Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5035

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
200.283.758/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

De verantwoordelijkheid voor een goede zorgregeling ligt bij de ouders. Hof houdt de zaak aan en stuurt de ouders (met waarborgen omgeven) naar de hulpverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.283.758/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 159972)

beschikking van 11 mei 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.S. Bauer te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 augustus 2018, 14 augustus 2019 en

1 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 september 2020;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht namens de moeder van 3 november 2020 met productie(s);

- een akte van depot namens de vader van een usb-stick op 9 november 2020.

2.2

Bij beschikking van 8 december 2020 heeft het hof het verzoek van de moeder om de schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking van 1 juli 2020 afgewezen.

2.3

De hierna nader te melden [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 28 april 2021 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad), in het kader van zijn adviserende taak, is [B] verschenen.

3 De omvang van het geschil

3.1

Tussen de ouders is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen (hierna: de zorgregeling) betreffende [de minderjarige1] , geboren [in] 2007, [de minderjarige2] , geboren [in] 2009 en [de minderjarige3] , geboren [in] 2013.

3.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vader (om - kort gezegd - een zorgregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen op straffe van verbeurte van een dwangsom) af te wijzen, althans te bepalen dat de kinderen middels een door het hof in goede justitie te bepalen zorgregeling zonder overnachting bij de vader verblijven en zonder dat aan de nakoming een dwangsom is gekoppeld.

3.3

De vader voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ter zitting is het hof gebleken, dat de bij de bestreden beschikking van 1 juli 2020 vastgelegde zorgregeling door de ouders niet wordt nagekomen. Bleven de beide zoons aanvankelijk nog bij de vader slapen, daar is de laatste tijd geen sprake meer van.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat er een kindercoach voor de kinderen is ingeschakeld, dat zij daar toestemming voor heeft gegeven, maar dat de vader dat tot op heden nog niet heeft gedaan, zodat er nog steeds geen gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de kindercoach en de kinderen.

Uit de tussen de ouders gewisselde Whatsapp-berichten blijkt, dat de ouders elkaar over en weer verwijten maken en niet in staat zijn om in het belang van hun kinderen op ouderniveau met elkaar te communiceren.

4.2

Het hof heeft de ouders voorgehouden, dat zij beiden nog in de verwijtensfeer zitten en dat zij - wanneer zij zelf geen oplossing vinden voor hun geschil en de huidige situatie onveranderd blijft - een groot risico lopen dat één van beiden het contact met de kinderen verliest. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat veel kinderen die na een echtscheiding geen contact meer hebben met een van hun ouders op latere leeftijd veel psychische problemen ervaren met alle ellende van dien.

Het hof heeft de ouders er dan ook op gewezen dat zij beiden over het verleden heen moeten stappen en zich op de toekomst dienen te richten.

4.3

Het hof vindt dat de verantwoordelijkheid voor een goede zorgregeling bij de ouders ligt en dat het dus de ouders zelf zijn die aan zet zijn en hard aan het werk moeten. Het hof vindt niet dat de oplossing ligt in het opleggen van wederzijdse dwangsommen zoals namens de vader is voorgesteld. Het hof heeft de ouders voorgehouden dat zij weliswaar beiden stellen dat het goed gaat met de kinderen, maar dat zij nu als ouders geen goed voorbeeld geven aan hun kinderen als het gaat om omgaan met conflicten, strijd en (ex-)partners. De ouders zien dit zelf ook in, omdat zij beiden de wens hebben geuit dat er hulpverlening wordt ingeschakeld. Deze wens hebben zij geuit zowel bij de mondelinge behandeling in hoger beroep van het schorsingsverzoek als bij de mondelinge behandeling op 28 april 2021, maar desondanks is er nog (steeds) geen (adequate) hulpverlening ingezet. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat dit nu wel gebeurt en dat de ouders onder begeleiding van een neutrale hulpverlener van het wijkteam met elkaar in gesprek gaan en dat de ouders een manier vinden waarbij zij op een enigszins normale manier op ouderniveau met elkaar kunnen communiceren en de gemaakte afspraken nakomen. Voor de kinderen dient helder te zijn wat zij van beide ouders kunnen verwachten.

4.4

Het hof zal, zoals reeds ter zitting medegedeeld, met ingang van 15 mei 2021 de werking van de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 juli 2020 schorsen en de behandeling van de zaak aanhouden tot 1 september 2021. Het hof heeft ter zitting de raad gevraagd om zo spoedig mogelijk, uiterlijk 15 mei 2021, contact op te nemen met het wijkteam om een overdracht te doen van wat ter zitting bij het hof van 28 april 2021 is besproken en om ervoor te zorgen dat de ouders van het wijkteam een oproep ontvangen voor een gesprek met een neutrale hulpverlener van het wijkteam. Het hof verzoekt de ouders het hof uiterlijk

1 september 2021 schriftelijk te informeren wat de stand van zaken op dat moment is met betrekking tot de uitvoering van de zorgregeling. Wanneer reeds eerder mocht blijken dat er geen uitvoering meer wordt gegeven aan de zorgregeling, kan de advocaat van de vader dan wel de moeder het hof hierover eerder berichten. In dat geval zal het hof zo spoedig mogelijk een nieuwe mondelinge behandeling plannen. Bij een eventuele nieuwe zitting bestaat de mogelijkheid dat het hof op voorhand de raad zal vragen (ten minste) met de kinderen te gaan praten en informatie in te winnen bij hun scholen. Dit omdat het hof zorgen heeft over het welzijn van de kinderen.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

schorst met ingang van 15 mei 2021 de werking van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 juli 2020;

alvorens verder te beslissen:

verzoekt de ouders om uiterlijk 1 september 2021 het hof schriftelijk te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de zorgregeling.

bepaalt dat het hof na de ontvangst van voornoemde informatie zal beslissen over de wijze van voortgang van de zaak;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is op 11 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.