Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5190

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
200.291.916
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding en incidentele verzoeken. Geen bijzondere omstandigheden die herstel van band tussen echtscheidingsverzoek en nevenvoorzieningen over alimentatie rechtvaardigen. Schorsingsverzoek en voorlopige voorzieningen (223 Rv) afgewezen. Verzoek om afgifte stukken (843a Rv) deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0154
EB 2021/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.291.916, 200.291.016/02, 200.291.016/03 en 200.291.917

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 479885)

beschikking van 27 mei 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
hierna: de man,

advocaat: mr. A. Aaryf te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. Y.M. van Vliet te Amsterdam.

1 Waar gaat het over?

1.1

De man en de vrouw zijn [in] 2012 gehuwd. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Zij zijn de ouders van [de minderjarige1] ( [in] 2013), [de minderjarige2] ( [in] 2015) en [de minderjarige3] ( [in] 2016).

1.2

Zij hebben ieder een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend en verzocht om nevenvoorzieningen te treffen over:

  • -

    de zorgverdeling en de hoofdverblijfplaats van de kinderen;

  • -

    de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie) en in het levensonderhoud van de vrouw (partneralimentatie);

  • -

    het voortgezet gebruik van de woning; en

  • -

    de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

1.3

De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en nevenvoorzieningen getroffen (beschikking rechtbank Midden-Nederland van 1 februari 2021; hierna: de bestreden beschikking). De rechtbank heeft onder meer bepaald dat de man:

  • -

    met ingang van 1 februari 2021 € 1.754,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

  • -

    met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking van 1 februari 2021 in de registers van de burgerlijke stand € 4.000,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

De rechtbank heeft deze beide beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2 De rechtszaak bij het hof

De hoofdzaak (200.291.916 en 200.291.917)

2.1

De man is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij heeft zes bezwaren (grieven) tegen de beslissingen van de rechtbank en wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt. Hij vraagt het hof de kinderalimentatie te bepalen op maximaal € 531,- per maand voor alle drie kinderen, het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af te wijzen en andere nevenvoorzieningen te treffen voor de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Incidentele verzoeken van de man (200.291.916/02 en 200.291.916/03)

2.3

De man vraagt het hof ook:

  • -

    de werking van de beslissingen van de rechtbank over de kinder- en partneralimentatie te schorsen dan wel voorlopige voorzieningen te treffen voor de kinder- en partneralimentatie en deze op respectievelijk € 531,- per maand voor de drie kinderen en op nihil voor de vrouw te bepalen;

  • -

    de vrouw op straffe van een dwangsom te verplichten aan hem de stukken te overleggen die hij heeft genoemd in IV van zijn beroepschrift.

2.4

De vrouw voert verweer tegen de incidentele verzoeken van de man. Zij doet ook een zelfstandig incidenteel verzoek en vraagt het hof als voorlopige voorziening op voet van artikel 223 Rv de kinder- en partneralimentatie voor de duur van de procedure in hoger beroep op dezelfde bedragen vast te stellen als de rechtbank heeft gedaan. Verder vraagt zij de grief die is gericht tegen het uitspreken van de echtscheiding op de mondelinge behandeling van 3 mei 2021 te behandelen.

2.5

De mondelinge behandeling voor de incidentele verzoeken heeft op 3 mei 2021 plaatsgevonden. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een telefonische (beeld)verbinding (telehoren). Via deze verbinding waren partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

De stukken

2.6

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

  • -

    de stukken van de rechtszaak bij de rechtbank;

  • -

    het beroepschrift met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift op de incidentele verzoeken van de man met bijlagen;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Vliet van 7 april 2021 met bijlagen;

  • -

    spreekaantekeningen van mr. Aaryf voor de mondelinge behandeling van 3 mei 2021;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 mei 2021.

3. Het oordeel van het hof over de incidentele verzoeken en de grief tegen de echtscheiding

3.1

Het hof zal in deze beschikking beslissen op het bezwaar van de man tegen de echtscheiding (grief 5) en op de incidentele verzoeken van de man en de vrouw.

het bezwaar van de man tegen de echtscheiding

3.2

De man maakt in hoger beroep bezwaar tegen de echtscheiding (grief 5). Hij wil daardoor executie van de partneralimentatie door de vrouw voorkomen. Hij wil die executie bij voorkeur voorkomen met zijn beroep op de artikelen 360 of 223 Rv in de incidentele verzoeken. Als die incidentele verzoeken worden toegewezen, dan zal de man dit bezwaar intrekken en tot inschrijving van de echtscheiding overgaan. De vrouw vraagt het hof alvast een beslissing te nemen over dit bezwaar (journaalbericht 7 april 2021).

