Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4981

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
200.196.120/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; tussenarrest; uitleg overeenkomst van geldlening; dwingend bewijs aktes van kwijtschelding; tekortkoming in levering hotel – uitleg koopovereenkomst; verrekening vordering gemeenschap; bewijsopdrachten.

Art. 157, lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.196.120/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 354458)

arrest van 25 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [de vader] ,

advocaat: mr. J.A. Houben-Timmermans,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [de zoon] ,

advocaat: mr. T. Delmee.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure tot dan toe blijkt uit het tussenarrest in deze zaak van 27 oktober 2020. Bij dat arrest is een meervoudige comparitie van partijen bepaald.

1.2

Die comparitie is gehouden op 25 februari 2021. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

1.3

Na een door partijen gevraagde aanhouding is op verzoek van partijen arrest bepaald.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Partijen zijn vader en zoon. [de vader] heeft een hotel aangekocht en vervolgens doorverkocht aan zijn zoon [de zoon] en een derde. In het kader van deze aankoop heeft [de vader] een bedrag van € 75.000,- ter beschikking gesteld aan [de zoon] . In deze procedure draait het allereerst om de vraag hoe de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening dient te worden uitgelegd en welk bedrag (nog) door [de zoon] moet worden terugbetaald.

2.2

Vervolgens komt de vraag aan de orde of [de vader] in strijd met de koopovereenkomst heeft gehandeld door een gedeelte van een perceel met voorzieningen voor het hotel niet meteen mee te leveren. Tot slot komen nog een aantal vorderingen van [de zoon] aan bod en de vraag of deze kunnen worden verrekend met de vorderingen van [de vader] .

3 Feiten

3.1

De volgende feiten staan vast.

3.2

[de vader] heeft op 23 december 2009 het hotel-restaurant Berg & Dal in Slenaken (hierna: het hotel) gekocht van [de oorspronkelijk eigenaar] (hierna: [de oorspronkelijk eigenaar] ) voor een bedrag van € 510.000,-. In deze koopovereenkomst is het gekochte omschreven als:

registergoederen staande en gelegen [a-straat] 19 te [C] , kadastraal bekend [D] , [a-straat] [C] ongenummerd, sectie H nummer 69, (…),

[D] , [a-straat] 17-19, sectie H, nummer 70, (…),

[D] , [b-straat] [C] niet genummerd, sectie H, nummer 174 (…), bestaande uit o.a. een horecabedrijfspand met aan- en bijbouwingen, erf en ondergrond en verdere aanhorigheden en een parkeerplaats, hierna ook tezamen te noemen “het registergoed” (…)

Artikel 16 van deze koopovereenkomst luidt:

Samenhang met optieovereenkomst

Deze koopovereenkomst is uitsluitend rechtsgeldig van kracht indien op de dag van ondertekeningen tevens een overeenkomst van optieverlening tussen partijen wordt ondertekend inzake het achter het verkochte aan de [b-straat] te [C] gelegen perceel, kadastraal bekend [D] , sectie H, nummer 177 (…) met Partij A als optiegever (huidig eigenaar) en Partij B als optienemer (kandidaat-koper).

3.3

Op diezelfde dag heeft [de vader] een optieovereenkomst gesloten met [de oorspronkelijk eigenaar] en zijn echtgenote, waarin onder meer staat vermeld:

“(…) onderhavige optie-overeenkomst aan te gaan, betreffende: Bouwterrein, gelegen aan de achterzijde van hotel Berg en Dal, kadastraal bekend Gemeente [D] Sectie H nummer 177, (…)

Zulks voor de koopsom van 250.000 Euro (…)

Verlenen optie aan:

[de vader] , (…). Deze optie geschiedt voor de duur van drie maanden en zal automatisch met dezelfde termijn worden verlengd. (…)

Voorts ligt het in de bedoeling gemeld perceel bouwrijp te maken en te verkavelen (…)

3.4

[de vader] heeft, ook op 23 december 2009, een huurovereenkomst gesloten met [E] en [F] . In deze huurovereenkomst is het gehuurde omschreven als “het horecapand met onzelfstandige woonruimte” met vermelding van dezelfde kadastrale nummers als in de hiervoor genoemde koopovereenkomst. De huurovereenkomst werd aangegaan vanaf 15 maart 2010 voor de initiële duur van 5 jaar, voor een bedrag van € 60.000,- per jaar.

3.5

Eveneens op 23 december 2009 heeft [de vader] een koopovereenkomst gesloten met [de zoon] en een zakenpartner van [de zoon] , [de zakenpartner] (hierna: [de zakenpartner] ), voor de verkoop van het hotel voor een bedrag van € 550.000,-. De omschrijving van het gekochte is identiek aan de in 3.2 geciteerde omschrijving van de koopovereenkomst tussen [de vader] en [de oorspronkelijk eigenaar] . Ook de optiebepaling van artikel 16 is identiek in beide koopovereenkomsten.

3.6

Op 4 maart 2010 heeft [de oorspronkelijk eigenaar] het hotel geleverd aan [de vader] . Op dezelfde datum heeft [de vader] het hotel op zijn beurt geleverd aan [de zoon] en [de zakenpartner] . In beide leveringsakten is het verkochte omschreven als:

“1. het hotel-restaurant met ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te [C] , [a-straat] 19, kadastraal bekend als gemeente [D] sectie H nummers 69 en 70 (…);

2. de parkeerplaats nabij de [b-straat] te [C] , kadastraal bekend als gemeente [D] , sectie H nummer 174 (…)”

3.7

[de zoon] en [de zakenpartner] zijn vanaf het ingaan van de huurovereenkomst als verhuurders opgetreden en huurders betaalden de overeengekomen huurprijs aan hen.

