Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:522

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
Wahv 200.249.654
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Gezien de drukte achtte de ambtenaar het niet veilig de bestuurder staande te houden. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.249.654/01

CJIB-nummer

: 209952508

Uitspraak d.d.

: 20 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. H.P. Olthof, kantoorhoudende te Leiderdorp.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de officier van justitie geen gelegenheid heeft geboden om de gronden van het beroep in te dienen, zodat de beslissing om die reden niet in stand kan blijven.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift van 24 augustus 2017 gronden heeft aangevoerd tegen de inleidende beschikking. De gemachtigde geeft aan dat dit beroep nog niet volledig is, omdat hij nog niet beschikt over het volledige procesdossier. Vervolgens schrijft hij: "Op grond van voorgaande wenst betrokkene het volledige dossier te ontvangen, om e.a., op uw verzoek, tijdig te staven en een verbale gelegenheid daartoe."

3. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 20 december 2017, waarin staat dat de gemachtigde tijdens een hoorzitting de gelegenheid krijgt om de gronden van beroep aan te vullen en dat hij via het bijgevoegde antwoordformulier dient aan te geven of hij op 23 januari 2018 in persoon wil worden gehoord of de voorkeur geeft aan een telefonische hoorzitting op
23 of 25 januari 2018. Bij die brief zijn ook stukken toegstuurd.

4. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie door de gemachtigde uit te nodigen voor een hoorzitting voldoende gelegenheid heeft geboden om de gronden aan te vullen, in aanmerking genomen dat de gemachtigde in zijn beroepschrift heeft verzocht om een verbale gelegenheid daartoe. Indien de gemachtigde zijn aanvullende gronden schriftelijk had willen indienen, had hij dit ook zonder een daartoe gestelde termijn voorafgaande aan de hoorzitting kunnen doen. De officier van justitie was in dit geval niet gehouden om de gemachtigde een termijn te geven voor het schriftelijk aanvullen van gronden.

5. De bezwaren richten zich verder tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 95,- is opgelegd voor: “als (snor)fietser bij ontbreken (verplicht) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijvoorbeeld rijden op trottoir, voetpad)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 augustus 2017 om 15:33 uur op de Hobbemastraat te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

6. De gemachtigde is van mening dat de sanctie in strijd met artikel 5 van de Wahv is opgelegd. De door de ambtenaar opgegeven reden, de drukte op dat moment, is geen deugdelijke reden om niet tot staandehouding over te gaan. Handhaving is immers juist nodig op drukke momenten. Verder is niet gebleken dat de ambtenaar niet over de middelen beschikte om de betrokkene te kunnen achtervolgen. Bovendien kan deze aanvullende verklaring van de ambtenaar niet als ambtsedige verklaring worden aangemerkt, omdat deze niet is ondertekend. Ook de verklaring in het zaakoverzicht heeft niet te gelden als een ambtsedige verklaring.

7. Het dossier bevat een (niet ondertekend) aanvullend proces-verbaal van 2 december 2017 van de betrokken ambtenaar, waarin hij onder meer het volgende verklaart:

“U vraagt mij waarom er geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Ik kan u hierover vertellen dat de staandehouding niet is gerealiseerd omdat het te druk was met diverse voertuigen. Gezien de drukte en veiligheid voor ons, betrokkenen en omstanders, heb ik geen staandehouding tot stand gebracht.”

8. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

9. Anders dan de gemachtigde, acht het hof het op basis van de verklaring van de ambtenaar wel aannemelijk dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding is geweest. Uit die verklaring volgt dat er sprake was van verkeersdrukte en dat de ambtenaar geen risico’s wilde nemen. De omstandigheid dat de verklaring niet op ambtseed is opgemaakt doet geen twijfel rijzen over de juistheid van die verklaring. Onder de door de ambtenaar geschetste omstandigheden mag een sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

10. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat het hof die beslissing zal bevestigen.

11. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schiijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.