Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4991

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
200.260.740
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medehuurderschap, is sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding?

Gevolg ontbreken huisvestingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.260.740

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Utrecht, 7327457)

arrest van 25 mei 2021

in de zaak van

de stichting

Stichting GroenWest,

gevestigd te Woerden,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

eiseres in het incident,

in eerste aanleg gedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie,

hierna: GroenWest,

advocaat: mr. G.J. Scholten,

tegen:

1 [geïntimeerde1] ,

wonende op een geheim adres in de gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incident,

in eerste aanleg eisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,

hierna: [kleindochter1] ,

advocaat: mr. A.C. Mens,

2. [geïntimeerde2],

wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incident,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg eisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,

hierna: [kleindochter2] ,

niet verschenen.

1 De samenvatting van de zaak

[kleindochter1] en [kleindochter2] zijn zussen. Zij wonen al jaren in huis bij hun grootvader, [de huurder] (hierna: de grootvader). Die is inmiddels overleden. Bij de kantonrechter hebben zij gevorderd dat zij de huurovereenkomst van de woning van de grootvader mochten voorzetten. De kantonrechter heeft die vordering afgewezen. GroenWest vordert in het hoger beroep en in het incident dat het vonnis van de kantonrechter alsnog uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. [kleindochter1] is het daar niet mee eens en wil dat alsnog wordt beoordeeld of zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar grootvader had en dat de procedure wordt aangehouden totdat onherroepelijk op de door haar aangevraagde huisvestingsvergunning zal zijn beslist. Het hof is het eens met de beslissing van de kantonrechter en zal het hoger beroep van beide partijen afwijzen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot die beslissing is gekomen.

2 De procedure bij het hof

[kleindochter1] heeft eerst zelf hoger beroep ingesteld van het vonnis van de kantonrechter. Nadat GroenWest ook afzonderlijk in hoger beroep was gegaan, is dat door [kleindochter1] ingestelde hoger beroep beëindigd (geroyeerd).

GroenWest heeft in de dagvaarding in hoger beroep haar incidentele vordering toegelicht en één bezwaar (grief) tegen het vonnis van de kantonrechter opgenomen. Vervolgens heeft [kleindochter1] een memorie van antwoord genomen, waarin zij op de incidentele vordering van GroenWest en het bezwaar van GroenWest reageert. [kleindochter1] heeft ook drie bezwaren (grieven) tegen het vonnis van de kantonrechter in haar memorie van antwoord opgenomen, waarop GroenWest heeft gereageerd. In een arrest van 20 oktober 2020 heeft het hof beslist dat het een zitting wil houden om met partijen over de zaak te spreken. Beide partijen hebben toen aan het hof bericht dat zij dit niet wilden. Daarna heeft het hof bepaald dat een arrest zal worden uitgesproken.

3 De achtergrond van het geschil

3.1.

GroenWest verhuurt de woning aan de [adres] te [woonplaats1] sinds 1 april 1994 aan de grootvader, die [in] 2018 is overleden in Turkije.

3.2.

GroenWest krijgt van de gemeente bericht dat de grootvader is overleden. Daarom stuurt GroenWest op 10 juli 2018 een brief aan de erfgenamen van de grootvader en de feitelijke bewoners van het adres [adres] te [woonplaats1] . In die brief schrijft GroenWest dat er op het adres behalve de grootvader nog vijf andere personen (onder wie [kleindochter1] en [kleindochter2] ) staan ingeschreven. GroenWest schrijft ook dat de huurovereenkomst die de grootvader had, door zijn overlijden eindigt op 31 juli 2018.

De vijf op het adres [adres] te [woonplaats1] ingeschreven personen zijn allen kleinkinderen van de grootvader.

3.3.

Op 17 november 2017 vraagt de advocaat van [kleindochter1] en [kleindochter2] aan GroenWest of zij medehuurder van de door hun grootvader gehuurde woning kunnen worden. GroenWest schrijft op 21 november 2017 dat zij die aanvraag niet in behandeling kan nemen omdat die aanvraag niet compleet is.

3.4.

