Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5064

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.267.052/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatieplicht officier van justitie. Een document dat niet bij de oplegging van de sanctie of bij de beoordeling van het beroep is gebruikt, is in de regel geen op de zaak betrekking hebbend stuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.267.052/01

CJIB-nummer

: 204381012

Uitspraak d.d.

: 26 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven, omdat het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter geen behoorlijke zakelijke weergave van de zitting bevat. Het proces-verbaal bevat niet meer dan een opsomming van de standpunten van de betrokkene en de beslissing van de kantonrechter. Uit het proces-verbaal kan niet worden opgemaakt wat ter zitting is voorgevallen en besproken en wat de standpunten van de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie zijn geweest.

2. Een proces-verbaal dient een zakelijke weergave te bevatten van hetgeen is voorgevallen ter zitting (vgl. het arrest van het hof van 9 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8307).

3. Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van

29 januari 2019 een zakelijke weergave bevat van hetgeen is voorgevallen op de zitting, waaronder de vermelding van het standpunt van de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie ten aanzien van het beroep. De klacht van de gemachtigde faalt.

4. De gemachtigde voert voorts aan dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven, omdat de kantonrechter kennelijk meent dat hetgeen onder de zaakstukken moet worden verstaan vrijwel altijd is beperkt tot het zaakoverzicht en een eventuele foto. De kantonrechter miskent dat zodra de officier van justitie op enig moment stukken aan het dossier toevoegt deze stukken daarmee onder het bereik vallen van artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en als zaakstukken dienen te worden aangemerkt. Een afschrift van die stukken had moeten worden verstrekt. In het dossier bevinden zich stukken zoals een uitdraai van het V&J Basisregistratieportaal. Deze uitdraai is een op de zaak betrekking hebbend stuk.

5. In het administratief beroepschrift d.d. 26 februari 2017 heeft de gemachtigde verzocht om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Bij brief d.d. 13 april 2017 heeft de officier van justitie op het informatieverzoek gereageerd en het zaakoverzicht aan de gemachtigde verstrekt. Op 24 oktober 2017 heeft de officier van justitie op het administratief beroep beslist. Het uittreksel van het V&J Basisregistratieportaal is gedateerd 14 november 2017.

6. De kantonrechter heeft - voor zover relevant - het volgende overwogen:

“Artikel 7:18 Awb voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het bestuursorgaan. In zaken als deze worden het zaakoverzicht en - indien van toepassing - een foto van de gedraging aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Andere documenten hoeven slechts deel uit te maken van het dossier indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vgl. het arrest van het hof van 17 oktober 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:8247). De kantonrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak het uittreksel V&J Basisregistratieportaal aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk.”

7. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb in de fase van het administratief beroep is gehouden op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Het gaat daarbij om de stukken waarop de voor de sanctieoplegging relevante gegevens zijn vermeld en de stukken die de ambtenaar bij het opleggen van de sanctie heeft gebruikt (vgl. het arrest van het hof van 2 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1050). Verder moeten in administratief beroep als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt de stukken die de officier van justitie in verband met het tegen de opgelegde sanctie gevoerde verweer heeft opgevraagd alvorens op het administratief beroep te beslissen (vgl. het arrest van het hof van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6968).

8. Het uittreksel van het V&J Basisregistratieportaal is in administratief beroep geen op de zaak betrekking hebbend stuk geweest. Bij de oplegging van de sanctie -waarbij de gedraging op automatische wijze is vastgesteld door middel van registervergelijking- is dit stuk niet gebruikt. Evenmin heeft de officier van justitie dit stuk opgevraagd in verband met het tegen de oplegging van de sanctie gevoerde verweer of bij de beslissing op het administratief beroep gebruikt. Dit betekent dat niet kan worden geoordeeld dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. Het verweer dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten, treft geen doel.