3.8

[de vader] heeft aan [de zoon] € 75.000,- beschikbaar gesteld voor de aankoop van zijn deel van het hotel (hierna ook: het geleende bedrag). In de schriftelijke overeenkomst die partijen op 4 maart 2010 hebben ondertekend en die is getiteld ‘Geldlening’ wordt [de vader] aangeduid als schuldeiser en [de zoon] als schuldenaar. In die overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

De schuldenaar en schuldeiser hebben op 4 maart 2010 een overeenkomst van geldlening gesloten waarvan de inhoud hierna wordt weergegeven. (…) De schuldenaar erkent van de schuldeiser op 4 maart 2010 een bedrag als geldlening te hebben ontvangen van vijf en zeventig duizend euro (€ 75.000,00) en dit bedrag op grond hiervan schuldig te zijn aan de schuldeiser. (…)

2. De over de geldlening verschuldigde rente bedraagt drie procent (3%) per jaar, maandelijks te voldoen op de laatste dag van elke maand, (…)

3. Op de geldlening moet maandelijks, naast de betaling van de rente, worden afgelost een bedrag van vijf honderd vijftig euro (€ 550,00) per maand (…)

6. Vervroegde aflossing van de geldlening is zonder vergoeding onbeperkt toegestaan, ook in gedeelten, zonder aankondiging vooraf.

7. De schuldeiser kan de geldlening in haar geheel, zonder opzegtermijn of ingebrekestelling, opeisen:

- als de schuldenaar zijn verplichtingen (…) niet stipt nakomt (…)”

3.9

In maart 2010 hebben partijen een akte, getiteld ‘Afstand om niet (kwijtschelding)’ getekend waarin onder meer is opgenomen:

“de ondergetekende [de vader] sub 1 doet bij deze ten behoeve van zijn zoon [de zoon] sub 2 afstand om niet tot een bedrag van vierentwintigduizend euro (€ 24.000,00) van voormelde geldleningsovereenkomst zodat ter zake van deze geldlening door de ondergetekende sub 1 nog te vorderen is een bedrag van eenenvijftigduizend euro (€ 51.000,00)”

3.10

Op 7 februari 2011 hebben partijen nog een akte getekend, getiteld ‘Afstand om niet (kwijtschelding)/vaststelling aflossing op geldlening’, waarbij [de vader] van het restant van de geldlening van € 51.000,- afstand doet om niet van een bedrag van € 5.000,-. Daarnaast staat in deze akte over de reeds gedane aflossingen te lezen:

“door de ondergetekende [de zoon] sub 2 is in 2010 op bedoelde geldlening afgelost een bedrag van zevenduizendvierhonderdzeventig euro (€ 7.470) (12 x € 622,50) alsmede een bedrag van tweeduizendvierhonderdzeventig euro (€ 2.470), derhalve in totaal negenduizendnegenhonderdveertig euro (€ 9.940,00), welke aflossingen door [de vader] sub 1 zijn ontvangen en waarvoor hij kwijting verleent aan zijn zoon (…).

(…) resteert per heden nog (…) aan de ondergetekende sub 1 te voldoen een bedrag van zesendertigduizendzestig euro (€ 36.060,00)”

3.11

[de zoon] betaalde maandelijks aan [de vader] een bedrag van € 622,50 met vermelding ‘maandelijkse aflossing lening’ en een bedrag van € 127,50 met vermelding ‘maandelijkse rente lening’.

3.12

Medio 2012 heeft [de vader] het standpunt ingenomen dat hij eigenaar was van het ketelhuis behorend bij het hotel en een deel van de parkeerplaats van het hotel, omdat dit stuk perceel met als kadastrale aanduiding sectie H nummer 177 (hierna: H177) niet aan [de zoon] en [de zakenpartner] was meegeleverd en zij geen gebruik hadden gemaakt van de in de koopovereenkomst opgenomen optie. [de vader] heeft toen bij de huurders van het hotel aanspraak gemaakt op betaling van € 1.000,- huur per maand.

3.13

In augustus 2012 heeft [de zoon] de rente en aflossing voor de geldlening niet betaald. [de vader] heeft daarop via een brief van een deurwaarder van 13 augustus 2012 de overeenkomst van geldlening buitengerechtelijk ontbonden en [de zoon] gesommeerd het geleende bedrag van € 75.000,- en de gemiste rente-inkomsten tot en met maart 2015 binnen vijf dagen te voldoen. [de zoon] heeft deze betaling niet verricht.

3.14

Op 27 augustus 2012 is het perceel H177 gesplitst in twee percelen met als kadastrale aanduiding sectie H nummer 287 en 288. Het perceel met als kadastrale aanduiding sectie H nummer 287 (hierna: H287) bevat bouwgrond. Op het perceel met als kadastrale aanduiding sectie H nummer 288 (hierna: H288) bevinden zich de genoemde parkeerplaats en het ketelhuis voor de verwarming van het hotel. Perceel H288 is op 19 december 2012 door [de oorspronkelijk eigenaar] geleverd aan [de vader] .

3.15

Partijen zijn op 7 februari 2013, tijdens een zitting in kort geding voor de voorzieningenrechter te Maastricht, overeengekomen dat [de vader] perceel H288 voor € 25.000,- verkoopt en overdraagt aan [de zoon] en [de zakenpartner] . Op 17 april 2013 heeft de levering van dit perceel plaatsgevonden.

3.16

[de vader] heeft in september 2013 beslag gelegd op de bankrekening van [de zoon] bij de ABN Amro Bank en op een aantal (gedeelten van) onroerende zaken van [de zoon] .

3.17

[de zoon] heeft [de vader] op 8 november 2013 gedagvaard in kort geding om opheffing van de beslagen, dan wel van een deel van de beslagen te verkrijgen. Na overeenstemming tussen partijen heeft [de vader] op 26 november 2013 de beslagen op de onroerende zaken doorgehaald en het derdenbeslag bij de ABN Amro Bank verminderd.

