Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5205

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.231.148/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voeren van verblindende verlichting. Een werklicht of richtlicht op een voertuig is toegestaan, zolang andere weggebruikers daardoor niet worden verblind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.231.148/01

CJIB-nummer

: 203268101

Uitspraak d.d.

: 28 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het is voorzien van niet toegestane verblindende/ knipperende verlichting” (feitcode N640). Deze gedraging zou zijn verricht op 25 november 2016 om 4.22 uur op de Burgemeester Hackstraat in Wolphaartsdijk met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De betrokkene is het niet eens met de opgelegde sanctie. Hij heeft bedenkingen bij de strafbaarheid van de vermeende gedraging en stelt dat de gevoerde verlichting niet verblindend is. De betrokkene rijdt vaak in alle vroegte in het donker door een verder uitgestorven polder om kranten te bezorgen. Omdat het onder deze omstandigheden lastig is om een (geasfalteerde) weg van een andere ondergrond te onderscheiden, heeft hij achter de achterruit van zijn voertuig een (werk)lamp geplaatst die zorgt voor meer zicht. Het betreft een breedstraler met een vermogen van 10 Watt, waarbij het licht via de reflector verdeeld wordt. De extra breking door het glas van de achterruit zorgt voor een (nog) bredere stralingshoek. De lamp is vanaf de bestuurdersstoel te bedienen door middel van een schakelaar. De betrokkene heeft de lamp ruim drie jaar in gebruik en heeft nog nooit eerder klachten gehad. De betrokkene kan rondom het voertuig lopen en de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig lezen, zonder verblind te raken. Bij een eerdere staandehouding kwam de lamp toevallig ter sprake. De betrokkene heeft toen de verlichting aangezet, zodat de ambtenaren het effect hiervan konden zien. Hem is toen niet gezegd dat de lamp niet is toegestaan of dat de verlichting verblindend is. Het verbaast de betrokkene dat nu opeens wel wordt gesteld dat de verlichting verblindend is. Daarbij heeft de betrokkene twijfel over de waarneming en het beoordelingsvermogen van de betreffende ambtenaar. De betrokkene voert daartoe aan dat de ambtenaar hem bij de staandehouding niet alleen heeft beboet voor de onderhavige gedraging, maar ook een waarschuwing heeft gegeven voor te snel rijden en daarbij aangaf dat hij, de ambtenaar, behoorlijk gas had moeten geven om de betrokkene bij te houden. Naast het feit dat hij zeker weet dat hij zich aan de toegestane snelheid van 30 km/h heeft gehouden, is het op de gereden route met vier bochten en drie drempels niet eens mogelijk om sneller dan 30 km/h te rijden. Als de betrokkene werkelijk te snel zou hebben gereden, zoals de ambtenaar stelt, dan zou de situatie zo zijn geweest dat de ambtenaar met een zeer hoge snelheid achter de betrokkene zou hebben gereden, terwijl hij (ondertussen) volkomen verblind werd. Dit is onmogelijk. De kantonrechter heeft hier tijdens de zitting weinig aandacht aan besteed, terwijl dit punt wel degelijk relevant is nu de gehele procedure doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de verklaring van de ambtenaar. Mocht het hof tot het oordeel komen dat de gedraging wel is verricht, dan is die uitspraak voor de betrokkene als waarschuwing wel voldoende. Daarvoor hoeft geen sanctie te worden opgelegd.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Voerde een gemonteerd wit verblindend licht aan de achterzijde van zijn voertuig. Dit kon aan en uit gezet worden tijdens het rijden. Dit stond aan tijdens het rijden.
Overtreden artikel 5.2.64 en 5.6.96 Rv. (…)
Verklaring betrokkene: deze verlichting gebruik ik om beter in het donker te zien als ik achteruit rijd. Dit omdat ik kranten bezorg.”

5. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 13 februari 2017, waarin de ambtenaar het volgende verklaart:
“Het op de achterzijde van het voertuig gemonteerde licht was wit, fel en verblindend. Dit stond aan tijdens het rijden en geeft een belemmerend zicht voor achterop komend verkeer. (…)”

6. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid en onder c., in samenhang met artikel 5.2.64 van de Regeling voertuigen (Rv).

7. Artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, Rv houdt in, voor zover hier van belang:

“Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig: (...)

c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.”

8. Paragraaf 10 van bedoelde afdeling 2 handelt over de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van personenauto’s. Het in deze paragraaf opgenomen artikel 5.2.64 Rv houdt in dat personenauto’s, met uitzondering van grote lichten, niet voorzien mogen zijn van verblindende lichten.

9. In de toelichting bij het Voertuigreglement, de voorganger van de Regeling voertuigen, staat ten aanzien van deze bepaling het volgende:

“Het verbod inzake verblindende verlichting aan voertuigen is overgenomen uit punt 31 van de bij artikel 84 WVR behorende verlichtingstabel. In beginsel vallen werklichten en richtlichten niet onder de hier bedoelde verblindende verlichting, omdat het gebruik zodanig kan zijn dat geen verblinding optreedt.”

10. Artikel 1.1 Rv bevat de volgende definitie van werklicht:

“licht dat is bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht.”

11. Uit de hiervoor genoemde regelgeving blijkt dat personenauto’s mogen zijn voorzien van werklichten en richtlichten, onder de voorwaarde dat het licht zodanig wordt gebruikt dat geen verblinding optreedt.

12. De ambtenaar heeft verklaard dat het licht verblindend was, waardoor het zicht voor achterop komend verkeer werd belemmerd. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaring. Dat de betrokkene nooit eerder is gewaarschuwd voor het voeren van deze verlichting, zoals hij stelt, is onvoldoende om aan te nemen dat het licht in het onderhavige geval zo werd gebruikt dat geen verblinding optrad. De twijfel die de betrokkene heeft over de waarneming van de ambtenaar deelt het hof niet. Dat de ambtenaar met een hoge snelheid achter het voertuig van de betrokkene moet hebben gereden, zoals de betrokkene uit de uitlatingen die de ambtenaar heeft gedaan, heeft afgeleid, brengt -nog daargelaten de juistheid van deze door de betrokkene getrokken conclusie, niet mee dat het licht niet verblindend kan zijn geweest.

13. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

14. Met betrekking tot het verweer dat hier ook met een waarschuwing kan worden volstaan overweegt het hof dat de ambtenaar die een gedraging heeft geconstateerd een discretionaire bevoegdheid heeft om daarvoor een sanctie op te leggen. De wijze waarop hij van deze bevoegdheid gebruik maakt kan slechts terughoudend door het hof worden getoetst. Voor het oordeel dat de ambtenaar, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot oplegging van een sanctie heeft kunnen besluiten, heeft het hof geen aanknopingspunten kunnen vinden.

15. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.