Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5264

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
21-000428-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Kasopstelling. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op 53.008,- en de betalingsverplichting op € 38.673,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000428-20

Uitspraak d.d.: 1 juni 2021

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 17 januari 2020 met parketnummer 18-830167-19 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en door betrokkene en zijn raadsman, mr. A. Allersma, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 64.408,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 53.008,-. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 53.008 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 38.673.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 januari 2020 (parketnummer 18-830167-19) onder meer veroordeeld ter zake van witwassen in de periode van 15 januari 2016 tot en met 6 augustus 2019.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) wederrechtelijk verkregen voordeel zijn. In artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is evenwel bepaald dat aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie - zoals hier het geval is - de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Dit lid bepaalt voorts dat in dat geval (‘indien aannemelijk is….’) kan worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan en voorwerpen die hem zijn gaan toebehoren in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten c.q. aan de verkrijging van de bedoelde voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.

Dat er sprake is geweest van enig, niet nader aan te duiden strafbaar feit in een bepaalde periode, kan duidelijk worden gemaakt aan de hand van een vermogensvergelijking of een eenvoudige kasopstelling. Als daarmee aannemelijk wordt gemaakt dat er sprake is van geld waarvoor geen legale verklaring kan worden gevonden, is dat voldoende om op grond daarvan te kunnen aannemen dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Uit de inhoud van het dossier, waaronder het rapport berekening wederrechtelijk voordeel d.d. 10 november 2019 (opgesteld volgens de methode van een eenvoudige kasopstelling) en het verhandelde ter terechtzitting, volgt dat betrokkene over onverklaarbaar vermogen beschikt, dan wel dat hij daarover heeft beschikt.

Het hof volgt betrokkene niet in de alternatieve verklaring die hij omtrent zijn vermogen en bepaalde inkomsten en uitgaven heeft afgelegd. Daartoe stelt het hof voorop dat de verklaring omtrent inkomsten uit autohandel, de (contante) betaling van kledingstukken en de vakantie die door zijn schoonmoeder zou zijn betaald, geen steun vindt in het dossier en door betrokkene niet is onderbouwd met verklaringen van getuigen noch met andere stukken, zodat die verklaring niet als een concrete, verifieerbare verklaring kan worden aangemerkt. Voorts geldt dat de verklaring van betrokkene over het in zijn woning aangetroffen contante geldbedrag van € 13.410 dat aan de hem bekende [naam] zou toebehoren, welke [naam] ook meerdere malen een deel van de autolease van betrokkene zou hebben betaald, wél door de politie is geverifieerd maar dat daaruit naar het oordeel van het hof geen objectieve aanknopingspunten kunnen worden afgeleid op basis waarvan een begin van aannemelijkheid van de stelling van betrokkene is ontstaan. Het hof schuift de verklaring van betrokkene omtrent de legale herkomst van zijn vermogen gezien het voorgaande als onaannemelijk terzijde.

Het hof gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de berekening uit het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 10 november 2019, het proces-verbaal onderzoek geldstromen [verdachte] d.d. 23 oktober 2019, en het ‘overzicht wederrechtelijk verkregen voordeel’, zoals overgelegd door de officier van justitie ter zitting in eerste aanleg op 13 december 2019. In laatst genoemd overzicht is de berekening op een aantal onderdelen aangepast, in verband met de detentie van betrokkene in 2014 en 2015. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € € 53.008,-.

De berekening luidt:

Groep 1 (vanaf 1-1-2014)

Saldo contanten € 2.690

Groep 2 (vanaf 1-1-2016)

Nibud woonruimte PM

Nibud energie PM

Nibudvervoer(2014-2105) - -

Nibud benzine (2017-2019) PM

Nibud kleding € 2.061

Nibud inventaris € 3.157

Nibud vrije tijd € 2.926

Nibud huishoudelijk € 10.463

Nibud diversen € 636 -

Nibud onbekend € 362 -

€ 17.609

Groep 3 (vanaf 1-1-2014)

Aankoop Ford Focus € 300

Aankoop Volkswagen Passat € 300

Lease Mercedes (6x 725 + 715 contant) € 5.065

Lease Audi A3 € 9.925

Reis Gran Canaria € 2.859

Gevonden geld € 13.410

Contanten doorzoekingen € 850

Drugs PM

€ 32.709

Onverklaarbaar vermogen € 53.008

Onder betrokkene zijn geldbedragen van € 850,- en € 75,- in beslag genomen. Daarnaast is conservatoir beslag gelegd op een bedrag van € 13.410,-. Deze bedragen zijn in het vonnis van de hoofdzaak van 17 januari 2020 verbeurdverklaard. Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank brengt het hof daarom een bedrag van € 14.335,- in mindering op de betalingsverplichting.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Gezien het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 38.673,-.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 53.008,00 (drieënvijftigduizend acht euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 38.673,00 (achtendertigduizend zeshonderddrieënzeventig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 773 dagen.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. W. Geelhoed, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 1 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Geelhoed is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.