Wat betreft het hoger beroep is het Hof van oordeel dat de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die een verlenging van de termijn met vier maanden rechtvaardigt. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen. Het hoger beroep is op 8 april 2019 ontvangen en het Hof doet heden uitspraak, zodat de redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade.

Rentevergoeding over het griffierecht

4.18.

Nu het hoger beroep ongegrond is, behoeft de grief van belanghebbende betreffende een rentevergoeding over het griffierecht geen behandeling.

Slotsom
Op grond van hetgeen is overwogen is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.

De griffier is verhinderd De voorzitter,

te ondertekenen.

(J.W. Keuning)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 juni 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.