Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5092

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.263.032/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijden door rood. De ambtenaren hadden geen direct zicht op het verkeerslicht, maar aan de hand van informatie over de afstelling van de installatie kan worden vastgesteld dat de betrokkene door rood moet zijn gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.263.032/01

CJIB-nummer

: 215640517

Uitspraak d.d.

: 27 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor:
“Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op
31 maart 2018 om 19:34 uur op de Burgemeester Mijssingel in Gouda met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .

2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen, nu daarin wordt overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de ambtsedige verklaring van de verbalisant. De verklaring in het zaakoverzicht betreft echter geen ambtsedige verklaring. Verder voert de gemachtigde aan dat de betrokkene ontkent dat hij door rood is gereden. De ambtenaar kwam van links en had dus geen rechtstreeks zicht op het voor de betrokkene geldende verkeerslicht. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.

3. Het hof stelt vast dat de officier van justitie de tekst in het zaakoverzicht ten onrechte heeft aangemerkt als een ambtsedige verklaring. Tot vernietiging van diens beslissing behoeft dit echter niet te leiden. De Wahv stelt namelijk niet de eis dat aan de oplegging van administratieve sancties een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat een gedraging is verricht kan ook worden gebaseerd op andere gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Wij reden in ons opvallend politievoertuig op de Burgemeester Van Reenensingel, komende uit de richting Goudse Poort. Wij zagen op de kruising Burgemeester van Reenensingel en de Burgemeester Mijssingel dat voor ons alle drie de verkeerslichten op groen stonden. Wij zagen, ongeveer 30 meter voor de kruising, dat een bromfietser van een bezorgservice, vanaf de Burgemeester Mijssingel de Burgemeester van Reenensingel overstak in de richting van de Groenhovenweg. Wij wisten beide dat deze bromfietsbestuurder het rode licht genegeerd moest hebben. Na de staandehouding zijn wij teruggereden naar voornoemde verkeerslichtinstallatie en hebben wij de werking gecontroleerd. Wij zagen beide dat de verkeerslichten naar behoren werkten. Op het moment dat de verkeerslichten op de Burgemeester van Reenensingel op groen staan dan staan de verkeerslichten op de Burgemeester Mijssingel langdurig op rood.”

5. De betrokkene ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest d.d. 13 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4941, is het hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd. De ambtenaar zal ook moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daarover uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.

6. De advocaat-generaal heeft bij de wegbeheerder informatie opgevraagd over de werking van de betreffende verkeersregelinstallatie (VRI). Een medewerker in de functie van beheerder VRI’s van de gemeente Gouda, Directie Ruimtelijke Ontwikkeling, Afdeling Beheer Openbare Ruimte, heeft hierop, zakelijk weergegeven, verklaard dat het met de regeling die op dit moment in de VRI draait niet mogelijk is dat richting 11 (politie) en 34 (brommer) gelijktijdig op groen staan. De interne bewaking van de VRI voorkomt dit. Verder verklaart hij dat sinds 31 maart 2018 geen nieuwe regeling is geladen in de VRI, waarmee bovenstaande dus ook toen van toepassing was. Tot slot verklaart hij dat er geen storingen zijn geregistreerd van de betreffende VRI op 31 maart 2018.

7. Het hof is van oordeel dat uit op grond van bovengenoemde informatie de conclusie kan worden getrokken dat op het moment dat het voor de ambtenaren bestemde verkeerslicht op groen stond, het voor de betrokkene bestemde verkeerslicht op rood stond en dat de betrokkene, door op dat moment niet te stoppen, het rode verkeerslicht heeft genegeerd. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

9. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.