In januari 2018 stuurt de advocaat van [kleindochter1] en [kleindochter2] opnieuw een bericht aan GroenWest waarin hij schrijft dat zij een complete aanvraag voor medehuurderschap hebben ingediend. Volgens GroenWest is er nog geen complete aanvraag bij haar ingediend. De correspondentie tussen beide partijen gaat vervolgens nog door, zonder dat dit leidt tot toewijzing van het verzoek om medehuurder te worden.

3.5.

Op 7 februari 2019 vraagt [kleindochter2] aan GroenWest om haar een huisvestingsvergunning te verlenen. Op 3 maart 2019 vraagt ook [kleindochter1] om haar een huisvestingsvergunning te verlenen. Burgemeester & Wethouders van de gemeente Ronde Venen hebben deze verzoeken op 3 mei 2019 afgewezen.

4. De motivering van de beslissing van het hof

4.1.

De discussie gaat over het voortzetten van een huurovereenkomst. De belangrijkste wettelijke regels voor dit geval komen neer op het volgende. Na overlijden van de huurder van woonruimte zet de wettelijke medehuurder de huurovereenkomst als huurder voort (art. 7:268 lid 1 BW). Een persoon die niet de hoedanigheid van medehuurder heeft, maar die wel zijn hoofdverblijf in de gehuurde woonruimte heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, zet de huurovereenkomst voort gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder en ook daarná, als de rechter dat heeft bepaald op een daartoe strekkende vordering (art. 7:268 lid 2 BW). Als de huurovereenkomst ziet op een woning waarop hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is, wijst de rechter het verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst af als degene die de huurovereenkomst wil voortzetten geen huisvestingsvergunning overlegt (art. 7:268 lid 3 onder c BW). Als er geen personen zijn die de huurovereenkomst voortzetten krachtens art. 7:268 BW, eindigt zij aan het eind van de tweede maand na het overlijden van de huurder (art. 7:268 lid 6 BW).

4.2.

[kleindochter1] is geen wettelijke medehuurder, zoveel staat wel vast tussen partijen. De vraag is of er toch een grond bestaat voor voortzetting door [kleindochter1] van de huurovereenkomst van de grootvader. Bij een vordering zoals die van [kleindochter1] , die is gebaseerd op artikel 7:268 lid 2 BW, ligt het op de weg van degene die de huur wil voortzetten, bij betwisting door de verhuurder dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, voldoende concrete feiten over de gestelde gemeenschappelijke huishouding aan te voeren. De verzwaarde stelplicht van de huurder en de beoogde medehuurder1 betreft het bestaan van de gemeenschappelijke huishouding als zodanig, maar niet de duurzaamheid ervan2.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of er sprake is van een duurzame

gemeenschappelijke huishouding worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband3. De duurzaamheid wordt bepaald door objectieve factoren als de duur van de samenwoning en door subjectieve als de bedoeling van betrokkenen4. Als de samenwoning geen perspectieven op langere termijn had of heeft, zal geen sprake zijn van duurzaamheid. Van belang is welke bedoeling partijen voor de toekomst voor ogen hadden, in welke mate die is geëffectueerd en welke onderlinge uitwisseling (gezamenlijke aankopen, verrekening van uitgaven, onderlinge zorg, sociaal verkeer) er plaatsvond5. In het bijzonder geldt voor kinderen, hoelang die ook met hun ouders hebben samengewoond: in beginsel “vliegen zij uit”, tenzij zij nog op hogere leeftijd bij hun ouders wonen of er zijn teruggekeerd. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding6.

4.4.

In de situatie waarin een kleinkind met een grootouder samenwoont moet de rechter telkens aan de hand van de concrete omstandigheden nagaan of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding7. De enkele omstandigheid dat een gemeenschappelijke huishouding van twee personen als gevolg van de leeftijd of gezondheidstoestand van een van hen naar verwachting niet langdurig zal zijn, staat er niet aan in de weg dat die huishouding als duurzaam wordt gekwalificeerd. De gemeenschappelijke huishouding van grootouders en kleinkinderen wordt dus anders benaderd dan de gemeenschappelijke huishouding tussen ouders en kinderen. Dit laat zich verklaren tegen de achtergrond van het gegeven dat de gemeenschappelijke huishouding tussen ouders en kinderen bij de geboorte van het kind in zekere zin ‘van nature’ (en zonder dat sprake is van een daarop gerichte beslissing van het kind) ontstaat, terwijl het intrekken van een kleinkind bij zijn grootouder een afwijking inhoudt van een ‘normaal patroon’ en doorgaans (mede) zal berusten op een beslissing van het kleinkind: in situaties waarin ook de huisgenoot kiest voor het voeren van een gemeenschappelijke huishouding kan op zichzelf eerder worden aangenomen dat de wil van huurder en huisgenoot op duurzaamheid is gericht, dan in een situatie waarin de huisgenoot deel is gaan uitmaken van een gemeenschappelijke huishouding zonder dat hij daarvoor heeft gekozen.

