Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5209

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
21-001917-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van belediging tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Toewijzing vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001917-20

Uitspraak d.d.: 31 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 juni 2020 met parketnummer 18-038053-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 15-100925-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt toegewezen en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15-100925-18. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. Albayrak, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 juni 2020 ter zake van belediging veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Daarnaast is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen en de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 februari 2020 te [plaats] opzettelijk [benadeelde partij] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in de richting van/tegen die [benadeelde partij] te spugen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 februari 2020 te [plaats] opzettelijk [benadeelde partij] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door tegen die [benadeelde partij] te spugen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van aangever [benadeelde partij] , die op dat moment aan het werk was als steegportier in het uitgaansgebied [adres] , door in zijn richting te spugen, waarbij het spuug op de linkerhand en linkerschouder van die [benadeelde partij] terechtkwam. Deze gedraging is aan te merken als bijzonder onhygiënisch, respectloos en beledigend. Dit geldt te meer nu het gedrag was gericht tegen aangever die gewoon zijn werk deed.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 12 april 2021 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (andersoortige) strafbare feiten.

Alles overwegend acht het hof, zoals ook door de politierechter is opgelegd en eveneens door de advocaat-generaal is gevorderd, oplegging van een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Deze straf is hoger dan het landelijke oriëntatiepunt voor belediging nu sprake is van belediging door spugen en verdachte geen first offender is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht de hoogte van het gevorderde bedrag billijk en de vordering ligt daarmee voor toewijzing gereed. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Dat in de twee door de raadsman ter zitting aangehaalde uitspraken lagere bedragen zijn toegekend maakt dit niet anders.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, maar deze beperken tot een dag nu verdachte onder bewind staat.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 januari 2019, parketnummer 15-100925-18, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, nu de tenuitvoerlegging al is bevolen wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden en verdachte deze straf momenteel uitzit.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 februari 2020.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 15-100925-18.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. A.H. toe Laer en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 31 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.