3.18

[de vader] heeft een procedure gevoerd tegen de huurders van het hotel om de betaling van huur van hen te verkrijgen. De kantonrechter te Maastricht heeft bij vonnis van 17 september 2014 de vorderingen van [de vader] afgewezen. De vorderingen in reconventie van de huurders tot onder meer terugbetaling van het bedrag van € 5.000, - aan reeds betaalde huurpenningen is door de kantonrechter toegewezen. Dit vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 1 maart 2016. [de vader] heeft de huurders dit bedrag (nog) niet betaald.

3.19

Op 4 mei 2015 is [de zoon] enig eigenaar geworden van het hotel, inclusief perceel H288.

3.20

Op 24 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter te Utrecht het door [de vader] gelegde derdenbeslag bij de ABN Amro Bank opgeheven en [de vader] verboden om nieuw beslag te leggen ten laste van [de zoon] , zolang in de onderhavige procedure niet vaststaat dat hij een vordering heeft op [de zoon] . [de vader] is daarbij veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.21

Op verzoek van [de zoon] is [de vader] op 20 december 2016 in staat van faillissement verklaard. Dat faillissement is op 18 december 2018 bij gebrek aan baten opgeheven.

4 Het geschil en de beslissing van de rechtbank

4.1

[de vader] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat partijen in maart 2010 een rendementsovereenkomst hebben gesloten met een looptijd van minimaal vijf jaar, waardoor [de zoon] aan [de vader] een maandelijkse rendementsvergoeding verschuldigd is van 1% over het geleende bedrag. Daarnaast heeft hij primair gevorderd [de zoon] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 99.672,13, subsidiair een bedrag van € 58.500,- en meer subsidiair een bedrag van € 30.237,50 met rente en kosten. [de vader] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [de zoon] € 75.000,- van hem heeft geleend, waarbij is afgesproken dat hij daarover € 750,- per maand aan rendement zou betalen. [de zoon] heeft daar in augustus 2012 niet aan voldaan, waarna [de vader] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. [de zoon] dient daarom primair het geleende bedrag en de gemiste rente-inkomsten tot maart 2015 te betalen, naast de door [de vader] gemaakte incassokosten en beslagkosten. [de zoon] heeft betwist dat hij maandelijks rendement verschuldigd was. Volgens hem is sprake van een overeenkomst van geldlening. Hij loste daar naar zijn zeggen maandelijks een deel van af en betaalde maandelijks rente. Ook had [de vader] volgens hem door middel van twee aktes een bedrag van € 29.000,- van die lening kwijtgescholden. Daarnaast heeft [de zoon] als verweer gevoerd dat [de vader] is tekortgeschoten bij de levering van het hotel door perceel H288 niet mee te leveren, waardoor [de zoon] zijn betalingsverplichtingen in augustus 2012 mocht opschorten en heeft hij zich op verrekening met zijn vorderingen in reconventie beroepen.

4.2

In reconventie heeft [de zoon] een verklaring voor recht gevorderd dat partijen in maart 2010 een overeenkomst van geldlening zijn overeengekomen. Ook heeft hij - na vermindering van eis - gevorderd [de vader] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 71.684,45 met rente en kosten. Dat bedrag is opgebouwd uit verschillende bedragen, waaraan [de zoon] onder meer ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [de vader] , dan wel onverschuldigde betalingen aan [de vader] . Tevens stelt hij schade te hebben geleden doordat [de vader] ten onrechte perceel H288 niet bij de levering van het hotel had meegeleverd en door de onrechtmatig gelegde beslagen op onroerende zaken van [de zoon] .

4.3

De rechtbank Midden-Nederland, heeft in haar eindvonnis van 23 maart 2016 de vorderingen van [de vader] , na verrekening met een aantal vorderingen van [de zoon] , afgewezen en de vorderingen van [de zoon] nog voor een bedrag van € 1.286,45 toegewezen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1

[de vader] heeft allereerst een grief gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Het hof heeft zelf de feiten vastgesteld, zoals hiervoor opgenomen in ro. 3.1 tot en met 3.21. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met deze grief, waardoor [de vader] geen belang meer heeft bij de afzonderlijke bespreking daarvan. De overige grieven zal het hof per deelonderwerp bespreken en beoordelen.

Overeenkomst van geldlening

5.2

[de vader] stelt dat partijen voorafgaand aan de koop hebben afgesproken dat [de zoon] maandelijks een bedrag van € 750,-, namelijk 1% van het door [de vader] beschikbaar gestelde bedrag, aan hem zou betalen als rendementsvergoeding. Als onderbouwing van deze stelling wijst hij op het feit dat [de zoon] 33 maanden een bedrag van € 750,- aan hem heeft betaald. Daarnaast verwijst hij naar de website van de eenmanszaak van [de zoon] waarop staat vermeld dat [G] Vastgoed een hoog en vast rendement realiseert van ongeveer 8 % per jaar dat maandelijks wordt bijgeschreven. Volgens [de vader] is de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening een puur fiscale en papieren constructie die onder begeleiding van notaris Hetterscheidt is opgezet om de successierechten bij overlijden van [de vader] te minimaliseren. Dat alleen sprake was van een ‘papieren aflossing’ blijkt volgens [de vader] ook uit het feit dat de betalingen door [de zoon] gelijk bleven, terwijl in geval van een daadwerkelijke aflossing op de lening, de rentebedragen zouden zijn verminderd.