4.5.

[kleindochter1] voert in deze zaak aan dat zij sinds haar geboorte met haar grootouders heeft samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. [kleindochter1] stelt dat haar ouders bij de grootvader inwoonden toen zij geboren werd. Toen [kleindochter1] een jaar of drie was, gingen haar ouders scheiden en hebben zij de woning van de grootvader verlaten en [kleindochter1] bij haar grootouders achtergelaten en niet meer naar haar omgekeken. [kleindochter1] stelt dat zij sedert haar geboorte door haar grootouders als een eigen kind is verzorgd en opgevoed. [kleindochter1] heeft vanaf haar geboorte, met uitzondering van een paar korte onderbrekingen, altijd bij haar grootouders gewoond en met hen een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Na het overlijden van haar grootmoeder heeft [kleindochter1] de samenwoning met haar grootvader voortgezet. In de procedure bij de kantonrechter hebben [kleindochter1] en [kleindochter2] aangevoerd dat hun grootvader al lange tijd een slechte gezondheid had, steeds meer achteruitging en niet meer in staat was zelfstandig te wonen. [kleindochter1] en [kleindochter2] hielpen hem bij de huishouding en bij zijn persoonlijke verzorging en hebben toen gezamenlijk besloten blijvend samen te wonen en een gemeenschappelijke huishouding te voeren. [kleindochter1] en [kleindochter2] betalen al lange tijd de huur van de woning en hebben samen met hun grootvader de kosten van de huishouding gedeeld. [kleindochter1] en [kleindochter2] hebben verder nog gesteld dat zij slapen, eten en studeren in de woning van hun grootvader en daar ook hun vrienden en vriendinnen ontvangen. Zij vermelden het adres waar zij met hun grootvader wonen bij alle belangrijke zaken, zoals studiefinanciering, arbeidsovereenkomsten en de belasting.

4.6.

De kantonrechter heeft de vordering van [kleindochter1] en [kleindochter2] afgewezen, omdat zij geen huisvestingsvergunning hebben. De kantonrechter is daarom niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of zij met de grootvader een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.

De bezwaren van [kleindochter1] tegen het vonnis van de kantonrechter

4.7.

[kleindochter1] vindt als eerste dat zij al over een huisvestingsvergunning beschikt. Toen haar grootouders in 1994 op het adres [adres] te [woonplaats1] gingen wonen, is voor de grootouders en de personen die tot hun gezin behoorden een huisvestingsvergunning afgegeven. [kleindochter1] behoorde toen tot hun gezin en daarom vindt zij dat zij al een huisvestingsvergunning heeft. De verhuurder van de woning heeft ook altijd geweten dat zij tot het gezin van de grootouders behoorde. De kantonrechter heeft daarom ten onrechte beslist dat [kleindochter1] niet over een huisvestingsvergunning beschikt. Omdat de kantonrechter niet is toegekomen aan de beantwoording van de vraag of zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met haar grootvader, wil [kleindochter1] dat het hof de zaak terugwijst naar de kantonrechter, zodat die dit punt alsnog kan beoordelen. Als dat niet kan, wil [kleindochter1] dat het hof deze beoordeling zelf doet. Voor het geval het hof zou vinden dat zij een nieuwe huisvestingsvergunning moet aanvragen, wil [kleindochter1] dat het hof de procedure stil legt (aanhoudt) tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag van een huisvestingsvergunning is beslist.

4.8.

