Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5219

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
200.282.829/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof concludeert dat de uithuisplaatsing van het kind niet langer noodzakelijk is en dat hij weer bij zijn moeder kan gaan wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.282.829/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 173031)

beschikking van 27 mei 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.R. Rauwerda te Leeuwarden,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

2. de gezinshuisouder van gezinshuis [C],

wonende te [D] ,

verder te noemen: de gezinshuisouder.

1
1. Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 16 februari 2021 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikkingen van 8 december 2020 en 16 februari 2021.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de GI van 22 april 2021;

- een deskundigenbericht van 6 mei 2021 (hierna: het deskundigenbericht).

1.3

Op 10 mei 2021 is de mondelinge behandeling voortgezet. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [E] (jeugdbeschermer) en mr. M. Lautenbach.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Na de tussenbeschikking van het hof van 16 februari 2021 hebben de daarin benoemde deskundigen het gevraagde onderzoek verricht en de resultaten vastgelegd in het deskundigenbericht van 6 mei 2021.

2.2

Aan het hof ligt nu nog de vraag voor of uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof vindt dat niet meer aan de vereisten daarvoor wordt voldaan en dat de uithuisplaatsing op dit moment dan ook niet meer noodzakelijk is. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

2.3

De moeder vindt dat de tijd rijp is voor terugplaatsing van [de minderjarige] bij haar. Zij denkt dat de overgangsperiode van het gezinshuis naar haar goed zal verlopen als de terugplaatsing naar haar duidelijk wordt gecommuniceerd met [de minderjarige] . Het is niet alleen de wens van de moeder, maar ook de wens van [de minderjarige] om weer thuis te wonen. Zij hebben het erg fijn als zij samen zijn en zij vinden het dan ook moeilijk om afscheid van elkaar te moeten nemen na een verblijf van [de minderjarige] bij de moeder. De moeder begrijpt dat [de minderjarige] en zijzelf hulp nodig hebben om de terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder te kunnen laten slagen. Zij heeft aangegeven dat zij open staat voor hulpverlening. De moeder ervaart de ouderbegeleiding als prettig en zij wil zich vol inzetten voor Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG).

2.4

De GI voert verweer en geeft aan zich te zullen conformeren aan het oordeel van het hof, maar geeft daarbij ook aan zich grote zorgen te maken indien het hof besluit tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Volgens de GI is er verbetering nodig op verschillende punten, vooral op het gebied van de samenwerking van de moeder met de GI. Ook heeft de GI zorgen over de sturing en begrenzing die de moeder aan [de minderjarige] geeft en over de signalen die de moeder aan [de minderjarige] afgeeft over de school waar hij naartoe gaat.

2.5

Het hof sluit voor zijn oordeel aan bij het advies in het deskundigenbericht, waarin is te lezen dat bij de moeder nu sprake is van ‘goed genoeg ouderschap’. De deskundigen adviseren om het woonperspectief van [de minderjarige] toe te wijzen aan de moeder. Volgens de deskundigen is voor de terugplaatsing van [de minderjarige] een stapsgewijs plan nodig en vanaf het eerste moment passende hulp in de thuissituatie bij de moeder, zoals IAG.

2.6

Het hof stelt vast dat de moeder een fors belast verleden heeft, maar dat zij de afgelopen jaren niet heeft stil gezeten. Zij heeft (heel) hard gewerkt om haar leven weer goed op de rit te krijgen. Zo heeft zij haar eigen hulpverleningstrajecten met succes afgerond, heeft zij een steunend netwerk en is zij ondanks het verdriet over de uithuisplaatsing van [de minderjarige] (hoewel met beperkingen) in de samenwerking met de instanties gebleven. Ook wordt gezien dat de moeder en [de minderjarige] een zeer liefdevolle, warme band hebben en tussen hen een ontspannen sfeer heerst. Bij [de minderjarige] zijn geen aanwijzingen gevonden voor een onderliggende hechtingsstoornis, een ontwikkelingsstoornis of verstandelijke beperking. Wel hebben zijn roerige kinderjaren hun sporen bij hem achterlaten waardoor er ook een extra beroep op de opvoeder wordt gedaan. Deze verzwaarde opvoedingsvraag van [de minderjarige] is door de deskundigen ook meegewogen maar heeft niet geleid tot een ander advies. Wel is van belang dat de begeleiding rekening houdt met de mogelijkheden van de moeder zoals die blijken vanuit het cognitieve onderzoek. Haar werkgeheugen wijkt in significante mate af van de overige indexscores ten gevolge waarvan zij meer moeite heeft met schakelen en het onderscheiden van hoofd- en bijzaken. In de begeleiding van de moeder is het belangrijk dat hiermee rekening wordt gehouden en zij niet vanwege haar verbale kwaliteiten wordt overschat. Wat betreft de pedagogische en affectieve vaardigheden laat de moeder in de interactieobservatie zien een responsieve, affectieve en onvoorwaardelijke houding te hebben naar [de minderjarige] waarbij zij ook grenzen aangeeft en geduldig is. [de minderjarige] zelf heeft, al tijdenlang, een overduidelijke voorkeur voor het wonen bij zijn moeder.

2.7

Alles afwegende vindt het hof dat de zorgen die de GI heeft, geen reden zijn om van het advies van de deskundigen af te wijken. Deze zorgen zijn namelijk door de deskundigen ook onderkend en zijn meegewogen in hun advies. Voor wat betreft de samenwerking van de moeder en de GI heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de medewerking en het accepteren van hulp door de moeder. Zij heeft zich nooit (volledig) onttrokken aan de begeleiding en heeft eerder ook meegewerkt aan therapie en volgt ouderbegeleiding.

Het hof verwacht dan ook dat de moeder en de GI zullen gaan samenwerken, met elkaar en met de overige hulpverleningsinstanties, om voor [de minderjarige] (de aanloop naar) het weer volledig thuis wonen bij zijn moeder zo goed mogelijk te laten verlopen.

2.8

Het bovenstaande betekent dat het hof vindt dat [de minderjarige] weer volledig bij zijn moeder kan gaan wonen en dat een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer in zijn belang noodzakelijk is. Ter zitting is besproken dat een zekere overgangsperiode nodig is -die volgens de GI van korte duur kan zijn- om de thuisplaatsing te realiseren, onder meer om de hulpverlening bij de moeder thuis op te kunnen starten. Het hof vertrouwt er op dat de moeder daaraan zal meewerken, temeer nu zij ter zitting heeft aangegeven het voor [de minderjarige] van belang te vinden dat hij de gelegenheid krijgt om rustig afscheid te kunnen nemen van het gezinshuis.

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de periode van heden tot het einde van de termijn waarvoor de machtiging is verleend en het verzoek van de GI tot in zoverre afwijzen.

3.2

Zoals in de tussenbeschikking van 16 februari 2021 is overwogen zal het hof bepalen dat de kosten voor het deskundigenonderzoek voor ’s Rijks kas komen. Conform de nota van de deskundigen van 11 mei 2021 stelt het hof deze kosten vast op € 7.992,09.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 juni 2020, voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de periode van heden tot het einde van de termijn waarvoor de machtiging is afgegeven;

wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van heden af;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 juni 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

stelt de kosten van het deskundigenonderzoek vast op € 7.992,09 (inclusief reiskosten) en bepaalt dat deze kosten ten laste van 's Rijks kas komen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.M. Dölle en F. Menso, bijgestaan door mr. T. van der Veen als griffier, en is op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.