5.3

[de zoon] betwist de door [de vader] gestelde afspraken en voert aan dat de gemaakte afspraken gelijk zijn aan de inhoud van de overeenkomst van geldlening die partijen op 4 maart 2010 hebben getekend. Hij betwist ook dat partijen hebben beoogd de nalatenschap van [de vader] zo laag mogelijk te laten uitvallen. Hij wijst er in dat kader op dat [de vader] geen vermogend man was, zoals volgt uit het feit dat zijn faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven. Tevens heeft [de vader] ook een dochter, die geen partij is bij deze overeenkomst, maar wel een rol speelt in het kader van zijn nalatenschap.

5.4

Het hof overweegt als volgt. [de vader] stelt dat de afspraken tussen partijen afwijken van de tekst van de hiervoor in 3.8 geciteerde overeenkomst van geldlening, waar [de zoon] zich op beroept. In tegenstelling tot wat [de vader] daarover stelt, is het aan hem om de door hem gestelde afspraken te bewijzen, nu hij zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde inhoud van de overeenkomst (artikel 150 Rv).

5.5

Het hof volgt [de vader] niet in zijn stelling dat hij al geslaagd is in deze bewijslevering. De algemene informatie op de website van de eenmanszaak van [de zoon] is hiervoor niet relevant, omdat uit niets blijkt dat die betrekking heeft op de afspraken tussen partijen. Het totaalbedrag van € 750,- dat [de zoon] maandelijks aan [de vader] heeft betaald was steeds gesplitst in een betaling van € 622,50 met de vermelding ‘maandelijkse aflossing lening’ en een betaling van € 127,50 met de vermelding ‘maandelijkse rente lening’. [de zoon] heeft toegelicht dat hij uit gemakzucht het rentebedrag nooit heeft aangepast, ondanks de door hem afgeloste bedragen en dat hij meer afloste per maand dan in de overeenkomst is opgenomen, omdat de overeenkomst dit toeliet, hij dit geld kon missen en hij wist dat zijn vader dat kon gebruiken. Daarbij verwijst [de zoon] ook naar de hiervoor in 3.10 geciteerde akte van 7 februari 2011, waarin door [de vader] kwijting aan hem wordt verleend voor de eerste 12 aflossingen op de geldlening van € 622,50 per maand (€ 7.470,- in totaal). Gelet hierop blijkt uit de onderbouwing van [de vader] nog niet dat tussen partijen de door hem gestelde afwijkende afspraken zijn gemaakt.

5.6

[de vader] wordt daarom toegelaten te bewijzen dat tussen partijen is overeengekomen dat [de zoon] maandelijks voor een periode van minimaal 5 jaar een bedrag van € 750,- per maand zou betalen, zonder dat op het geleende bedrag werd afgelost.

Kwijtscheldingen en ‘aflossingen’

5.7

[de zoon] stelt dat [de vader] voor in totaal een bedrag van € 29.000,- op de geldlening heeft kwijtgescholden. Hij verwijst daarvoor naar de hiervoor in 3.9 en 3.10 geciteerde aktes van kwijtschelding van maart 2010 en 7 februari 2011. [de vader] betwist het door [de zoon] gestelde. Het hof overweegt dat [de zoon] de bewijslast draagt van zijn bevrijdend verweer (150 Rv). De aktes waarop [de zoon] zich beroept zijn onder begeleiding van een notaris opgesteld, maar zijn geen notariële of authentieke aktes. Dat neemt niet weg dat de in deze onderhandse aktes opgenomen verklaringen op grond van artikel 157, lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tussen partijen dwingend bewijs opleveren. De inhoud van beide aktes geeft volledig steun aan wat [de zoon] stelt en levert daarvan dus het dwingende bewijs op. Het ligt daarmee op de weg van [de vader] om tegenbewijs te leveren.

5.8

[de vader] voert daartoe aan dat deze aktes een puur papieren en fiscale constructie zijn om na het overlijden van [de vader] de successierechten te minimaliseren. Het gaat volgens hem om fictieve aktes die pas na het overlijden van [de vader] hun werking zouden krijgen, waarbij het niet de bedoeling van partijen was om al tijdens het leven van [de vader] vermogen over te hevelen. Hij wijst in dat kader op een e-mail van [de zoon] van 22 april 2012, waarin deze onder meer schrijft:

Overigens spraken wij destijds op kantoor over ‘de extra schenkingen’, die ook gedaan zijn. Deze waren ‘puur fiscaal’ en deze zie ik nog steeds als geld dat jou maandelijks toebehoort (N.B. de bedragen 24.000 + 5.000 extra aflossingen) (…)

Heel kort en begrijpelijk verwoord: ik heb enkel gevraagd om de ‘extra schenkingen (van 24.000 en 5.000)’ ieder jaar door te voeren, zodat ik inderdaad fiscaal geen problemen zou kunnen krijgen. N.B. fiscaal in de brede zin van het woord. (…) Dit heeft voor alle duidelijkheid ‘niets’ te maken met onze afspraken op papier (zie wederom onze welbekende schuldbekentenis). Dit heb ik ook immer gezien als een duidelijke afspraak die wij samen ( [E] , jij en ik) formeel hebben vastgelegd.”

Volgens [de vader] blijkt hier overduidelijk uit dat de inhoud van de aktes afwijkt van de afspraken tussen partijen en er geen wilsovereenstemming bestond om de kwijtscheldingen tijdens zijn leven uit te voeren.

5.9

Volgens [de zoon] is geen sprake van een papieren constructie maar van echte kwijtscheldingen. Volgens hem heeft hij met de e-mail van 22 april 2012 aan zijn vader laten weten dat, als zijn vader het geld alsnog nodig zou hebben, deze schenkingen ongedaan gemaakt zouden kunnen worden, dan wel hij hem financieel zou helpen, zoals hij al vaker had gedaan. Daarnaast stelt [de zoon] dat het wel degelijk de bedoeling van partijen is geweest om de schenkingen bij leven te laten gelden. [de zoon] wijst er daarbij op dat deze aktes ook zijn gebruikt voor de successieaangiften door [de vader] .

