Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5024

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
200.270.715/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatschap met betrekking tot gezamenlijke exploitatie windmolen, van rechtswege ontbonden op grond van artikel 7A:1683 BW.

Verdeelsleutel opbrengsten windmolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.270.715/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 160716)

arrest van 25 mei 2021

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante],

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. P. Sipma, die kantoor houdt te Drachten,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2],

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. P. Bollema, die kantoor houdt te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud over van het tussenarrest van 27 oktober 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2

Op 31 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van het procesdossier.

1.3

Daarna is de zaak naar de rol verwezen voor arrest.

2 Kern van de zaak en de beslissing van het hof

2.1

[geïntimeerden] c.s. en [appellant] (en later ook [appellante] ) zijn een maatschap aangegaan ten behoeve van de gezamenlijke exploitatie van een gezamenlijk aangeschafte windmolen. Deze windmolen is in 2017 afgebroken en verkocht. Vervolgens hebben partijen een overeenkomst gesloten met EWT Direct Wind NL2 B.V. (EWT) met betrekking tot de exploitatie van een nieuwe windmolen die eigendom is van EWT. In geschil is of de maatschap van partijen ter exploitatie van een windmolen is geëindigd, en zo ja, wat de gevolgen daarvan zijn. Daarnaast is in geschil hoe de opbrengsten van de overeenkomst met (de rechtsopvolger van) EWT tussen partijen moeten worden verdeeld.

2.2

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft in het vonnis van

4 september 2019 - voor zover in dit hoger beroep van belang - geoordeeld dat de maatschap per 1 januari 2018 (op grond van artikel 7A:1683 BW) van rechtswege is ontbonden. De door [appellanten] c.s. gevorderde verklaring voor recht dat de maatschap tussen partijen is beëindigd per 31 december 2017 is toegewezen en de vordering van [geïntimeerden] c.s. om de maatschap te mogen voortzetten is afgewezen. Wat betreft de opbrengsten van de overeenkomst met EWT heeft de rechtbank als verdeelsleutel toegepast dat daarvan € 850,- per maand aan [appellanten] c.s. toekomt en € 650,- per maand aan [geïntimeerden] c.s. De proceskosten zijn gecompenseerd, zowel in conventie als in reconventie.

2.3

Het hof oordeelt dat de maatschap tussen partijen op grond van artikel 7A:1683 sub 2° BW van rechtswege is ontbonden en past voor de opbrengsten uit de overeenkomst met EWT als verdeelsleutel toe: € 1.200,- voor [appellanten] c.s. en € 300,- voor [geïntimeerden] c.s. Hierna legt het hof uit hoe het tot zijn oordeel komt.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1

[geïntimeerden] c.s. en [appellant] zijn per 1 januari 1996 een maatschap aangegaan ten behoeve van de gezamenlijke exploitatie van een windmolen, van het merk Nordtank, type 43600. De door [geïntimeerden] c.s. en [appellant] aangeschafte windmolen is ingebracht in de maatschap.

3.2

Door [geïntimeerden] c.s. is daarnaast (voor zover nodig) het gebruik en genot ingebracht van de aan hen in eigendom toebehorende percelen grond, om een leiding te realiseren van de windmolen naar het transformatorstation.

3.3

[appellant] heeft op 16 augustus 1996 een naast de gebouwen/woning van [appellant] gelegen perceel grond, kadastraal bekend gemeente Ried, sectie [Y] , nr. [000] , met een totale oppervlakte van ongeveer 00.86.30 hectare aangekocht. Door [appellant] is van dit perceel het gebruik en genot van ongeveer 100 m2 en het gebruik en genot van het recht van toegang tot dat gedeelte van het perceel ingebracht in de maatschap ten behoeve van de exploitatie van de windmolen.

3.4

[appellante] is in 1999 toegetreden tot de maatschap. Partijen zijn in het kader van voortzetting van voormelde samenwerking een (nieuwe) maatschap aangegaan voor de gezamenlijke exploitatie van de windmolen. [appellante] heeft daarbij haar kennis, arbeid en vlijt ingebracht, terwijl [geïntimeerden] c.s. en [appellant] het onder 3.1 tot en met 3.3 genoemde opnieuw hebben ingebracht. Met betrekking tot de windmolen is aangegeven dat de economische eigendom van de gezamenlijke windmolen is ingebracht. De jaarlijkse winsten of verliezen worden tussen de vennoten verdeeld, waarbij iedere vennoot een percentage van 25% toekomt of heeft te dragen.

