Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5080

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.270.066/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De ambtenaar zag zich tijdens een spoedrit geconfronteerd met een dubbel geparkeerd voertuig en verzocht de bestuurder die snel te verplaatsen, zodat hij zijn rit kon hervatten. Van de ambtenaar wordt in die situatie niet verwacht dat hij zijn spoedrit nog langer onderbreekt om de identiteit van de bestuurder vast te stellen. De sanctie mocht aan de kentekenhouder worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.270.066/01

CJIB-nummer

: 222233041

Uitspraak d.d.

: 26 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland van 14 oktober 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. Bij de officier van justitie is onder meer aangevoerd dat de beschikking ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv is opgelegd. De officier van justitie is in het geheel niet ingegaan op dit verweer en maakt daarmee niet inzichtelijk waarom de aangevoerde argumenten geen doel treffen. De kantonrechter heeft dit miskend en had de beslissing van de officier van justitie moeten vernietigen.

2. Het hof stelt met de gemachtigde vast dat de officier van justitie in het geheel niet is ingegaan op de door hem aangevoerde gronden met betrekking tot artikel 5 van de Wahv. Hoewel de officier van justitie niet is gehouden om op ieder argument expliciet in te gaan, mag wel worden verwacht dat uit de beslissing blijkt dat de aangevoerde gronden in de afweging zijn betrokken. Nu de officier van justitie de gronden met betrekking tot de staandehouding onbesproken heeft gelaten, voldoet de beslissing niet aan de eis van artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De kantonrechter had om deze reden de beslissing van de officier van justitie moeten vernietigen.

3. Het voorgaande houdt in dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond zal verklaren en ook die beslissing zal vernietigen.

4. Ter beoordeling staat vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 95,- voor: “dubbel parkeren”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 december 2018 om 16.51 uur op de Borneostraat in Utrecht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

5. De gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikking aangevoerd dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Artikel 5 van de Wahv is niet bedoeld voor situaties als de onderhavige. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5 van de Wahv blijkt dat dit artikel in het leven is geroepen voor situaties waarbij in het geheel geen ambtenaar aanwezig is of situaties waarbij in het geheel geen overtreder aanwezig is. Omdat in deze zaak geen sprake is van een parkeerboete waarbij geen overtreder aanwezig is, of van een constatering met behulp van technische middelen kan artikel 5 van de Wahv niet worden toegepast. Voorts voert de gemachtigde aan dat de bestuurder heeft waargenomen dat er foto’s zijn gemaakt, die echter niet in het dossier zitten. De gemachtigde is dan ook van mening dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.

6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Tijdens een spoedrit reden wij verbalisanten de straat in. Wij zagen dat het betrokken voertuig dubbel geparkeerd stond op de weg. Bestuurder reageerde niet op onze signalen. Toen wij naar binnen liepen om te vragen of zij het voertuig snel wilden weghalen in verband met spoed had de bestuurder geen haast. Wij zagen dat de bestuurder het voertuig in zijn achteruit zette omdat de witte lampen gingen branden., Wij zagen dat hij hem toen in een vak ging parkeren. (…)
Reden geen staandehouding: wegens spoedmelding geen staandehouding kunnen doen.”

8. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt niet dat er foto’s van de gedraging zijn gemaakt. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding daaraan te twijfelen.

9. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

10. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 5 van de Wahv alleen bedoeld is voor situaties waarbij de gedraging met behulp van technische middelen is geconstateerd of in geval van parkeerovertredingen, waarbij de overtreder niet aanwezig is. De voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis waarop de gemachtigde dit standpunt baseert, behelzen geen limitatieve opsomming. Dit betekent dat ook in andere situaties dan de situaties in de genoemde voorbeelden een sanctie aan de kentekenhouder kan worden opgelegd zonder dat voorafgaande staandehouding heeft plaatsgevonden. Daarbij is het uitgangspunt, zoals hiervoor is overwogen, dat slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd.

11. Het hof gaat er in dit geval van uit dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de ambtenaren bezig waren met een spoedrit (tijdens welke rit zij met deze gedraging werden geconfronteerd). Op grond daarvan acht het hof aannemelijk dat er voor de ambtenaar op dat moment mogelijk wel een feitelijke mogelijkheid om de bestuurder staande te houden (nu de ambtenaar hem heeft aangesproken om het voertuig te verwijderen zodat zij de spoedrit konden hervatten), maar dat hiertoe onder deze omstandigheden geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder bestond. Om de bestuurder staande te houden en alle benodigde gegevens te noteren, hadden de ambtenaren de spoedrit immers nog langer moeten onderbreken. De ambtenaar heeft de sanctie dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder heeft opgelegd. Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.

12. Het voorgaande brengt mee dat het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal verklaren.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.