5.10

Weliswaar roept de e-mail van 22 april 2012 vragen op bij het hof, maar het hof acht daarmee de inhoud van de beide aktes nog onvoldoende ontkracht. Het hof zal [de vader] daarom toelaten om tegenbewijs te leveren tegen het dwingend bewijs dat deze aktes van kwijtschelding opleveren.

5.11

De hiervoor in 3.10 geciteerde akte van 7 februari 2011 bevat, naast genoemde kwijtschelding, ook een verklaring over de eerste 12 ‘aflossingen’ van € 622,50 per maand. [de vader] betwist deze betalingen niet, maar stelt, zoals hiervoor besproken in het kader van de overeenkomst van geldlening (5.2-5.5), dat deze betalingen geen aflossingen zijn, maar een onderdeel van de verschuldigde rendementsvergoeding. Het oordeel daarover houdt het hof aan in afwachting van de uitkomst van de beide hiermee samenhangende bewijsopdrachten.

Wanprestatie bij levering hotel

5.12

Naast de hiervoor besproken afspraken tussen partijen met betrekking tot de overeenkomst van geldlening en de hoogte van het nog openstaande bedrag, speelt de vraag of [de vader] op grond van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst het gehele hotel met ketelhuis en de volledige parkeerplaats aan [de zoon] en [de zakenpartner] had moeten leveren. Dat zou meebrengen dat [de vader] naast de geleverde percelen ook het huidige perceel H288 had moeten leveren, wat op dat moment nog onderdeel uitmaakte van perceel H177. [de vader] voert aan dat hij geleverd heeft wat partijen in de koopovereenkomst zijn overeengekomen en dat er ten aanzien van het huidige perceel H288 een aparte afspraak tussen partijen was gemaakt in de vorm van een optierecht. Volgens hem blijkt ook uit niets dat partijen anders bedoeld hebben te verkopen dan de percelen met de in de koopovereenkomst en leveringsakte vermelde kadastrale aanduidingen.

5.13

Het hof oordeelt als volgt. Zoals [de vader] terecht stelt, dient de hiervoor in 3.6 geciteerde leveringsakte van 4 maart 2010 aan de hand van de objectieve uitlegmaatstaf te worden uitgelegd, waarbij aan de bewoordingen van de regeling, gelezen in het licht van de gehele inhoud van de akte, in beginsel doorslaggevend gewicht toekomt.1 In de omschrijving van het verkochte staan in de akte “het hotel-restaurant met ondergrond, erf en tuin” en “de parkeerplaats” genoemd. Het gedeelte van het perceel H177, wat later H288 is geworden, staat niet vermeld bij de kadastrale omschrijvingen. Volgens [de vader] staat daarmee vast dat hij heeft geleverd hetgeen is overeengekomen, zelfs al zou de partijbedoeling bij het aangaan van de koopovereenkomst anders zijn. Daarbij stelt hij dat de akte van levering voorgaat op de koopovereenkomst en dat deze correct is opgesteld. Het hof volgt [de vader] niet in deze redenering. Weliswaar levert de leveringsakte tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van hetgeen in de akte door hen omtrent de inhoud van hun contractuele afspraken is verklaard, maar daartegen staat tegenbewijs open, welk tegenbewijs in het licht van de zogenaamde Haviltex-maatstaf2 op alle omstandigheden van het geval betrekking kan hebben.3

5.14

Daar komt bij dat, zoals [de zoon] terecht stelt, het juist de vraag is of [de vader] zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst op correcte wijze is nagekomen. Voor de uitleg van de koopovereenkomst geldt de genoemde Haviltex-maatstaf, waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.15

In tegenstelling tot wat [de vader] betoogt, is het hof van oordeel dat uit artikel 16 van de koopovereenkomst niet duidelijk blijkt dat ook het ketelhuis en een gedeelte van de parkeerplaats bij het hotel zijn uitgesloten van het verkochte. In dat artikel wordt verwezen naar perceel H177 dat is gelegen achter het verkochte. Vaststaat dat het grootste gedeelte van dit perceel uit bouwgrond bestond. Dat is het huidige perceel H287. [de vader] heeft zelf aangegeven dat hij interesse had in die bouwgrond om chalets op te kunnen bouwen. Ook in de optieovereenkomst tussen [de vader] en [de oorspronkelijk eigenaar] staat dat de optie betrekking heeft op het bouwterrein aan de achterzijde van het hotel, kadastraal bekend als H177, met de bedoeling om gemeld perceel bouwrijp te maken en te verkavelen. [de vader] heeft ook verklaard dat hij geen optie op die grond kon verkrijgen zonder aankoop van de percelen waarop het hotel stond. Omdat hij in die percelen geen interesse had ging hij op zoek naar een koper en een huurder voor die percelen met het hotel. [de zoon] en [de zakenpartner] bleken geïnteresseerd in de aankoop van die percelen, waarvoor [de vader] ook huurders had gevonden.

5.16

De omschrijving van het verkochte in de koopovereenkomst luidt “een horecabedrijfspand met aan- en bijbouwingen, erf en ondergrond en verdere aanhorigheden en een parkeerplaats”(zie ook 3.2). In de door [de vader] gesloten huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde alleen mag worden gebruikt als “hotel-café-restaurantbedrijf met onzelfstandige woonruimte”. De huurders hebben het hotel ook als zodanig geëxploiteerd. [de zoon] voert aan dat niet alleen hijzelf, maar ook [de zakenpartner] en de huurders er

vanuit zijn gegaan dat het gehele hotel, inclusief ketelhuis en de volledige parkeerplaats bij het hotel, door [de vader] was verkocht. Er is ook op die wijze uitvoering gegeven aan de huurovereenkomst. Tot en met juli 2012 hebben [de zoon] en [de zakenpartner] als enige verhuurders opgetreden en hebben de huurders alleen huur aan hen betaald.

