Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5429

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
19/00013
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:5366, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering. Verrekening. Mededeling over verrekening is geen besluit waartegen beroep openstaat bij de bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-6-2021
FutD 2021-1858 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2021/1433
V-N 2021/37.1.5
FutD 2021-1858
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00013

uitspraakdatum: 1 juni 2021

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 december 2018, nummer AWB 18/3263, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Landelijk incasso centrum (hierna: de Ontvanger) en

de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming, hierna: de Staat)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Ontvanger heeft in een mededeling aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat hij aan belanghebbende uit te betalen termijnen heeft verrekend met een openstaande belastingschuld. Hierna resteerde nog een openstaande belastingschuld.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen die verrekening.

1.3.

Belanghebbende is, na de Ontvanger in gebreke te hebben gesteld, in beroep gekomen bij de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de verrekening. Voorts heeft hij de Rechtbank verzocht een dwangsom vast te stellen.

1.4.

De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2020. Belanghebbende is met kennisgeving niet verschenen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die aan deze uitspraak is gehecht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat eveneens aan deze uitspraak is gehecht.

1.7.

Belanghebbende heeft met dagtekening 7 februari 2021 en 27 mei 2021 nog nadere stukken ingediend. Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te heropenen en laat deze verder buiten beschouwing. De stukken zijn aan deze uitspraak gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Met dagtekening 16 januari 2017 is een eerste voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) 2017 vastgesteld naar een door belanghebbende te ontvangen bedrag van € 1.931.

2.2.

Met dagtekening 8 september 2017 is een tweede voorlopige aanslag IB voor het jaar 2017 vastgesteld op € 0, waarmee de eerste voorlopige aanslag IB 2017 volledig is teruggedraaid. Aldus is belanghebbende op deze tweede voorlopige aanslag IB per saldo een bedrag van € 1.931 aan belasting verschuldigd.

2.3.

De Ontvanger heeft bij mededeling van 12 september 2017 meegedeeld dat de op de tweede voorlopige aanslag IB 2017 openstaande schuld van € 1.931 door verrekening met € 643 is verminderd. Het verrekende bedrag betreft (een deel van) het door belanghebbende op de eerste voorlopige aanslag IB 2017 te ontvangen bedrag. Hierna resteerde een openstaande belastingschuld van € 1.288, die belanghebbende voor 31 december 2017 diende te betalen.

2.4.

Belanghebbende heeft met dagtekening 12 september 2017, binnengekomen bij de Ontvanger op 13 september 2017, bezwaar gemaakt tegen (onder meer) deze verrekening.

2.5.

Op 2 april 2018 heeft belanghebbende de aangifte IB 2017 ingediend.

2.6.

Op 23 mei 2018 heeft de Ontvanger een aanmaning verzonden, met betrekking tot de nog openstaande belastingschuld op de tweede voorlopige aanslag IB 2017, die in de mededeling van 12 september 2017 is vermeld (zie 2.3). Voorts zijn aanmaningskosten van € 16 berekend. De uiterste betaaldatum is 6 juni 2018.

2.7.

Belanghebbende heeft op 23 mei 2018, binnengekomen op 24 mei 2018, bezwaar gemaakt tegen de aanmaning van 23 mei 2018 en zijn grieven van het bezwaar van 12 september 2017 herhaald. Verder heeft hij de Ontvanger in gebreke gesteld en hem gemaand binnen twee weken te beslissen op het bezwaar tegen de verrekening van 12 september 2017.

2.8.

Op 8 juni 2018 is een derde voorlopige aanslag IB 2017 vastgesteld, conform de aangifte van belanghebbende. Hieruit vloeit een door belanghebbende te ontvangen bedrag van € 2.254 voort.

2.9.

Belanghebbende heeft op 10 juni 2018 digitaal beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren van 12 september 2017 en 23 mei 2018 betreffende de verrekening. Voorts heeft hij de Rechtbank verzocht een dwangsom vast te stellen.

2.10.

