Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5180

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
200.279.346
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek heropening ex art. 390 Rv, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.279.346

(zaaknummer rechtbank Arnhem 256188, zaaknummer gerechtshof 200.096.436)

beschikking van 27 mei 2021 op het verzoek tot herroeping op grond van artikel 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D. Kotterman te Arnhem,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.J.G. van den Boom te Nijmegen.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 256188) en in hoger beroep (zaaknummer 200.096.436)

1.1 Het huwelijk van partijen is ontbonden [in] 2009.

1.2 Bij beschikking van 31 maart 2010 heeft de rechtbank Arnhem, nevenzittingsplaats Utrecht, onder meer beslist over de kinder- en partneralimentatie. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten aan te vullen. Bij beschikking van 27 juli 2011 heeft de rechtbank:

  • -

    bepaald dat de man recht heeft op toescheiding van de woning tegen een waarde van € 335.000,-, indien hij de hypotheekschulden voor zijn rekening neemt en aan de vrouw 27,27% van de overwaarde vergoedt;

  • -

    bepaald dat de vrouw zal meedelen in een eventuele schadevergoeding als bedoeld in rechtsoverweging 2.6.4 van die beschikking;

  • -

    bepaald dat het saldo van de Postbankrekening [nummer] per 1 augustus 2008 tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;

  • -

    bepaald dat de man aan de vrouw moet betalen € 25.682,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2009 tot de dag van betaling;

  • -

    bepaald dat de vrouw aan de man moet betalen € 450,- ter zake de waarborgsom als bedoeld in rechtsoverweging 2.8.2 van die beschikking;

  • -

    de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders verzochte afgewezen en de kosten gecompenseerd.

De man en de vrouw hebben tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij dit hof.

1.3 Bij beschikking van 20 juni 2013 heeft het hof de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 juli 2011 vernietigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

- de man veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen € 600,- ter zake van het aan de vrouw toekomende deel van de waarde van de echtelijke woning;

  • -

    de man veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen € 11.488,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    de beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd en de kosten gecompenseerd.

2
2. De procedure tot herroeping

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 15 mei 2020;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van mr. van den Boom van 31 maart 2021 met een beschikking

alimentatie van 23 februari 2021;

- een journaalbericht van mr. Kotterman van 31 maart 2021 met producties;

- een journaalbericht van mr. Kotterman van 2 april 2021 met producties.

2.2

In verband met het Covid-19 virus heeft de mondelinge behandeling op 15 april 2021 plaatsgevonden via Skype. Daarbij waren partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaat.

3 Het verzoek tot herroeping

3.1

De vrouw verzoekt de beschikking van dit hof van 20 juni 2013 te herroepen en het betreffende geding te heropenen, opdat verder kan worden geprocedeerd, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

3.2

De man voert verweer en verzoekt het hof primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek en subsidiair het verzoek van de vrouw af te wijzen als zijnde ongegrond. Ook verzoekt hij de vrouw te veroordelen in de reële kosten van de procedure, althans de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

4 De motivering van de beslissing

vooraf

4.1

Ingevolge artikel 390 Rv kan een beschikking op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382 Rv, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet.

4.2

Ingevolge artikel 382 Rv (in verbinding met artikel 390 en 391 Rv) kan een beschikking waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend worden herroepen indien:

a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,

b. berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is

vastgesteld, of

c. de partij na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die

door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

4.3

Ingevolge artikel 383 Rv moet het rechtsmiddel worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond van herroeping is ontstaan en de verzoeker daarmee bekend is geworden. De termijn vangt echter niet aan dan nadat ten aanzien van de te herroepen beschikking geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.

4.4

Ingevolge artikel 387 Rv heropent de rechter die de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt, het geding geheel of gedeeltelijk en geeft hij partijen de gelegenheid hun stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen.

het verzoek van de vrouw

4.5

Het verzoek van de vrouw komt er kort gezegd op neer dat de man te verrekenen vermogen heeft achtergehouden. Op de peildatum 1 augustus 2008 beschikte de man volgens de vrouw over vanaf 2006 niet uitgekeerde bonussen van in totaal € 50.000,-. Met deze bonussen heeft hij later aandelen in [C] BV gekocht. Die bonussen zijn niet in de verrekening betrokken. De vrouw heeft daarom belang bij herroeping en heropening, ook gelet op artikel 1:135 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast behoorde tot het vermogen van de man ook de door hem gehouden aandelen in [D] B.V. De waarde van die aandelen moet ook nog in de verrekening worden betrokken. De waarde van voornoemde vermogensbestanddelen dient primair op basis van artikel 3:194 lid 2 BW en subsidiair op basis van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden alsnog in de verrekening te worden betrokken.

