Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5423

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
21-000434-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepteelt en diefstal van stroom. Bekennende verdachte. Vernietiging wegens andere bewijs- en strafbeslissing. Schending redelijke termijn. Veroordeling tot voorwaardelijke taakstraf van 50 uren, met proeftijd van 1 jaar. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000434-19

Uitspraak d.d.: 2 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2019 met parketnummer 16-157851-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, bestaande uit € 1.701,55 aan materiële schade, heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman,

mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 28 januari 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding, bestaande uit € 1.701,55 aan materiële schade, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijs- en strafbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van 14 mei 2014 tot en met 25 juni 2014 te [plaats1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 400 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.
zij in of omstreeks de periode van 14 mei 2014 tot en met 25 juni 2014 te [plaats2] , gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 299 hennepplanten,

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.
zij in of omstreeks de periode van 14 mei 2014 tot en met 26 juni 2014 te [plaats2] , gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanuit een meterkast (in een pand aan [adres1] ) heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam1] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
zij in de periode van 14 mei 2014 tot en met 25 juni 2014 te [plaats1] , opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt of verwerkt, in een pand aan [adres1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 400 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.
zij in de periode van 14 mei 2014 tot en met 25 juni 2014 te [plaats2] , opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt of verwerkt, in een pand aan [adres2] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 299 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.
zij in de periode van 14 mei 2014 tot en met 26 juni 2014 te [plaats2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanuit een meterkast heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan [naam1] B.V., waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van (in totaal) ongeveer 699 hennepplanten, verdeeld over twee hennepkwekerijen. Het telen van een dergelijke grote hoeveelheid softdrugs staat in relatie tot de illegale handel daarin. Bovendien is algemeen bekend dat frequent gebruik van softdrugs schadelijk kan zijn voor de gezondheid van de gebruikers van die middelen en is naar ervaringsregels bekend dat gebruikers van dergelijke middelen hun drugsgebruik vaak bekostigen door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast aan anderen wordt toegebracht. Verdachte is hier kennelijk aan voorbij gegaan en heeft enkel gedacht aan persoonlijk gewin. Het hof rekent dit verdachte aan.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van stroom. Om de diefstal te bewerkstelligen is de elektriciteitsmeter gemanipuleerd. Afgezien van de schade die aan [naam1] B.V. is toegebracht, brengt manipulatie van de elektriciteitsmeter onder andere brandgevaar met zich.

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is geschonden. Verdachte is in eerste aanleg op 26 juni 2014 in verzekering gesteld en verhoord. De politierechter heeft vonnis gewezen op 28 januari 2019. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met ruim 2 jaar en 7 maanden. Namens verdachte is vervolgens op 28 januari 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 2 juni 2021 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met ruim 4 maanden overschreden, terwijl dit (evenals de overschrijding in eerste aanleg) niet aan verdachte valt toe te rekenen.

Het hof zal de straf die het hof zonder schending van de redelijke termijn zou hebben opgelegd, namelijk een straf die gelijk is aan de door de politierechter opgelegde straf, verminderen. Anders dan het standpunt van de raadsman, is het hof van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet volstaan kan worden met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Alles afwegende zal het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [naam1] B.V. t.a.v. [naam2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.701,55. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [naam1] B.V. t.a.v. [naam2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam1] B.V. t.a.v. [naam2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 1.701,55 (duizend zevenhonderdéén euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam1] B.V. t.a.v. [naam2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.701,55 (duizend zevenhonderdéén euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 juni 2014.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. L.G. Wijma en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,

en op 2 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.