Dat [kleindochter1] een huisvestingsvergunning moet hebben is op zichzelf niet in geschil. Als degene die de huur wil voortzetten na overlijden van de huurder geen huisvestingsvergunning overlegt moet de rechter de vordering tot voortzetting van de huur afwijzen (art. 7:268 lid 3 onder c BW). De beslissing waarbij een huisvestingsvergunning wordt afgegeven of geweigerd moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk worden genomen. Onder omstandigheden kan een schriftelijke verklaring van de gemeente, inhoudende dat zij bereid is een huisvestingsvergunning te verlenen, of dat zij bewoning van de woonruimte door de huisgenoot zal gedogen, ook voldoende zijn. [kleindochter1] heeft geen van beide in de procedure overgelegd. De kantonrechter heeft dus terecht beslist dat [kleindochter1] geen huisvestingsvergunning heeft overgelegd. De kantonrechter heeft de vordering daarop afgewezen. Volgens [kleindochter1] klopt dit oordeel niet, omdat de huisvestingsvergunning van haar grootvader ook op haar betrekking had. Ook voert zij aan dat zij zekerheidshalve nog een eigen huisvestingsvergunning heeft aangevraagd, waarvoor de procedure nog loopt. Zij hoopt op een voor haar gunstige uitkomst en vindt dat daarop gewacht moeten worden.

4.9.

GroenWest heeft uitvoerig toegelicht dat [kleindochter1] nooit een eigen recht heeft kunnen krijgen op basis van de destijds aan haar grootouders – waarschijnlijk – verleende huisvestingsvergunning. GroenWest verwijst daarvoor naar de Huisvestingswet, zoals die gold toen de huurovereenkomst met de grootvader is gesloten. GroenWest wijst erop dat de huisvestingsvergunning een aflopend karakter heeft. Daarmee bedoelt GroenWest dat die vergunning alleen ziet op het eenmalig in gebruik nemen van de verhuurde woonruimte door de op de huisvestingsvergunning vermelde personen. Daar komt volgens GroenWest nog bij dat op grond van de regionale huisvestingsverordening een huisvestigingsvergunning alleen kan worden gegeven aan personen van 18 jaar en ouder. Toen de grootvader de huurovereenkomst sloot was [kleindochter1] nog maar 2 jaar oud. Omdat de huisvestingsvergunning uit 1994 niet is overgelegd, kan het hof niet meer controleren of en zo ja aan wie die vergunning is verstrekt. Bovendien staat vast dat [kleindochter1] de woning van haar grootouders geruime tijd heeft verlaten en elders heeft gewoond, waarna zij weer in de woning van haar grootvader is teruggekeerd. Deze terugkeer naar de woning van haar grootvader lijkt dus, gelet op het onweersproken aflopende karakter van een huisvestingsvergunning, hoe dan ook niet te vallen onder een eerder verstrekte huisvestingsvergunning. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van [kleindochter1] dat zij al over een huisvestingsvergunning beschikt.

4.10.

Dit betekent dat ook naar het oordeel van het hof de vordering van [kleindochter1] al afstuit op het ontbreken van een huisvestingsvergunning, nu de wet dit duidelijk voorschrijft. Voor [kleindochter1] lijkt het er vooral om te gaan dat zij wil kunnen blijven in het huis waar zij het grootste deel van haar leven heeft gewoond met haar grootvader, waar zij nog steeds woont met haar zus en andere kleinkinderen van de grootvader. Het hof komt, net als de kantonrechter, voor de beslissing niet toe aan een beoordeling van dat voor [kleindochter1] zo belangrijke aspect, maar ziet wel aanleiding om daarover ten overvloede nog het volgende te overwegen. Als het hof er wel aan zou toekomen om te beoordelen of er sprake is geweest van de wettelijk vereiste duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar grootvader dan heeft [kleindochter1] niet aan haar verzwaarde stelplicht met betrekking tot het bestaan daarvan voldaan. [kleindochter1] heeft onvoldoende feitelijk uitgelegd waarom volgens haar sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar grootvader. Dat zij haar grootvader heeft verzorgd, de kosten van de huishouding met hem (en [kleindochter2] ) zou hebben gedeeld, de huur samen met [kleindochter2] heeft betaald en het adres van de woning bij verschillende instanties opgeeft als haar woonadres is in dit geval niet genoeg. Daarbij is van belang dat uit de eigen stellingen van [kleindochter1] (zoals het hof die heeft vermeld in 4.5) volgt dat haar situatie veel meer overeenkomsten heeft met de situatie dat een minderjarig kind bij zijn ouder(s) blijft wonen nadat het meerderjarig is geworden, dan de situatie waarin een meerderjarig geworden kind op latere leeftijd met een grootouder gaat samenwonen. Van de hiervoor in 4.4 genoemde keuze van het kleinkind is in het geval van [kleindochter1] volgens haar eigen stellingen niet zonder meer sprake.