4.6

De man voert als primair verweer dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek omdat:

  1. de vrouw de termijn van drie maanden genoemd in artikel 383 Rv heeft overschreden;

  2. de beweerdelijke feiten reeds aan andere verzoeken in drie andere procedures ten grondslag zijn gelegd;

  3. partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen.

Verder betwist hij gemotiveerd de overige stellingen van de vrouw.

de ontvankelijkheid van het verzoek

4.7

Het meest verstrekkend verweer van de man betreft de ontvankelijkheid van de vrouw, zodat het hof dat eerst zal beoordelen.

4.8

Het verzoek van de vrouw is primair gebaseerd op artikel 390 Rv in samenhang met artikel 382 sub c Rv. Het hof dient dan ook vast te stellen wanneer de vrouw de stukken die zij van beslissende aard acht heeft ontvangen, dan wel daarvan kennis heeft genomen. Gesteld, noch gebleken is dat deze stukken eerder dan 18 februari 2020 ter beschikking zijn gesteld. Het hof acht dan ook de vrouw ontvankelijk in haar beroep.

primaire grondslag verzoek: artikel 382 sub c Rv

4.9

De vragen die het hof dient te beantwoorden zijn:

  • -

    Zijn de stukken van beslissende aard? Of wel: zijn er stukken die de uitspraak anders zouden hebben doen uitvallen als zij aan de rechter bekend waren geweest, althans stukken welke onzeker maken of de rechter na kennisneming daarvan tot dezelfde uitspraak zou zijn gekomen?

  • -

    Zijn deze door toedoen van de man achtergehouden?

4.10

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van die vragen slechts gaat om de bonussen over de jaren 2006 tot en met 2008. Verder is van belang dat het later vinden van of ter beschikking komen van nader bewijs of nieuwe ondersteunende feiten geen voldoende grond is de eenmaal afgesloten procedure te heropenen (ECLI:NL:HR:1986:AC3858 en de conclusie van de A-G randnummers 29 en 30). Stukken die na afloop van het geding tot stand zijn gekomen, kunnen in de procedure niet zijn achtergehouden. De stukken moeten niet alleen ten opzichte van de wederpartij maar ook ten opzichte van de rechter zijn achtergehouden (zie HR 03/02/1950, ECLI:NL:HR:1950:267).

4.11

Uit de verklaring van de vrouw op de mondelinge behandeling volgt dat zij [E] en [F] al langer kende en dat zij eind 2019 naar aanleiding van een telefoontje van [E] met hem een gesprek heeft gehad. In dat gesprek heeft [E] haar verteld dat hij een heleboel geld aan de man moest betalen en hij vermoedde dat een deel daarvan aan de vrouw diende toe te komen. De advocaat van de vrouw heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat de vrouw naar aanleiding van het gesprek met [E] laatstgenoemde heeft gevraagd contact op te nemen met haar advocaat en dat vervolgens [E] de hiervoor genoemde verklaring heeft toegezonden. Onduidelijk blijft op welk moment de advocaat van de vrouw contact met [E] heeft gehad en wat hij aan de advocaat van de vrouw heeft verteld.

4.12

Hoewel [E] volgens de vrouw een onsamenhangend verhaal heeft verteld was het voor de vrouw wel duidelijk dat [E] doelde op de participatie van de man in [C] BV. (“Maar het bleek dat ze, de man en hij, toen stevig ruzie hadden. (…)ging over de belangen in [G] B.V.”) en de vraag of dit vermogensrechtelijke gevolgen zou moeten hebben (“Het kwam erop neer dat hij een heleboel geld moest betalen en hij vermoedde dat een deel daarvan aan mij behoorde toe te komen.”).

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 februari 2010 (256188/FA RK 08-6035) volgt dat in die procedure door de toenmalige advocaat van de vrouw is gesteld:

Dat hij in 2007 een eenmalige bonus gekregen zou hebben, blijkt niet uit enige specificatie. Volgens de vrouw was de achtergrond dat de man zou gaan participeren in de onderneming, waardoor zijn inkomen zou stijgen. De bonus was een anticipatie daarop. De vrouw denkt dat ze nu wachten met die participatie totdat deze procedure is afgerond.