3.5

Vanaf 1996 zijn de financieringslasten van het door [appellant] ingebrachte perceel grond door de maatschap betaald en in de jaarrekening verwerkt. In de jaarrekening van de maatschap van 1999 is dit met terugwerkende kracht vanaf 1996 gecorrigeerd.

3.6

Medio 2017 is de windmolen uit 1996 afgebroken en verkocht voor een bedrag van

€ 15.000,-, welke bedrag ten goede is gekomen aan de maatschap.

3.7

Vervolgens is er een windmolen geplaatst die eigendom is van en is opgericht door EWT. Deze windmolen is omstreeks november 2017 in bedrijf genomen. Daartoe is op

25 september 2016 tussen [geïntimeerden] c.s., [appellanten] c.s. en EWT een overeenkomst gesloten. De overeenkomst is in briefvorm opgesteld en gericht aan “Maatschap [geïntimeerde1] ,

[geïntimeerde2] en [appellant] ” en is door alle vier de vennoten ondertekend.

3.8

Ten behoeve van het plaatsen van deze windmolen is een recht van opstal gevestigd ten behoeve van Emergya Wind Technologies B.V. (eveneens EWT te noemen) op het perceel grond van [appellant] alsmede een recht van erfdienstbaarheid op een aantal percelen grond van [geïntimeerden] c.s. ten behoeve van elektriciteitsleidingen voor de aansluiting van de windmolen. In de notariële akte, die op 15 september 2017 voor notaris Koelma, gevestigd in de gemeente Franekeradeel, is verleden, is opgenomen dat EWT voor het opstalrecht maandelijks retributie aan [appellant] verschuldigd is van € 1.500,- te vermeerderen met btw. De betaling daarvan dient te geschieden op een door [appellant] op te geven bankrekening. Verder is in hoofdstuk V van de akte onder het kopje “Medewerking vennoten” melding gemaakt van de maatschap die partijen in 1999 zijn aangegaan en is aangegeven dat partijen over en weer verklaren toestemming te hebben verleend voor het aangaan van de in deze akte vastgestelde overeenkomst.

3.9

Op 27 december 2017 hebben [appellanten] c.s. mondeling aangegeven de maatschap te willen beëindigen, waarna partijen diverse malen hebben gesproken over beëindiging van de maatschap. Ook hebben [geïntimeerden] c.s. in december 2017 een factuur ontvangen van een door [appellanten] c.s. ingeschakelde advocaat, voor een adviesgesprek over beëindiging van de maatschap. Voorts hebben partijen gesproken over een (aangepaste) verdeling van de van EWT te ontvangen vergoeding van € 1.500,- per maand, in die zin dat [geïntimeerden] c.s. een bedrag van € 650,- zou ontvangen en [appellanten] c.s. een bedrag van € 850,-.

3.10 (

De rechtsopvolger van) ETW heeft de retributie met ingang van 1 januari 2018 aan [appellant] voldaan. Tussen partijen is discussie ontstaan over de facturering en betaling daarvan op de bankrekening van [appellant] .

3.11

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de beëindiging van de maatschap.

4 De beoordeling van het hoger beroep

De vorderingen in hoger beroep

4.1

[appellanten] c.s. vorderen in het principaal hoger beroep en na eiswijziging het vonnis van de rechtbank van 4 september 2019 te vernietigen voor zover het betreft het onder 5.4 opgenomen dictum en opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat [appellanten] c.s. tijdens de resterende duur van het contract met EWT (of haar rechtsopvolger) binnen twee weken na het door hen van EWT te ontvangen bedrag een bedrag van € 79,- exclusief btw per maand aan [geïntimeerden] c.s. dienen te voldoen,

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen om de door [appellanten] c.s. te veel aan [geïntimeerden] c.s. betaalde bedragen in het kader van de overeenkomst, die partijen gezamenlijk met EWT hebben gesloten, als onverschuldigd terug te betalen binnen twee weken na betekening van dit arrest,