Op 28 juni 2018 heeft de Ontvanger op het bezwaar van 23 mei 2018 beslist. Het bezwaar is gegrond verklaard en de aanmaningskosten zijn vernietigd. Het door belanghebbende te ontvangen bedrag van € 2.254, dat voortvloeit uit de derde voorlopige aanslag IB 2017 (zie 2.8), is met de openstaande schuld van € 1.288 verrekend. In een afzonderlijke brief van 28 juni 2018 heeft de Ontvanger aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat het verzoek om uitbetaling van het bedrag van (€ 2.254 -/- € 1.288 = ) € 966 is afgewezen, omdat dit bedrag met een openstaande belastingschuld op de aanslag IB 2014 is verrekend.

2.11.

Op 5 juli 2018 heeft de Ontvanger uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de verrekening van 12 september 2017. Het bezwaar is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verrekeningsbeschikking een niet voor bezwaar en beroep vatbare beschikking is.

2.12.

Op 15 augustus 2018 heeft belanghebbende de gronden van het beroep aangevuld. Hij stelt dat de derde voorlopige aanslag IB 2017 ten onrechte is verrekend met de aanslag IB 2014.

2.13.

De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de vraag of de Rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard. Voorts is in geschil of de Ontvanger een dwangsom heeft verbeurd.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De Ontvanger is de tegengestelde opvattingen toegedaan.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering kan slechts plaatsvinden voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb). Voor belastingschulden is daarin voorzien in artikel 24 van de Invorderingswet 1990 (hierna: Invorderingswet).

4.2.

In artikel 24, eerste lid, van de Invorderingswet is in onderdeel a - voor zover relevant - bepaald dat de ontvanger bevoegd is aan de belastingschuldige uit te betalen en van de belastingschuldige te innen bedragen ter zake van rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen met elkaar te verrekenen.

4.3.

In artikel 1, tweede lid van de Invorderingswet is bepaald dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 van de Awb niet van toepassing zijn.

4.4.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. In de artikelen 8:2 tot en met 8:6 van de Awb zijn hierover nadere bepalingen opgenomen. De mededeling van 12 september 2017 over een verrekening met een openstaande belastingschuld is geen besluit waartegen beroep openstaat bij de bestuursrechter. In artikel 8:5, eerste lid van de Awb is immers bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb). In die bepaling wordt onder meer de Invorderingswet genoemd, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a van die wet. Dat betekent dat ingevolge de Awb alleen tegen besluiten van de ontvanger op grond van de artikelen 30, 49 en 62a van de Invorderingswet beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Een besluit van de ontvanger over het verrekenen van uit te betalen en te innen bedragen berust echter zoals hiervoor reeds is aangegeven op artikel 24 van de Invorderingswet. Ter zake van een zodanig besluit is de bestuursrechter dus niet bevoegd. Met betrekking tot de verrekeningen kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld (artikel 8:71 van de Awb). Aangezien belanghebbende niet tegen een besluit van de ontvanger tot verrekening kan opkomen bij de bestuursrechter, is het evenmin mogelijk tegen het uitblijven van een beslissing op een daartegen gericht bezwaar, op te komen bij de bestuursrechter. De Rechtbank heeft zich daarom terecht onbevoegd verklaard. Dit betekent dat de Rechtbank zich ook niet kon uitlaten over belanghebbendes verzoek om een dwangsom, nog daargelaten dat de dwangsomregeling in artikel 1, tweede lid, van de Invorderingswet buiten toepassing is verklaard (zie 4.3). Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.

Belanghebbende heeft het Hof ten slotte verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hogerberoepschrift door het Hof is ontvangen (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564). Het Hof ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het hogerberoepschrift is binnengekomen op 3 januari 2019 en het Hof doet heden uitspraak. De redelijke termijn voor de fase van het hoger beroep is daarmee overschreden, met minder dan zes maanden. Dat betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van éénmaal € 500 aan immateriële schade voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4.6.

Nu de overschrijding is toe te rekenen aan de rechter, dient dit bedrag te worden vergoed door de Staat. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Staat dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep die volledig toerekenbaar is aan de rechter, ziet het Hof aanleiding te bepalen dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    gelast dat de Staat aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De voorzitter,

(V.F.R. Woeltjes)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 juni 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.