4.11.

Vast staat dat de aanvraag voor een huisvestingsvergunning is afgewezen. Dat besluit is genomen in een bestuursrechtelijke procedure. De vraag is wat dat afwijzende besluit voor deze procedure betekent. In art. 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht niet schorst. Dit betekent dat de burgerlijke rechter moet uitgaan van de geldigheid van het besluit om geen huisvestingsvergunning toe te kennen, ook als dat besluit nog niet onherroepelijk is. De rechter hoeft de vordering tot voortzetting van de huur niet meteen af te wijzen als ten tijde van zijn beslissing geen huisvestingsvergunning is overgelegd, maar nog wel een redelijke kans bestaat dat die vergunning alsnog zal worden verleend. De rechter kan de uitspraak dan aanhouden of uitspraak doen onder de voorwaarde van een positieve uitkomst van de administratiefrechtelijke rechtsgang. Ook op dit punt heeft [kleindochter1] niet aan haar stelplicht voldaan. Zij herhaalt in de toelichting op haar derde grief dat zij vindt dat zij al over een huisvestingsvergunning beschikt. Het hof is dat niet met haar eens en in ieder geval heeft zij niet het besluit waarbij haar zo’n vergunning is gegeven in de procedure overgelegd. Waarom er een redelijke kans bestaat dat haar bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek een redelijke kans van slagen zou hebben, heeft [kleindochter1] niet voldoende uitgelegd. Verder heeft GroenWest nog aangevoerd dat de huurovereenkomst een eengezinswoning in de sociale huursector betreft. Dat betekent dat zowel het opgetelde inkomen van alle inwonenden (ten opzichte van de betrekkelijk lage huur) en de gezinssamenstelling dan wel het aantal inwonenden (ten opzichte van het aantal kamers van de woning) passend moeten zijn. In dit geval geldt dat het gezinsinkomen van de in de huurwoning wonende personen te hoog is om voor deze woning in aanmerking te komen, of – voor het geval alleen [kleindochter1] in de woning zou verblijven – dat de woning te groot is voor [kleindochter1] als eenpersoonshuishouden. Kortom: er zal dus hoe dan ook geen huisvestingsvergunning kunnen worden afgegeven voor deze huurwoning voor [kleindochter1] , met of zonder haar familieleden die in de woning wonen. Dit standpunt van GroenWest heeft [kleindochter1] niet weersproken. Al met al is er voor het hof geen aanleiding om de beslissing over het voortzetten van de huurovereenkomst door [kleindochter1] aan te houden of onder een voorwaarde toe te wijzen.

4.12.

De tussenconclusie in het incidenteel hoger beroep is dat de grieven van [kleindochter1] niet kunnen slagen.

De bezwaren van GroenWest tegen het vonnis van de kantonrechter

4.13.

Omdat het hof de bezwaren van GroenWest tegen het vonnis van de kantonrechter direct zal afdoen, zal het hof de incidentele vordering van GroenWest afwijzen.

4.14.

GroenWest heeft één bezwaar tegen het vonnis van de kantonrechter. Volgens GroenWest had de kantonrechter het vonnis ook ten aanzien van de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad moeten verklaren. GroenWest erkent dat het uitgangspunt van de wet is dat degene die meent de huurovereenkomst na het overlijden van de huurder te mogen voortzetten omdat hij met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, de huur mag voortzetten zolang niet onherroepelijk is beslist op de vordering waarmee dat voortzetten van de huurovereenkomst definitief moet worden bereikt. Maar in dit geval maken [kleindochter1] en [kleindochter2] misbruik van recht en handelen zij in strijd met de goede trouw door tegen beter weten in door te procederen en die procedure te vertragen.

4.15.