5.17

Uit de formuleringen in de koopovereenkomst en huurovereenkomst blijkt dat het ging om de verkoop respectievelijk verhuur van een hotel met alles wat daarvoor nodig was. Deze bedoeling wordt ook bevestigd in artikel 2 lid 2 van de leveringsakte waarin tussen partijen is overeengekomen dat het verkochte de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik als hotel-restaurant. Net zoals het hof ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld in de procedure tussen [de vader] en de huurders,4 acht het hof het evident dat partijen die een hotel wensen te (ver)kopen dat ook als hotel geëxploiteerd zal blijven, er geen enkel belang bij hebben om voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het hotel van de verkoop uit te sluiten. Dat het wel de bedoeling van partijen was om het ketelhuis en een deel van de parkeerplaats van de koop uit te sluiten, dan wel dat [de zoon] dit redelijkerwijs diende te verwachten, blijkt nergens uit. Het is het hof niet gebleken dat [de vader] ten tijde van de verkoop met [de zoon] heeft besproken dat het ketelhuis was uitgesloten van de verkoop. [de zoon] heeft aangevoerd dat hij en [de zakenpartner] dit niet hebben geweten en dat stemt overeen met hun gedragingen als verhuurders jegens de huurders van het hotel. [de vader] heeft ter zitting erkend dat er maar één bijgebouw is bij het hotel. Dat is het ketelhuis, gelegen op het huidige perceel H288. De omschrijving in de koopovereenkomst ‘met aan- en bijbouwingen’ kan dus alleen betrekking hebben op dit ketelhuis. Tussen partijen is niet in discussie dat het hotel niet als horecagelegenheid kan functioneren zonder de voorzieningen in dit ketelhuis.

5.18

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden volgt het hof [de vader] niet in zijn betoog dat uit artikel 16 van de koopovereenkomst blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat het ketelhuis en het deel van de parkeerplaats op het huidige perceel H288 uitgesloten was van de verkoop. Op basis van de tekst van de koopovereenkomst en de hiervoor geschetste omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat [de vader] het gehele hotel, inclusief het huidige perceel H288, aan [de zoon] en [de zakenpartner] heeft verkocht en deze daarom ook volledig aan hen diende te leveren.

5.19

Het beroep van [de vader] op de schending van de onderzoeksplicht door [de zoon] faalt. Volgens vaste jurisprudentie gaat in beginsel de mededelingsplicht van de verkoper voor op de onderzoeksplicht van de koper.5 Het lag dus op de weg van [de vader] om [de zoon] expliciet te wijzen op het feit dat het ketelhuis en een gedeelte van de parkeerplaats niet op de kadastrale percelen lagen die in de leveringsakte zijn opgenomen. Hij stelt immers dat hij dit wist. Door dit na te laten heeft hij zijn mededelingsplicht als verkoper van het hotel geschonden, wat voor zijn risico komt. [de vader] is daarom zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst niet volledig nagekomen, waardoor sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [de vader] . De gevolgen daarvan komen hierna aan bod.

‘Extra aflossingen’

5.20

Door [de zoon] zijn, naast de maandelijkse betalingen, in 2010 en 2011 een aantal bedragen overgemaakt aan [de vader] met de vermelding ‘extra aflossing’. Het gaat om een totaalbedrag van € 3.850,-. In de akte van kwijtschelding van 7 februari 2011 is een bedrag van € 2.470,- als aflossing op de geldlening vermeld, zoals hiervoor in 3.10 geciteerd. Dat bedrag heeft betrekking op dergelijke betalingen uit 2010. [de vader] betwist dat sprake is van extra aflossingen en stelt dat deze bedragen aan hem zijn betaald als vergoeding van zijn werkzaamheden aan het hotel. De vermelding ‘extra aflossing’ zou volgens hem een fiscale reden hebben.

5.21

Alleen ten aanzien van een bedrag van € 377,50 is door [de vader] voldoende onderbouwd dat deze betaling betrekking had op door hem verricht onderhoud. Op 17 maart 2011 staat namelijk bij de betaling van € 1.000,- vermeld “Maandelijkse aflossing lening. Tevens (…) onderhoud”. De maandelijkse aflossing bedroeg € 622,50, waardoor de betaling voor onderhoud neer komt op een bedrag van € 377,50. Van de overige bedragen is niet gebleken dat deze betrekking hadden op werkzaamheden van [de vader] . Noch uit zijn stellingen, noch uit de stukken volgt dat hij op die momenten onderhoud zou hebben gepleegd en tegen welk tarief.

5.22

[de zoon] had in zijn eerste grief in het incidenteel appel aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het bedrag van € 2.470,- niet had meegenomen in zijn oordeel, maar heeft deze grief op de zitting ingetrokken, omdat dit bedrag in het door de rechtbank van de geldlening afgetrokken bedrag van € 3.850,- al was verwerkt.

Verrekening huurpenningen

5.23

Beide partijen hebben een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [de vader] een bedrag van € 4.000,- aan geïnde huurpenningen aan [de zoon] dient te vergoeden en dat dit bedrag is verrekend met het toegewezen deel van de vordering van [de vader] . [de zoon] stelt dat [de vader] niet € 4.000,-, maar € 5.000,- aan huurpenningen heeft ontvangen, zonder dat hij daar recht op had. Volgens hem is sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [de vader] ten nadele van hem, omdat de huurders dit bedrag hebben afgetrokken van de door hen te betalen huur. Hij vordert daarom een schadevergoeding voor het bedrag van € 5.000,-.