- [geïntimeerden] c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2

[geïntimeerden] c.s. vorderen in het incidenteel hoger beroep, na eiswijziging en samengevat:

- primair: te verklaren voor recht dat de maatschap rechtsgeldig is opgezegd per 1 april 2018 en dat [geïntimeerden] c.s. gerechtigd zijn de maatschap voort te zetten met daarbij horende nevenvorderingen,

- subsidiair: te verklaren voor recht dat de maatschap niet (van rechtswege) is ontbonden of door opzegging is geëindigd en [geïntimeerden] c.s. en [appellanten] c.s. bij voortduring daarvan zijn gebonden aan de bepalingen in de maatschapsovereenkomst alsmede [appellanten] c.s. te veroordelen tot nakoming van die overeenkomst, op straffe van een dwangsom,

- meer subsidiair: [appellanten] c.s. te veroordelen om tijdens de looptijd van het contract met EWT (of haar rechtsopvolger) binnen twee weken na het door [appellanten] c.s. ten behoeve van de exploitatie ontvangen bedrag de helft daarvan per maand aan [geïntimeerden] c.s. te voldoen.

Een en ander met veroordeling van [appellanten] c.s. in de proceskosten van beide instanties, waaronder de kosten voor de door [geïntimeerden] c.s. gelegde conservatoire beslagen.

4.3

Tegen de eiswijzigingen van [appellanten] c.s. en [geïntimeerden] c.s., die processueel op het juiste tijdstip zijn gedaan, is als zodanig geen bezwaar gemaakt. Omdat het hof daartegen ook ambtshalve geen bezwaren aanwezig acht, zal het hof van die gewijzigde vorderingen uitgaan.

Inleiding

4.3

[appellanten] c.s. hebben (in het principaal hoger beroep) één bezwaar (grief) aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. In die grief wordt de verdeelsleutel aan de orde gesteld die de rechtbank heeft toegepast voor de verdeling van de opbrengsten van de overeenkomst met EWT.

4.4

[geïntimeerden] c.s. hebben (in het incidenteel hoger beroep) vier bezwaren (grieven) aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. Grief I is gericht tegen de feitenvaststelling in rechtsoverweging 2.8 van het vonnis. Voor zover [geïntimeerden] c.s. erover klagen dat de rechtbank onvolledig of onjuist is geweest in die feitenweergave, heeft het hof hiermee rekening gehouden bij de feitenvaststelling onder 3. Hetgeen [geïntimeerden] c.s. in de toelichting op deze grief verder hebben aangevoerd, zal het hof zo nodig bij de beoordeling van de overige grieven betrekken. Grief II heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat de maatschap per 1 januari 2018 is ontbonden. Met grief III keren [geïntimeerden] c.s. zich tegen de door de rechtbank toegepaste verdeelsleutel. Grief IV ziet op de beslissing om de proceskosten te compenseren.

4.5

Hierna zal het hof eerst ingaan op de vraag of de maatschap van partijen (van rechtswege) is ontbonden dan wel is beëindigd. Daarna zal het hof ingaan op de verdeelsleutel voor de verdeling van de opbrengsten van de overeenkomst met EWT.

Einde maatschap

4.6

[geïntimeerden] c.s. zijn het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de maatschap per 1 januari 2018 van rechtswege is ontbonden op grond van artikel 7A:1683 BW.

4.7

In de maatschapsakte van 1999 is in artikel 1 lid 2 opgenomen dat de maatschap als doel heeft de gezamenlijke exploitatie van een windmolen van het merk Nordtank, type 43600. Het hof stelt vast dat met de afbraak en verkoop van deze windmolen medio 2017, daarvan geen gezamenlijke exploitatie meer plaatsvindt. Hiermee is het object van exploitatie teniet gegaan, waardoor de maatschap op grond van artikel 7A:1683 sub 2° BW van rechtswege ontbonden is. Dat de maatschap, volgens artikel 1 lid 3 van de maatschapsakte van 1999, voor onbepaalde tijd is aangegaan, laat onverlet dat daaraan een einde kan komen door de volbrenging der handeling die het onderwerp der maatschap uitmaakt, zoals in het hiervoor genoemde artikellid is bepaald.