9. Het stuk -dat een weergave betreft van de gegevens van de in de voor de vaststelling van de gedraging vergeleken registers- is na het instellen van beroep tegen de beslissing van de officier van justitie opgevraagd en overeenkomstig artikel 10 van de Wahv door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht. Het stuk is daarmee in beroep bij de kantonrechter een op de zaak betrekking hebbend stuk. Uit de stukken blijkt dat de griffier van de rechtbank de gemachtigde op de voet van artikel 11, vijfde lid, van de Wahv (ook) een afschrift van dit stuk heeft verstrekt. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat jegens de gemachtigde niet is voldaan aan de informatieplicht.

10. Voorts voert de gemachtigde gronden aan tegen de motivering van de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de inleidende beschikking.

11. Aan de betrokkene is bij die beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 23 november 2016 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

12. De gemachtigde voert aan dat hij in de procedure bij de kantonrechter heeft aangevoerd dat de betrokkene abusievelijk over het hoofd heeft gezien om ten aanzien van het voertuig de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. De betrokkene is werkzaam bij [B] en was [---] in het buitenland. Bij terugkomst heeft de betrokkene de tenaamstelling in het kentekenregister alsnog opnieuw met bekwame spoed geschorst. De tenaamstelling is slechts een betrekkelijk korte periode niet geschorst geweest. De betrokkene is ongehuwd en het voertuig stond tijdens zijn uitzending naar het buitenland afgesloten in zijn garage. De kantonrechter heeft geen blijk gegeven kennis te willen nemen van deze relevante en gestelde omstandigheden. De omstandigheden dat men onverwijld actie heeft ondernomen om de overtreding te beëindigen en de overtreding van korte duur is geweest, kunnen aanleiding zijn om het bedrag van de sanctie te matigen. Deze omstandigheden doen zich in casu voor. De gemachtigde verwijst in dit verband naar het (niet gepubliceerde) arrest van het hof van 11 maart 2019, Wahv 200.217.631. Tevens doet de gemachtigde namens de betrokkene een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu het openbaar ministerie in vergelijkbare zaken aanleiding zag om het bedrag van de sanctie te matigen.

13. De kantonrechter heeft - voor zover relevant - het volgende overwogen:

“Ten slotte overweegt de kantonrechter dat de verzekeringsplicht van een voertuig wordt gezien als de zorgplicht van de kentekenhouder van het voertuig. Er wordt van de kentekenhouder verwacht dat deze ervoor zorgt dat het voertuig verzekerd is of geschorst wordt. De omstandigheid dat betrokkene voor zijn werk voor [B] in het buitenland zat en de schorsing niet tijdig kon verlengen, komt derhalve voor zijn rekening en risico. Nu niet met zekerheid vaststaat dat het voertuig niet op de openbare weg is geweest en er voorts geen andere feiten of omstandigheden zijn gebleken die aanleiding geven tot matiging van de opgelegde sanctie, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

14. Het hof stelt voorop dat de in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 van de Wahv meebrengt dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie en dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van het voor elke gedraging vastgestelde tarief af te wijken.

15. De beslissing van de kantonrechter is overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wahv met redenen omkleed. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat degene die langdurige afwezigheid voorziet een voorzienig kan en dient te treffen voor adequate behandeling van de post die op het door hem opgegeven adres binnenkomt. Dat de betrokkene na terugkomst van zijn werk in het buitenland de tenaamstelling in het kentekenregister alsnog opnieuw heeft geschorst nadat die abusievelijk niet was geschorst, geeft onvoldoende aanleiding om af te wijken van de vastgestelde tarieven. Dat met het voertuig destijds geen gebruik is gemaakt van de openbare weg is evenmin reden om tot matiging van het bedrag van de sanctie over te gaan. Dat geldt ook voor de verwijzing, door de gemachtigde, naar het arrest van het hof van 11 maart 2019. De kantonrechter was in casu niet gehouden om op het verweer dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd in verdergaande mate te responderen dan hij heeft gedaan. Van schending van het motiveringsbeginsel door de kantonrechter is dan ook geen sprake.

16. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft evenmin doel. Niet kan worden geoordeeld dat door het openbaar ministerie met betrekking tot soortgelijke zaken een vast beleid wordt gevoerd waaraan het openbaar ministerie ook ten aanzien van de betrokkene niet voorbij had mogen gaan (vgl. het arrest van het hof van 4 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:985).

17. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

18. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.