5.24

[de vader] voert als meest verstrekkend verweer dat [de zoon] geen vorderingsrecht heeft en geen bevoegdheid tot verrekening toekomt. Volgens hem komt de vordering van de huurpenningen uitsluitend de gemeenschap zoals die bestaat of heeft bestaan tussen [de zoon] en [de zakenpartner] toe. Zij waren gezamenlijk eigenaar en verhuurders waardoor de huurpenningen in de onverdeelde gemeenschap vielen. [de zoon] heeft daardoor volgens [de vader] geen eigen vorderingsrecht ter zake van ongerechtvaardigde verrijking.

5.25

Vaststaat dat [de zoon] op 4 mei 2015 het aandeel van [de zakenpartner] in het hotel, inclusief perceel H288, heeft gekocht en nu enig eigenaar daarvan is. Op dit moment is dus geen sprake meer van een gemeenschap. Tevens staat vast dat [de vader] de van de huurders ontvangen huurpenningen noch aan de huurders, noch aan de eerdere gemeenschap heeft (terug)betaald. Aangezien [de zoon] het aandeel van [de zakenpartner] tegen betaling heeft overgenomen gaat het hof er, bij gebreke aan contra-indicaties, vanuit dat hij ook de bestaande vorderingen van de gemeenschap daarmee toegedeeld heeft gekregen. Dit brengt mee dat op dit moment deze vordering aan [de zoon] toekomt. Om die reden is [de zoon] in deze procedure in hoger beroep in elk geval nu bevoegd om die vordering te verrekenen met zijn schuld aan [de vader] .

5.26

Volgens het hof stelt [de zoon] terecht dat [de vader] een bedrag van € 5.000,- aan huurpenningen heeft ontvangen. Dit bedrag is vastgesteld in de procedure in eerste aanleg tussen [de vader] en de huurders en bevestigd in het in kracht van gewijsde gegane arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 1 maart 2016.6 Tijdens de zitting heeft [de vader] erkend dat hij dit bedrag niet heeft terugbetaald aan de huurders, ondanks de veroordeling daartoe bij voornoemd arrest. Zoals ook het hof ’s-Hertogenbosch in genoemd arrest heeft geoordeeld, bestond er voor [de vader] geen rechtsgrond om deze huurgelden te innen. [de vader] had, zoals hiervoor in ro. 5.17 geoordeeld, ten onrechte het huidige perceel H288 niet geleverd aan [de zoon] en [de zakenpartner] . Hij heeft daarmee eveneens ten onrechte voor dat perceel huur geïnd bij de huurders. Ter zitting is door [de zoon] onweersproken gesteld dat de huurders de aan [de vader] betaalde huurgelden niet aan [de zoon] hebben betaald. De eerdere stelling van [de vader] dat dit wel het geval zou zijn, is niet nader door [de vader] onderbouwd en blijkt ook niet uit de bankafschriften die door [de zoon] in de procedure zijn overgelegd. Het hof gaat daarom aan die stelling voorbij.

5.27

Het voorgaande brengt mee dat [de vader] voor een bedrag van € 5.000,- ongerechtvaardigd is verrijkt ten nadele van [de zoon] . [de vader] zal, nu dit ook redelijk is, het bedrag van € 5.000,- daarom aan [de zoon] moeten vergoeden. [de zoon] kan dit bedrag verrekenen met de nog vast te stellen openstaande schuld aan zijn vader.

Advocaatkosten

5.28

[de zoon] heeft schadevergoeding gevorderd voor de door hem betaalde advocaatkosten. [de zoon] stelt een bedrag van € 18.140,43 aan advocaatkosten te hebben gemaakt voor de discussie met de huurders, de levering van perceel H288 en het voeren van verweer tegen de deurwaarder die door [de vader] was ingeschakeld. [de vader] heeft deze vordering in hoger beroep gemotiveerd betwist. Het hof is van oordeel dat deze vordering door [de zoon] , in het licht van deze gemotiveerde betwisting, onvoldoende is onderbouwd. Zo is het voor het hof onder meer niet duidelijk welke advocaatkosten waarvoor zijn gemaakt en in hoeverre deze kosten veroorzaakt zijn door het niet direct leveren van perceel H288 door [de vader] . Ook kan het hof niet uit de stellingen of stukken opmaken welk deel van deze kosten vallen onder de regeling die partijen hebben gesloten ten aanzien van de uiteindelijke verkoop en levering van H288 in februari en april 2013. Daarmee slaagt deze grief van [de vader] en zal het hof deze vordering van [de zoon] afwijzen.

5.29

Naast voorgaande advocaatkosten, heeft [de zoon] betaling gevorderd van de advocaatkosten, deurwaarderskosten en het griffierecht met betrekking tot de kort geding procedure om opheffing van de door [de vader] gelegde beslagen te verkrijgen. Het gaat om een totaalbedrag van € 4.147,61. Volgens [de vader] komen deze kosten onder meer niet voor vergoeding in aanmerking, omdat partijen in het kader van die procedure een regeling hebben getroffen over de gelegde beslagen. Nog los van de vraag of het beslag al dan niet onrechtmatig was gelegd, is het hof van oordeel dat deze kosten inderdaad niet alsnog door [de zoon] kunnen worden gevorderd. Vaststaat dat partijen een regeling hebben getroffen ten aanzien van die beslagen. Deze kosten worden daarom geacht onderdeel te vormen van die regeling. Deze grief van [de vader] slaagt en het hof zal deze vordering van [de zoon] daarom afwijzen.

Vergoeding kosten auto

5.30

[de zoon] heeft betaling van een aantal kosten gevorderd die hij heeft gemaakt en die samenhangen met het gebruik van een auto van [de zoon] door [de vader] . Het gaat dan onder meer om (motorrijtuigen)belasting die is betaald aan de belastingdienst en betaalde boetes. Volgens [de zoon] is [de vader] ten koste van hem ongerechtvaardigd verrijkt, omdat [de zoon] die kosten heeft gedragen. Volgens [de vader] mocht hij deze auto ‘om niet’ gebruiken en dienen de kosten voor rekening van [de zoon] te blijven.

