Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5177

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
200.272.394
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 1:253c BW. Verzoek vader om gezamenlijk met moeder met het gezag te worden belast. Na tussenbeschikkingen advies raad ouders gezamenlijk gezag. Ouders stemmen daarmee in. In het kader van de ondertoezichtstelling kan de GI zicht krijgen en houden op de opvoedsituatie van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.272.394

(zaaknummer rechtbank Gelderland 336708)

beschikking van 27 mei 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. P.P.E. Buchele te Arnhem,

thans mr. M.E.W. van Schaijk te Elst, gemeente Overbetuwe,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.A. de Vos-van der Eijk te Tiel.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 29 september 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikkingen van 21 juli 2020 en van 29 september 2020.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit een brief van de raad voor de kinderbescherming, verder: de raad, van 19 januari 2021 met als bijlage het rapport van de raad van 19 januari 2021.

1.3

Op 20 april 2021 is de mondelinge behandeling voortgezet. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is [C] verschenen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikkingen van 21 juli 2020 en 29 september 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In de tussenbeschikking van 21 juli 2020 heeft het hof de raad verzocht binnen twee weken een advies uit te brengen over zowel de gezagskwestie als de omgangsregeling naar aanleiding van het in hoger beroep gevoerde debat tussen partijen. Op 31 juli 2020 heeft de raad in een schriftelijke reactie het hof van advies gediend. Hierover hebben partijen zich uitgelaten.

2.3

Bij tussenbeschikking van 29 september 2020 heeft het hof zich op grond van de beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht geacht om een beslissing te kunnen geven. Het hof heeft de behandeling van de zaak aanhouden en de raad verzocht een nieuw onderzoek in te stellen naar de in het belang van [de minderjarige] zijnde gezagsvoorziening en zorg- en/of omgangsregeling waarbij het hof heeft vermeld dat de raad, desgewenst, zijn onderzoek kan uitbreiden naar een in het belang van [de minderjarige] noodzakelijke beschermingsmaatregel. Het hof heeft de raad verzocht om over het verloop van het onderzoek en de bevindingen te rapporteren.

2.4

In zijn rapport van signaleert de raad het volgende. [de minderjarige] wordt teveel belast met de zorgen en spanningen van de moeder en hij krijgt daardoor onvoldoende ruimte om op een goede manier contact met de vader te kunnen onderhouden en te komen tot een gezonde ontwikkeling. [de minderjarige] wordt daarnaast belast door de spanningen en de strijd tussen zijn ouders, die beide een verleden hebben, waarbij drugs en conflicten in de relatie een grote rol spelen. Hierdoor loopt zijn ontwikkeling gevaar en kan hij problemen gaan ervaren met het aangaan van sociale relaties, het hebben van vertrouwen in voor hem belangrijke mensen en komt de omgang met de vader onder druk te staan. De moeder blijft vermoedens van seksueel misbruik van [de minderjarige] uiten, ook nadat het onderzoek daarnaar geen aanwijzingen voor de juistheid van die stelling heeft opgeleverd. Ook dat legt grote druk op [de minderjarige] en bemoeilijkt het contact met de vader verder. De raad constateert dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt, dat er op school geen zorgen naar voren zijn gekomen, dat [de minderjarige] graag naar zijn vader gaat, ook wil blijven slapen en dat hij vrolijk terugkomt en dat het ouders op dit moment lukt om de rust te bewaren en in gesprek te gaan met elkaar, ook over de contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige] . De Raad adviseert daarom dat moeder eerst hulp voor zichzelf krijgt om te onderzoeken waar haar vermoedens en angsten vandaan komen. Tevens kan gedacht worden aan de inzet van opvoedondersteuning bij beide ouders om meer zicht te krijgen op de interactie tussen ouders en [de minderjarige] . Er kan dan vanuit een overkoepelende en professionele visie bekeken worden of en welke zorgen er zijn in de interactie tussen de afzonderlijke ouders en [de minderjarige] . De Raad ziet op dit moment geen mogelijkheden dat de ouders hun problemen zelfstandig kunnen gaan oplossen of zelf de hulp gaan inzetten. De ouders lijken nu weer wat meer op één lijn te zitten, maar lastige onderwerpen worden uit de weg gegaan.

2.5

Er blijft sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] , omdat zijn ouders niet op één lijn zitten, en moeder beschuldigingen blijft maken over misbruik. Daarom concludeert de raad dat er een ondertoezichtstelling nodig is voor [de minderjarige] en heeft hij bij de kinderrechter om een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden verzocht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad verklaard dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op 12 februari 2021 is uitgesproken.

2.6

Verder concludeert de raad in zijn rapport dat een gezagswijziging (het hof begrijpt: het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezamenlijk gezag alsnog af te wijzen) niet in het belang is van [de minderjarige] . De ouders vinden het moeilijk om gezamenlijk beslissingen te nemen, maar daarvoor hebben de ouders nog geen hulp gehad. De raad ziet (vooralsnog) niet dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders doordat bepaalde beslissingen niet genomen kunnen worden waardoor zijn ontwikkeling of veiligheid in het geding komen. De raad adviseert om het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] in stand te laten.

2.7

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- op opvoedingstaken van de ouders betreffende [de minderjarige] , (verder: de zorgregeling) adviseert de raad de geldende zorgregeling in stand te laten.

2.8

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij het advies van de raad kan accepteren en bereid is in te stemmen met dat advies.

Ook de vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij kan instemmen met het advies van de raad.

Gelet hierop zal het hof overeenkomstig het advies van de raad beslissen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking dient te bekrachtigen.

Het hof merkt hier nog bij op dat de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling meer zicht kan krijgen en houden op de opvoedsituatie van [de minderjarige] , de opvoedvaardigheden van beide ouders, en kan ingrijpen als het niet goed blijft gaan met [de minderjarige] .

2.9

Gelet op de aard van de procedure ziet het hof aanleiding de kosten van de procedure te compenseren.

2.10

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep haar verzoek nog vermeerderd/gewijzigd in die zin dat zij verzoekt dat bij wijziging van de woonsituatie van de vader, hij woont al jarenlang bij zijn ouders, in overleg met de in het kader van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] benoemde gecertificeerde instelling (GI) een andere zorgregeling tot stand wordt gebracht dan wel bekeken wordt of de geldende zorgregeling nog in het belang van [de minderjarige] is.

2.11

Het hof acht een wijziging/vermeerdering van het verzoek door de moeder voor het eerst gedaan tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, in strijd met de goede procesorde. Het hof laat dit verzoek dan ook buiten beschouwing.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 9 oktober 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, K.A.M. van Os-ten Have en A.T. Bol, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.