Het hof stelt vast dat [kleindochter2] geen rechtsmiddel tegen het vonnis van de kantonrechter heeft aangewend. Waarom dat vonnis tegen haar niet onherroepelijk zou zijn, stelt GroenWest niet. In ieder geval maakt [kleindochter2] geen misbruik van recht, noch handelt zij in strijd met de goede trouw op de door GroenWest gestelde grond. [kleindochter2] procedeert immers niet door en vertraagt die procedure dus ook niet.

4.16.

Voor toewijzing van de vordering tot het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de vordering tegen [kleindochter1] – ook in de visie van GroenWest – alleen plaats als [kleindochter1] met de door haar ingestelde rechtsmiddelen en procedures misbruik van recht zou maken. Daarvan zou sprake kunnen zijn, als zij een vordering instelt die overduidelijk ongegrond is en daarom, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had moeten blijven. Dit kan het geval zijn als de vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan [kleindochter1] de onjuistheid kent, of op grond van stellingen die geen kans van slagen hebben. GroenWest vindt dat hiervan sprake is. [kleindochter1] heeft volgens GroenWest geen enkel uitzicht op voortzetting van de huurovereenkomst tussen GroenWest en de grootvader, omdat er een verplichte afwijzingsgrond bestaat, namelijk het ontbreken van een huisvestingsvergunning. Verder is volgens GroenWest het huishoudinkomen te hoog en voldoet zij niet aan de toepasselijke urgentiecriteria. Door toch hoger beroep in te stellen maakt [kleindochter1] misbruik van recht, althans handelt zij in strijd met de goede trouw, aldus GroenWest.

Het hof ziet dat anders. Het uitgangspunt is dat in beginsel iedereen het recht heeft in hoger beroep te gaan van een uitspraak die niet gunstig is, of tegen een dergelijke beslissing bezwaar te maken via de bestuursrechtelijke weg. Gegeven dat het hof een eindarrest wijst, is er geen aanleiding het instellen van hoger beroep als grond te hanteren voor het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de veroordeling tot ontruiming voor zover het veroordeling van [kleindochter1] betreft. Ook het enkele maken van bezwaar tegen de geweigerde huisvestingsvergunning is geen misbruik van recht, ook niet als de kans van slagen gering is. Het belang dat [kleindochter1] heeft bij het kunnen blijven wonen in het huis waar zij al jaren woont is duidelijk. Ook GroenWest heeft duidelijke belangen, onder ander met betrekking tot een eerlijke verdeling van de beschikbare sociale huurwoningen. Maar als het hof die belangen tegen elkaar afweegt, is het belang van [kleindochter1] niet zoveel kleiner dan het belang van GroenWest dat daarom het maken van bezwaar of het instellen van hoger beroep met een geringe kans van slagen misbruik van recht, of handelen in strijd met de goede trouw oplevert.

4.17.

De tussenconclusie in het principaal hoger beroep is dat de grieven van GroenWest niet kunnen slagen.

5 De conclusie van het hof

De grieven van GroenWest slagen niet en de grieven van [kleindochter1] slagen evenmin. Daarom zal het hof het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht bekrachtigen. Omdat GroenWest in het principaal hoger beroep ongelijk krijgt, moet zij de kosten van de procedure in hoger beroep betalen. Deze kosten worden aan de kant van [kleindochter1] vastgesteld op € 324,- aan griffierecht en op € 1.114,- voor salaris van de advocaat (berekend volgens het liquidatietarief, 1 punt maal tarief II). GroenWest krijgt ook ongelijk in de incidentele procedure en moet daarom ook de kosten van [kleindochter1] in het incident betalen. Deze kosten stelt het hof vast op nihil. [kleindochter1] krijgt ongelijk in het incidenteel hoger beroep en moet daarom de kosten van de procedure in het incidentele hoger beroep betalen. De kosten in het incidenteel hoger beroep stelt het hof aan de kant van GroenWest vast op € 557,- (berekend volgens het liquidatietarief, ½ punt maal tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 20 maart 2019;

wijst de incidentele vordering van GroenWest af;

veroordeelt GroenWest in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [kleindochter1] vastgesteld op € 324,- voor verschotten en op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt GroenWest in de kosten van het incident in het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [kleindochter1] vastgesteld op nihil;

veroordeelt [kleindochter1] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van GroenWest vastgesteld op € 557,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, K. Mans en H. van Loo en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

1 HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901

2 HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932

3 HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93

4 HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932

5 HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0838

6 HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93

7 HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1281