5.31

Het hof overweegt dat uit het enkele feit dat een persoon zijn auto gedurende langere tijd zonder vergoeding door een ander laat gebruiken, die ander nog niet mag afleiden dat die persoon zich tevens heeft verbonden om de kosten die samenhangen met het gebruik van deze auto voor zijn rekening te nemen. Feiten en omstandigheden op grond waarvan [de vader] daar in dit geval wel van mocht uitgaan zijn gesteld noch gebleken. Dit brengt mee dat [de vader] die door [de zoon] betaalde kosten dient te vergoeden, omdat hij anders ten koste van hem ongerechtvaardigd wordt verrijkt en dat niet redelijk is. Voor zover [de vader] ter zitting van het hof heeft verklaard dat de kosten zijn verrekend, heeft hij dat verder niet toegelicht, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

5.32

[de vader] voert daarnaast aan dat uit de door [de zoon] overgelegde bankafschriften niet volgt dat de daarop vermelde kosten zijn gemaakt voor de auto waarvan hij gebruik maakte. Uit deze bankafschriften maakt het hof op dat de volgende betalingen in ieder geval door [de zoon] zijn gedaan voor de auto met het kenteken waar [de vader] gebruik van maakte:

14 april 2010

€ 199,-

aan de belastingdienst

29 november 2010

€ 120,-

aan de belastingdienst

18 april 2011

€ 108,-

aan de belastingdienst

6 juni 2011

€ 121,-

aan de belastingdienst

6 juni 2011

€ 15,-

aan de Stadtkasse Aachen

4 november 2011

€ 33,-

aan het CJIB

4 november 2011

€ 121,-

aan de belastingdienst

27 november 2011

€ 72,-

aan de belastingdienst

Dit gaat om een totaalbedrag van € 789,-. Bij de andere kosten waarvan [de zoon] betaling heeft gevorderd is uit de bankafschriften niet op te maken dat die voor deze auto zijn gemaakt.

5.33

Het voorgaande brengt mee dat de grief van [de vader] alleen slaagt ten aanzien van de bedragen waar het kenteken niet vermeld staat op de bankafschriften. Het hiervoor genoemde deel van de vordering zal het hof toewijzen en kan door [de zoon] worden verrekend met de nog vast te stellen openstaande schuld aan zijn vader.

Proceskostenveroordeling vonnis in kort geding

5.34

In hoger beroep heeft [de zoon] zijn eis vermeerderd met de nog niet door [de vader] betaalde proceskosten, waartoe hij op 24 augustus 2016 is veroordeeld door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, te Utrecht. Vaststaat dat [de vader] deze proceskosten niet heeft betaald en geen hoger beroep tegen dat vonnis heeft ingesteld. Daarmee staat deze vordering vast. In tegenstelling tot [de vader] aanvoert, leidt deze vermeerdering van eis niet tot een eventuele tweede titel voor dezelfde vordering. [de zoon] doet namelijk een beroep op verrekening van deze vordering met zijn schuld aan [de vader] . Omdat [de vader] , ondanks de veroordeling daartoe, deze proceskosten nog niet heeft betaald kan [de zoon] deze vordering verrekenen met de nog vast te stellen openstaande schuld aan zijn vader. Het hof verwerpt dan ook het bezwaar tegen de vermeerdering van eis, die verder inhoudelijk niet is bestreden.

6 De slotsom

6.1

Het hof zal [de vader] toelaten om te bewijzen dat, in afwijking van de inhoud van de schriftelijke overeenkomst van geldlening van 4 maart 2010, tussen partijen is overeengekomen dat [de zoon] maandelijks voor een periode van minimaal 5 jaar een bedrag van € 750,- per maand zou betalen, zonder dat op het geleende bedrag zou worden afgelost.

6.2

Het hof zal [de vader] eveneens toelaten om tegenbewijs te leveren tegen het dwingend bewijs dat de in de aktes van kwijtschelding van maart 2010 en 7 februari 2011 genoemde kwijtscheldingen van in totaal € 29.000,- hebben plaatsgevonden.

6.3

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

7.1

laat [de vader] toe:

A. te bewijzen dat tussen partijen is overeengekomen dat, in afwijking van de inhoud van de schriftelijke overeenkomst van geldlening van 4 maart 2010, tussen partijen is overeengekomen dat [de zoon] maandelijks voor een periode van minimaal 5 jaar een bedrag van € 750,- per maand zou betalen, zonder dat op het geleende bedrag zou worden afgelost;

tegenbewijs te leveren tegen het dwingend bewijs dat de in de aktes van kwijtschelding van maart 2010 en 7 februari 2011 genoemde kwijtscheldingen van in totaal € 29.000,- hebben plaatsgevonden.

7.2

bepaalt dat, indien [de vader] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.P.M. Hennekens, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

7.3

bepaalt dat [de vader] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum van dinsdag 22 juni 2021, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

7.4

bepaalt dat [de vader] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

7.5

bepaalt dat, in het geval er getuigen worden voorgebracht, partijen in persoon samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

7.6

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, C.M.E. Lagarde en M.P.M. Hennekens, is ondertekend door M.P.M. Hennekens en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

1 Vergelijk HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), ro. 3.4.3 en HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), ro. 4.2.2

2 Zie HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158

3 Zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), ro. 3.4.5 en HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), ro. 4.2.3

4 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:748 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), ro. 4.6

5 o.a. HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2884 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:2884&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aHR%3a2016%3a2884), ro. 3.6.2

6 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:748 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), ro. 4.2 en 4.10