3.3

De man verzoekt in dit hoger beroep het hof uitdrukkelijk niet de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de echtscheiding ongedaan te maken. Dat kan ook niet, omdat de man die echtscheiding zelf heeft verzocht. De man vindt ook zelf nog steeds dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De man wil alleen maar bereiken dat de beslissing over de echtscheiding in de bestreden beschikking voor de duur van de procedure in hoger beroep nog niet onherroepelijk wordt (nog niet in kracht van gewijsde gaat) en dat de vrouw die beschikking pas kan laten inchrijven in de registers van de burgerlijke stand als het hof heeft beslist over de bezwaren van de man tegen de beslissing van de rechtbank over de partneralimentatie. De man heeft op de mondelinge behandeling zijn bezwaar tegen de echtscheiding nader toegelicht en betoogd dat hij daarmee de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de nevenvoorziening voor de partneralimentatie en ook voor de kinderalimentatie wil herstellen.

3.4

De man moet bijzondere omstandigheden aanvoeren om te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen over de partneralimentatie en de kinderalimentatie wordt hersteld.1 De man zegt dat de onderhoudsverplichting niet alleen zijn draagkracht, maar ook de behoefte van de vrouw ver overstijgt; de continuïteit van zijn onderneming komt in gevaar en hij stevent af op een faillissement als de vrouw doorgaat met de executie van de partner- en kinderalimentatie. De vrouw betwist dat. Het hof oordeelt dat de man zijn stelling dat door de executie van de partner- en kinderalimentatie de continuïteit van zijn onderneming in gevaar komt en een faillissement dreigt niet voldoende toelicht. Hij moet daarvoor in ieder geval op een begrijpelijke manier inzicht geven in zijn vermogen op dit moment en in het bijzonder in zijn actuele schuldenpositie. Dat doet hij niet. Hij weerspreekt ook niet dat hij ter gelegenheid van de verkoop van de echtelijke woning zeer recent een bedrag van € 145.000 heeft ontvangen. Daarnaast is de man als deelgenoot in de ontbonden huwelijksgemeenschap gerechtigd tot goederen die kennelijk enige waarde hebben, zoals ook blijkt uit de bestreden beschikking (rov. 3.37 en volgende). Het hof gaat dan ook ervan uit dat de man voldoende middelen heeft om de kinder- en partneralimentatie te betalen. De bijzondere omstandigheden die volgens de man een herstel van de band tussen het echtscheidingsverzoek en de nevenvoorzieningen over de alimentatie rechtvaardigen zijn niet komen vast te staan. Of de rechtbank de kinder- en partneralimentatie anders had moeten vaststellen, zoals de man stelt, komt in een later stadium in deze procedure aan de orde. Grief 5 van de man faalt dan ook. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de echtscheiding bekrachtigen en de beslissing over de andere bezwaren aanhouden.

incidenteel verzoek van de man om schorsing van de werking van de beslissingen over de kinder- en partneralimentatie

3.5

Een veroordeling is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.

3.6

Bij de beoordeling van dit schorsingsverzoek moet het hof als gezegd uitgaan van de beslissingen van de rechtbank over de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Die beslissingen berusten niet op een kennelijke misslag. Daarvan is sprake als voor iedereen duidelijk is dat de rechtbank een juridische of feitelijke fout heeft gemaakt. Dat is hier niet het geval. Dat de man het niet eens is met deze beslissingen betekent nog niet dat er dan ook een kennelijke misslag is. De man stelt dat hij aantoont dat hij geen zwart geld heeft. Die stelling en de reactie daarop van de vrouw komen aan de orde bij de behandeling in de hoofdzaak, niet bij dit schorsingsverzoek. Hiervoor is al geoordeeld dat de man niet duidelijk maakt dat de continuïteit van zijn onderneming in gevaar is en dat hij afstevent op een faillissement (rov. 3.4). Niet staat vast dat de vrouw, als het hof de kinder- en partneralimentatie op lagere bedragen vaststelt, teveel betaalde alimentatie niet kan terugbetalen. De man wijst zelf al op het geld dat de vrouw ontvangt vanwege de verkoop van de echtelijke woning. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat het gaat om een bedrag van € 145.000,-. Daarnaast geldt ook voor de vrouw dat zij deelgenoot is in de ontbonden huwelijksgemeenschap en daarmee gerechtigd tot goederen die enige waarde hebben. Voor het restitutierisico dat de man vreest is geen grond.