Door de man is destijds gesteld:

Ik heb eenmalig een bonus gekregen om de reden die ik heb opgegeven. Die is in twee termijnen betaald. (…) Daarna heb ik nooit meer een bonus ontvangen. Het is ooit wel ter sprake gekomen dat ik in de directie van het bedrijf zou komen.(…).”

Uit deze verklaringen blijkt dat de bonussen en de participatie in [C] BV, waarover wordt gesproken in de verklaringen van [E] en [F] van 18 respectievelijk 20 februari 2020, in 2010 ook al tussen partijen aan de orde zijn geweest en dus bij de vrouw bekend waren ten tijde van de procedure ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Zij heeft, hoewel zij daarvan op de hoogte was, althans haar advocaat, in de procedure ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden geen aanspraak gemaakt op die bonussen als vermogensbestanddeel dat in de verrekening dient te worden betrokken. Het had echter op de weg van de vrouw gelegen om in die procedure, met de wetenschap over de bonussen en de mogelijke participatie in [C] BV, dit destijds aan de orde te stellen. Kortom, tussen partijen is in die procedure daarover nooit een debat gevoerd. Daarbij komt dat de vrouw thans ook niet uitlegt waarom zij de kwestie met betrekking tot de bonussen destijds niet aan de orde heeft gesteld, terwijl zij ook niet onderbouwt, mede in aanmerking genomen dat zij de bonus niet als te verrekenen vermogen te berde heeft gebracht, dat het hof met de nu in het geding gebrachte stukken destijds tot een andere beslissing zou zijn gekomen.

4.13

In het licht van het voorgaande (rov. 4.11 en 4.12) is het hof van oordeel dat de thans door de vrouw in het geding gebrachte stukken niet van beslissende aard kunnen worden geacht. Die stukken kunnen slechts als bewijsstukken voor haar stellingen over de verkrijging van de bonussen en de aandelen [C] BV worden aangemerkt. Daarbij komt dat productie 4a bij het verzoekschrift herroeping niet gedateerd is. Gelet op het feit dat hier gegevens over 2014 in zijn vermeld, kan het hof slechts tot de conclusie komen dat dit stuk eerst na de beschikking van 20 juni 2013 is opgesteld, zodat dit geen achtergehouden stuk betreft. Ten slotte is niet komen vast te staan of de man al voor de peildatum van 1 augustus 2008 aanspraak kon maken op de door de vrouw gestelde bonus.

4.14

Evenmin is sprake van door de man achtergehouden stukken. In de procedure betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen die leidde tot de beschikking van 20 juni 2013, zijn door de vrouw de bonussen en de verkrijging van de aandelen [C] BV niet tot onderdeel van geschil gemaakt. Partijen debatteerden slechts over de bonussen als inkomensbestanddeel in het kader van de alimentatieprocedure, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 februari 2010. Gelet hierop hoefde de man in de procedure ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, mede gelet op het feit dat de vrouw die bonussen niet als te verrekenen vermogensbestanddeel aan de orde heeft gesteld, er geen rekening mee te houden dat hij in dat kader stukken ter zake die bonussen in het geding diende te brengen.

4.15

Het hof komt dan ook tot het oordeel dat niet voldaan is aan de criteria zoals die in artikel 382 sub c Rv zijn vermeld en dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen. Dat de bonussen en de participatie in [C] BV enkel in de alimentatieprocedure aan de orde zijn gesteld maakt dit niet anders. Hooguit kan worden gesteld dat er sprake is van een vergeten te verrekenen vermogensbestanddeel of een nagekomen bate. De procedure van herroeping is niet bedoeld om langs die weg alsnog van een dergelijk vermogensbestanddeel verrekening te vragen.

subsidiaire grondslag: artikel 382 sub a Rv

4.16

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Uit de verklaringen van [E] en [F] volgt niet dat de man de stukken betreffende de bonussen heeft achtergehouden. Voorts verwijst het hof naar wat hiervoor onder 4.15 is overwogen, dat hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

4.17

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen. Aan de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de man komt het hof dan ook niet toe.

4.18

Nu de procedure verband houdt met de afwikkeling van het huwelijksvermogen van twee ex-echtelieden ziet het hof aanleiding om de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende op het verzoek tot herroeping op grond van artikel 390 Rv:

5.1

wijst het verzoek van de vrouw af;

5.2

compenseert de kosten van het geding inzake het verzoek tot herroeping in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.H.A. Moes, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.