Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4978

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
21-005728-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:5536, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof volgt de overweging van de rechtbank ten aanzien van het medeplegen van de productie van drugs en veroordeelt verdachte ter zake van het medeplegen van voorbereidingshandelingen door het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen waarvan verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren voor de productie van drugs, tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 13 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005728-16

Uitspraak d.d.: 21 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 oktober 2016 met parketnummer 08-952726-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedag] 1958,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, staat voor verdachte geen hoger beroep open tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. Het hoger beroep van verdachte blijft beperkt tot dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde is veroordeeld.

Gezien de appelmemorie van 14 november 2016 en de mededelingen van de advocaat-generaal ter terechtzitting is het door het openbaar ministerie ingestelde beroep beperkt tot de gedeeltelijke vrijspraak van feit 2.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 18 oktober 2016, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 1,5 kilo MDMA, 1 kilo amfetamine pasta en 1,7 liter amfetamine base olie (feit 1), het medeplegen van het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen waarvan hij wist of kon vermoeden dat deze bestemd waren voor de productie van drugs (feit 2) en het voorhanden hebben van een gas/alarmpistool en twee knalpatronen (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis met aanvulling van onderstaande motivering bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat bij bewezenverklaring van feit 2, de overweging van de rechtbank dient te worden gevolgd dat sprake is van medeplegen van voorbereidingshandelingen en niet van medeplegen van de productie van drugs, omdat niet is gebleken dat verdachte meedeelde of zou meedelen in de winst of opbrengst, niet is gebleken waar geproduceerd zou zijn of zou worden en dat ook geen in werking zijnde laboratorium is aangetroffen. Het vonnis van de rechtbank kan voor wat betreft de bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen in stand blijven, aldus de verdediging.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken van het medeplegen van de productie van drugs. Volgens de advocaat-generaal kan medeplegen van de productie bewezen worden, nu sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 1] . Deze samenwerking volgt uit het vonnis van de Duitse rechter, de diverse verklaringen waaruit blijkt dat verdachte veel contact had met zowel [betrokkene 1] , [betrokkene 2] als [betrokkene 3] en uit de tapgesprekken waarbij met name het verhullend taalgebruik opvalt. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris dat verdachte bepaalde zaken voor [betrokkene 1] heeft geregeld. Zo bewaarde verdachte drugs voor [betrokkene 1] en zorgde verdachte voor een loods voor opslag van de tabletteermachine. Ook is er in de auto gesproken over chemicaliën en zijn er belastende zoektermen gebruikt op de laptop van verdachte. Tot slot is belastend het briefje dat op verdachte is aangetroffen bij de insluitingsfouillering.

De substantiële rol van verdachte bij de productie van drugs bestaat volgens de advocaat-generaal uit het organiseren van de locatie, het vervoeren van grondstoffen, de contacten die verdachte had met derden over de grondstoffen waarbij hij druk uitoefent om meer te produceren en de betrokkenheid van verdachte bij de productie waarvoor verdachte ook betaald krijgt. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [betrokkene 1] .

Oordeel van het hof

Het hof volgt de overweging van de rechtbank en komt tot bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen door het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen waarvan verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren voor de productie van drugs. Het hof ziet – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal – weliswaar concrete aanwijzingen voor een grotere betrokkenheid van verdachte, maar er is onvoldoende wettig bewijs om de ten laste gelegde productie van drugs bewezen te verklaren. Het hof wijst in dat verband op het feit dat er geen locatie is gevonden waar de productie van drugs zou hebben plaatsgevonden. Ook zijn er, behoudens in de schuur waar de tenlastegelegde drugs zijn aangetroffen, geen drugs elders aangetroffen en uit het dossier blijkt ook niet in welke periode de drugs zouden zijn geproduceerd.

Het hof zal daarom het vonnis met aanvulling van deze motivering bevestigen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De verdediging heeft ter terechtzitting een strafmaatverweer gevoerd, waarbij de verdediging in de persoonlijke omstandigheden reden ziet om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur gelijk aan het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal wijst hierbij op de ernst van de feiten, de rol van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Een gevangenisstraf van 32 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk zoals door de rechtbank opgelegd acht het hof in beginsel passend en geboden. Het hof ziet echter reden tot afwijking van de opgelegde straf in eerste aanleg gelet op de persoonlijke omstandigheden zoals gebleken ter terechtzitting. Het feit dat verdachte en zijn echtgenote begin dit jaar, geruime tijd na de bewezenverklaarde feiten, alsnog uit hun woning zijn gezet vanwege deze feiten heeft verdachte zeer in zijn persoon geraakt. Hoewel dit strikt genomen in strafrechtelijke zin geen straf is, ziet het hof hierin wel een belangrijke persoonlijke omstandigheid en boetedoening waarmee het hof in strafmatigende zin rekening houdt.

Ook heeft het hof acht geslagen op het feit dat volgens de justitiële documentatie verdachte na zijn aanhouding in deze zaak niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Tot slot wordt de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met maar liefst tweeëneenhalf jaar sterk verdisconteerd in de op te leggen straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 13 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing ter zake van het onder feit 4 ten laste gelegde.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de bewijsoverweging.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 13 (dertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. R.G.J. Welbergen en mr. C.H. Zuur, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Valé, griffier,

en op 21 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. B.J.J. Melssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 21 mei 2021.

Tegenwoordig:

mr. M.L. Plas, voorzitter,

mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,

mr. H.E. Schoenmakers, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.