4.8

Volgens [geïntimeerden] c.s. is de maatschap tussen partijen desondanks in stand gebleven. Zij wijzen daarvoor naar de overeenkomst die met EWT is gesloten over de plaatsing en exploitatie van een nieuwe windmolen. Het hof volgt [geïntimeerden] c.s. niet in dit standpunt. Als kenmerk van de overeenkomst van maatschap als bedoeld in artikel 7A:1655 BW wordt beschouwd dat zij wordt aangegaan om door middel van inbreng actief samen te werken en aldus voordeel te behalen. In zijn arrest van 8 juli 1985 heeft de Hoge Raad beslist dat een overeenkomst, die niet ertoe strekt de partijen in actieve samenwerking in het economisch verkeer door middel van hun inbreng voordeel te doen behalen, geen maatschap is in de hiervoor bedoelde zin (ECLI:NL:HR:1985:AC0445).

4.9

In de overeenkomst met EWT hebben partijen afgesproken dat ten behoeve van de plaatsing en exploitatie van een windmolen van en door EWT op het perceel grond van

[appellant] een recht van opstel zal worden gevestigd en op een aantal percelen grond van [geïntimeerden] c.s. een recht van erfdienstbaarheid ten behoeve van de elektrische leidingen. Anders dan met betrekking tot de oude windmolen vindt derhalve geen gezamenlijke exploitatie meer plaats van een aan partijen gezamenlijk toebehorende windmolen. De windmolen behoort immers toe aan EWT en wordt ook door EWT geëxploiteerd. Daarnaast volgt uit de overeenkomst dat ETW voor het opstalrecht maandelijks een vaste vergoeding van € 1.500,- (exclusief btw) verschuldigd is. Hieruit leidt het hof af dat deze overeenkomst niet ertoe strekte partijen bij de overeenkomst in actieve samenwerking in het economische verkeer door middel van hun inbreng voordeel te doen behalen.

4.10

Aan het onder 4.9 gegeven oordeel doet niet af dat in de maatschapsakte van 1999 is opgenomen dat de maatschap voor onbepaalde tijd is aangegaan en dat gezamenlijke exploitatie van de daarin bedoelde windmolen plaatsvindt in de ruimste zin van het woord. Zoals onder 4.7 is overwogen is die maatschap met de afbraak van de oude windmolen immers ontbonden. Evenmin is voor de kwalificatie van de overeenkomst met EWT beslissend dat die overeenkomst in briefvorm is opgesteld, is geadresseerd aan de maatschap en is ondertekend door de vier vennoten en dat die maatschap bij notariële akte als partij zou zijn opgetreden.

Het gaat erom of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van een maatschap als bedoeld in artikel 7A:1655 BW. Als aan deze omschrijving niet is voldaan, is de intentie van partijen niet van belang (ECLI:NL:HR:2019:2034).

4.11

Gelet hierop kan dus niet worden aangenomen dat de verhouding tussen partijen op basis van de overeenkomst met EWT nog steeds of opnieuw als een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 BW kan worden aangemerkt.

4.12

In het voorgaande ligt besloten dat de subsidiair ingenomen standpunten van partijen (te weten dat de maatschap per 1 april 2018 rechtsgeldig is opgezegd door [geïntimeerden] c.s. dan wel volgens [appellant] op grond van artikel 7A:1684 BW wegens gewichtige redenen ontbonden kan worden) niet meer aan de orde zijn.

Verdeelsleutel

4.13

Zowel [appellanten] c.s. als [geïntimeerden] c.s. hebben bezwaren tegen de verdeelsleutel die de rechtbank heeft toegepast om de opbrengsten van de overeenkomst met EWT tussen partijen te verdelen.

4.14

[geïntimeerden] c.s. bepleiten een verdeling bij helfte omdat dit bij aanvang van de maatschap tussen partijen is overeengekomen en de situatie sindsdien niet gewijzigd is. Het hof is hiervoor echter tot het oordeel gekomen dat de maatschap tussen partijen van rechtswege is ontbonden. Anders dan [geïntimeerden] c.s. menen, werken die afspraken niet door in de huidige situatie waarin partijen zakelijke rechten ter beschikking stellen en EWT degene is die een aan haar in eigendom toebehorende windmolen exploiteert en daarvoor een vaste vergoeding aan [appellant] betaalt. Van een ongewijzigde situatie is derhalve geen sprake.

