Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:519

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
21-006390-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:5637, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met aanvulling van de gronden, behalve voor zover het betreft de aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf verbonden bijzondere voorwaarden. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen redenen om bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006390-19

Uitspraak d.d.: 20 januari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 28 november 2019 met parketnummer 16-050406-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-131520-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf verbonden bijzondere voorwaarden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M. Hoevers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 november 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waarbij aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf een aantal bijzondere voorwaarden zijn verbonden. Verder is door de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren opgelegd en heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de door de politierechter in de rechtbank Limburg bij vonnis van 4 oktober 2018 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 199 dagen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden en op juiste wijze heeft beslist, maar dat de gronden van die beslissingen op een enkel punt aangevuld dienen te worden. Het hof zal het vonnis daarom bevestigen met aanvulling van de gronden, behalve voor zover het betreft de aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf verbonden bijzondere voorwaarden en met dien verstande dat het hof de in het dictum genoemde vordering tot tenuitvoerlegging verbeterd zal lezen. Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof dus tot een deels andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Aanvulling van de gronden

Uit artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 volgt de verplichting voor de verdachte om op de plaats van het ongeval te blijven en het verbod om iemand in hulpeloze toestand te laten. Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat het feit dat er omstanders aanwezig waren, niet leidt tot de conclusie dat daarmee geen sprake kon zijn van een hulpeloze toestand. Het hof wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:394, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de opvatting dat de verdachte het slachtoffer niet in hulpeloze toestand heeft achtergelaten indien ter plaatse omstanders aanwezig zijn, in haar algemeenheid onjuist is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waarbij door de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf bijzondere voorwaarden zijn verbonden. Verder is aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vier jaren.

Het hof zal dezelfde straffen opleggen als de rechtbank, met uitzondering van de bijzondere voorwaarden die door de rechtbank zijn verbonden aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf. Wat betreft de gronden voor de op te leggen straffen verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het vonnis heeft overwogen. Het hof verenigt zich met de in het vonnis weergegeven gronden voor de opgelegde straffen, doch met uitzondering van de gronden voor de bijzondere voorwaarden.

Anders dan de rechtbank ziet het hof namelijk geen redenen om bijzondere voorwaarden op te leggen. Het hof heeft daarbij gelet op het reclasseringsadvies van 17 juni 2019 waarin de reclassering aangeeft dat het – doordat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept en een alcoholprobleem ontkent – niet mogelijk is gerichte interventies te adviseren die de kans op recidive zullen verkleinen. Bovendien kunnen interventie en begeleiding ook plaatsvinden in een vrijwillig kader. Het hof heeft daarnaast rekening gehouden met het tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheid dat verdachte niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. In afwijking van het vonnis zal het hof daarom geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf verbinden.

Verbeterde lezing van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging

In het dictum op pagina 12 van het vonnis is opgenomen dat de rechtbank de vordering met parketnummer 96/131520-18 toewijst en de tenuitvoerlegging gelast van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 4 oktober 2018 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 199 dagen.

Het hof verbetert de in het dictum genoemde rechtbank “Midden-Nederland” in rechtbank “Limburg”.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. R.M. Maanicus, voorzitter,

mr. D. Stoutjesdijk en mr. J.P. Bordes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Vugs, griffier,

en op 20 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 20 januari 2021.

Tegenwoordig:

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.