3.7

Al met al is het hof van oordeel dat het belang van de man bij behoud van de bestaande toestand niet zwaarder weegt dan het belang van de vrouw en de kinderen bij betaling van de partner- en kinderalimentatie. Het hof zal het schorsingsverzoek afwijzen.

incidenteel verzoek van de man om voorlopige voorzieningen (artikel 223 Rv)

3.8

De man verzoekt het hof voor het geval zijn schorsingsverzoek wordt afgewezen voor kinder- en partneralimentatie een voorlopige voorziening te treffen op voet van artikel 223 Rv. Die voorziening moet volgens de man inhouden dat het hof hangende de beslissing van het hof in de hoofdzaak, de kinderalimentatie tijdelijk op € 531,- per maand (voor alle kinderen) en de partneralimentatie (tijdelijk) op nihil zal stellen. Het hof zal dat verzoek afwijzen. Voor het geven van voorlopige voorzieningen voor kinder- en partneralimentatie in een echtscheidingsprocedure bevatten de artikelen 821-826 Rv een uitputtende regeling. Daarmee is niet te verenigen dat dergelijke voorzieningen ook op voet van artikel 223 Rv kunnen worden gevraagd.2

3.9

Overigens zou ook een beoordeling van de verzochte voorlopige voorzieningen volgens de artikelen 821-826 Rv niet tot toewijzing kunnen leiden, alleen al omdat de man daartoe dezelfde omstandigheden aanvoert als voor zijn overige hiervoor al besproken verzoeken. Die omstandigheden zijn niet komen vast te staan.

voorwaardelijk incidenteel verzoek van de vrouw om voorlopige voorzieningen (artikel 223 Rv)

3.10

Dit incidentele verzoek van de vrouw is gedaan onder de voorwaarde dat grief 5 van de man slaagt. Dat is niet het geval. Het hof zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

verzoek van de man om afgifte van stukken (artikel 843a Rv)

3.11

De man vraagt het hof te bepalen dat de vrouw binnen twee weken aan hem overzichten en bankafschriften moet overleggen van:

  1. haar Marokkaanse bankrekeningen;

  2. bankrekeningnummers op haar naam, te weten:

1. [nummer1]

2. [nummer2]

3. [nummer3]

debet- en creditcards op haar naam, te weten:

1. [nummer4] (Mastercard)

2. eindigend op [nummer5]

3. eindigend op [nummer6]

4. eindigend op [nummer7] (maestro)

de spaarrekeningen op naam van de kinderen.

1. [nummer8] op naam van [de minderjarige2]

2. [nummer9] op naam van [de minderjarige3]

3. [nummer10] op naam van [de minderjarige1]

de belastingaangiften 2017 tot en met 2020 en de daarbij behorende belastingaanslagen.

3.12

Het inzagerecht van artikel 843a Rv kan ook in een verzoekschriftenprocedure worden ingezet.3 Een dergelijke incidenteel verzoek is anders dan de man denkt geen voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv vanwege het definitieve karakter daarvan en het feit dat een dergelijke beslissing verder reikt dan de duur van het geding.4 Het hof ziet dit incidentele verzoek van de man dan ook als een incidenteel verzoek in de zin van art. 208 en 209 Rv.

3.13

Artikel 843a Rv stelt drie voorwaarden. Het moet gaan om (1) bepaalde stukken

(2) aangaande een rechtsbetrekking waarin de man partij is en (3) waarbij de man een rechtmatig belang heeft. De man moet voldoende duidelijk maken om welke stukken het gaat en om welke reden zij voor hem van belang zijn.

3.14

Aan al deze voorwaarden is in beginsel voldaan. De man maakt duidelijk welke stukken het zijn. Hij heeft daarbij belang vanwege de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de vaststelling van kinder- en partneralimentatie. Ook artikel 1:83 BW verplicht echtgenoten overigens elkaar desgevraagd inlichtingen te geven over het door hen gevoerde bestuur en de stand van hun goederen en schulden.