4.15

Partijen zijn het er verder over eens dat de eerder tussen hen gemaakte afspraak, waarbij een bedrag van € 850,- aan [appellanten] c.s. toekomt en een bedrag van € 650,- aan [geïntimeerden] c.s., is komen te vervallen. Daarmee is sprake van een leemte in de overeenkomst die moeten worden ingevuld of aangevuld aan de hand van de eisen van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). Het hof oordeelt dat een verdeling van € 1.200,- voor [appellanten] c.s. en € 300,- voor [geïntimeerden] c.s. in de omstandigheden van het geval redelijk is. De windmolen staat op een perceel grond van [appellant] , pal naast de (woon)boerderij van [appellanten] c.s. Zij dragen dus de lasten van de bijhorende wiekoverslag, de geluidsoverlast en gebruik van het overpad. De belasting voor [geïntimeerden] c.s. is daarentegen minimaal of zelfs afwezig. De leidingen liggen al geruime tijd onder percelen landbouwgrond, op een diepte van ongeveer 1,2 meter. Dat [geïntimeerden] c.s. hier nu of gedurende de rest van de looptijd van de overeenkomst in enigerlei vorm hinder van ervaren of zullen ervaren, acht het hof niet aannemelijk. Dat neemt niet weg dat voor de uitvoering van de overeenkomst met EWT medewerking van [geïntimeerden] c.s., in de vorm van het gevestigde recht van erfdienstbaarheid, nodig is. Het hof gaat niet mee in het betoog van

[appellanten] c.s. dat [geïntimeerden] c.s. daarvoor slechts aanspraak kunnen maken op een maandelijks bedrag van € 79,-. [appellanten] c.s. baseren de hoogte van dit bedrag op tarieven die LTO en Gasunie hanteren om schadevergoeding aan landeigenaren te bepalen voor de aanleg van aardgasleidingen.

De omstandigheden van dit geval, waarin sprake is geweest van een langdurige samenwerking tussen partijen in de vorm van een maatschap en een daaropvolgende overeenkomst met EWT die in gezamenlijkheid met partijen tot stand is gekomen, rechtvaardigen de toepassing van deze tarieven niet (voldoende), ook niet naar analogie.

4.16

De door het hof vastgestelde verdeling dient over de gehele looptijd van de overeenkomst met EWT (of haar rechtsopvolger) toegepast te worden. Dit betekent dat wat [appellanten] c.s. op basis van deze verdeling in het verleden teveel hebben betaald aan [geïntimeerden] c.s., door [geïntimeerden] c.s. aan [appellanten] c.s. moet worden terugbetaald binnen twee weken na betekening van dit arrest. De vorderingen van [appellanten] c.s. zullen met inachtneming van het voorgaande worden toegewezen.

5 De slotsom

5.1

Het hoger beroep slaagt voor zover het de door de rechtbank toegepaste verdeelsleutel betreft. Het hof zal de daarop betrekking hebbende vordering in gewijzigde zin toewijzen. Verder blijft het vonnis in stand. Het hof ziet in deze uitkomst aanleiding de beslissing van compensatie van de proceskosten in eerste aanleg in stand te laten.

5.2

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep zal het hof compenseren omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld.

5.3

Aangezien het incidenteel hoger beroep grotendeels faalt, zullen [geïntimeerden] c.s. als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het incidenteel

hoger beroep worden veroordeeld. Die kosten zullen aan de zijde van [appellanten] c.s. worden vastgesteld op € 1.114,- (2 punten x 0,5 x tarief II à € 1.114,-).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

4 september 2019, behoudens wat betreft het dictum onder 5.4, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

bepaalt dat [appellanten] c.s. tijdens de resterende duur van de overeenkomst met EWT (of haar rechtsopvolger) binnen twee weken na de door hen van EWT ontvangen retributie een bedrag van € 300,- exclusief btw per maand aan [geïntimeerden] c.s. dienen te voldoen;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. om wat door [appellanten] c.s. vanwege dit arrest onverschuldigd aan retributie aan [geïntimeerden] c.s. hebben (door)betaald aan [appellanten] c.s. terug te betalen, binnen twee weken na betekening van dit arrest,

compenseert de kosten in het principaal hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. vastgesteld op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, W.F. Boele en M. Weissink en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

25 mei 2021.