3.15

De man vraagt om de bankafschriften van de vrouw en de kinderen over de periode twee jaar voor peildatum tot heden. Hij legt niet uit wat hij in dit kader onder ‘peildatum’ verstaat. Het hof gaat ervan uit dat hij daarmee het tijdstip van indiening van het inleidend echtscheidingsverzoek bedoelt. Dat is 29 april 2019. Het gaat hem dus om de periode van

29 april 2017 tot vandaag. De vrouw merkt terecht op dat ook de rechtbank al heeft bepaald dat partijen elkaar een afschrift moeten tonen van het saldo op de peildatum van elke bankrekening op zijn of haar naam (rov. 3.43 van de bestreden beschikking). Dat staat niet in de weg aan dit incidentele verzoek van de man, omdat hij meer stukken vraagt en over een veel ruimer tijdvak.

3.16

Het hof zal bepalen dat de vrouw aan de man binnen twee weken na vandaag kopieën van overzichten en bankafschriften van de volgende bankrekeningen moet geven over de periode 29 april 2017 tot vandaag:

  • -

    haar Marokkaanse bankrekeningen;

  • -

    [nummer1] ;

  • -

    De bankrekening van de vrouw die eindigt op [nummer5] .

De vrouw legt uit dat de bankrekening [nummer2] niet op naam van partijen staat, maar dat het de bankrekening is van het creditcardbedrijf. Zij laat dit zien met bijlage 7 bij haar verweerschrift op de incidentele verzoeken. Het hof zal bepalen dat zij in elk geval kopieën van stukken die betrekking hebben op deze rekening die in haar bezit zijn over de periode 29 april tot vandaag aan de man moet geven. Datzelfde geldt voor de rekening die eindigt op 0018.

Zij hoeft geen afschriften te geven van bankrekening [nummer3] en van de rekening die eindigt op [nummer6] . Zij voert aan dat deze bankrekeningen haar onbekend zijn; de man licht verder niet toe wat dit voor rekeningen zijn.

De vrouw hoeft de man ook geen afschriften te geven van de bankrekening [nummer11] . Zij laat met bijlage 6 zien dat deze rekening een compte joint van partijen was en inmiddels is opgeheven. De man is zelf rekeninghouder en moet in staat worden geacht zelf afschriften van deze rekening te krijgen.

3.17

Het hof zal verder bepalen dat de vrouw aan de man binnen twee weken na vandaag kopieën van overzichten en bankafschriften van de bankrekeningen van de kinderen (rov. 3.11 onder d) moet geven over de periode 29 april 2017 tot vandaag. De man heeft een rechtmatig belang bij de afgifte daarvan, omdat deze van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de kinder- en partneralimentatie. Het hof zal ten slotte bepalen dat de vrouw aan de man kopieën van haar aangiften IB 2017 en 2018 en de daarbij horende aanslagen moet geven. Anders dan de vrouw zegt zijn deze niet als bijlage 13 en 14 in eerste aanleg overgelegd. Dat zijn alleen de aangiften van de man. De vrouw zegt dat zij nog geen aangifte heeft gedaan over 2019 en 2020, zodat zij ook geen kopieën daarvan kan overleggen.

3.18

De man moet de kosten van deze kopieën aan de vrouw vergoeden (artikel 843a lid 1 Rv: ‘op zijn kosten’).

3.19

Het hof zal beslissen als volgt en iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

4.1

bekrachtigt de beslissing onder 4.1 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 1 februari 2021 waarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken;

4.2

wijst het incidentele verzoek van de man tot schorsing van de beslissingen over de kinder- en partneralimentatie af;

4.3

wijst het incidentele verzoek van de man tot het geven van voorlopige voorzieningen op voet van artikel 223 Rv af;

4.4

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar zelfstandig tegenverzoek tot het geven van voorlopige voorzieningen op voet van artikel 223 Rv;

4.5

bepaalt dat de vrouw aan de man binnen twee weken na heden kopieën moet afgeven van stukken als omschreven in rov. 3.16 en 3.17 en dat de man aan de vrouw de kosten daarvan moet vergoeden;

4.6

verklaart onderdeel 4.5 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en

A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:7513, rov. 4.2.

2 HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414.

3 HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985.

4 Hof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2820