Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4954

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
21-005539-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

veroordeling wegens brandstichting, vernieling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor 8 maanden met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Gemaximeerde TBS en dadelijk uitvoerbaar. Afwijzing van de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, nu het hof daar geen aanleiding voor ziet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005539-19

Uitspraak d.d.: 23 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 21 oktober 2019 met parketnummer 08-067079-19 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

thans verblijvende in de P.I. Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 juli 2020, 20 januari 2021 en 9 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. J.J. Lieftink, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 21 oktober 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en heeft daarnaast aan de verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege opgelegd waarbij de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan, wegens – kort gezegd – vernieling (feit 1), brandstichting (feit 2) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling (feit 3).

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 20 maart 2019 te Borne opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning op/aan de [adres 1] en/of een aquarium, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever] en/of woningbouw vereniging [woningbouw vereniging] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij op of omstreeks 13 februari 2019 te Borne opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/nabij een woonwagen op/aan het [adres 2] door open vuur in aanraking te brengen met kleding (die met benzine was besprenkeld/overgoten), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die kleding en/of bestrating en/of (een deel) de/die woonwagen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woonwagen en/of zich in de nabije omgeving zich bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.
hij op of omstreeks 13 februari 2019 te Borne [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik rijd je met de auto door de wagen heen, ga maar vast in de keuken zitten" en/of "ik rie oe dwars door de wag'n heen!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bekend dat hij het hem onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan. Hij heeft bekend dat hij op 20 maart 2019 een ruit van een woning aan de [adres 1] en een aquarium toebehorende aan woningbouwvereniging [woningbouw vereniging] en [aangever] heeft vernield. De verdediging heeft wat betreft dit feit geen bewijsverweer gevoerd.

Door wettige bewijsmiddelen, te weten de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 20 maart 2019, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde brandstichting.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en met betrekking tot feit 2 aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen voor de bestandsdelen ‘gemeen gevaar voor goederen te duchten’ en of ‘levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten’.

De verdediging heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , vader van verdachte, gedaan op 13 februari 2019 en afgesloten en ondertekend op 15 februari 2019, van het bewijs moet worden uitgesloten. In dat proces-verbaal is als verklaring van de vader openomen dat zijn zoon brand heeft gesticht door zijn kleding aan te steken.

De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn beroep op bewijsuitsluiting aangevoerd dat de vader, analfabeet is, waardoor hij zijn verklaring niet heeft kunnen nalezen en dat de aangifte ook niet door hem is ondertekend. Bovendien heeft de vader bij de rechter-commissaris op 16 juli 2019 een andere verklaring afgelegd, te weten dat verdachte de kleding in brand heeft gestoken in een buitenkachel, die later door hem, aangever/vader, is omgetrokken. Op vragen van de rechter-commissaris heeft hij uitgebreid en gedetailleerd verklaard. Ook heeft de vader ter terechtzitting in hoger beroep, waar hij als getuige is gehoord, een uitgebreide verklaring afgelegd. Deze laatste twee verklaringen komen onderling met elkaar overeen, maar komen niet overeen met de eerste verklaring die in de aangifte is opgenomen.

Tot slot staat nergens in het politiedossier vermeld waarom de vader zijn aangifte niet wilde ondertekenen, terwijl verbalisant [verbalisant 1] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij de reden van het niet ondertekenen van een aangifte meestal in het proces-verbaal van aangifte vermeldt. Gelet op al die omstandigheden dient de aangifte buiten beschouwing te worden gelaten, aldus de raadsman.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de totstandkoming van het proces-verbaal van aangifte van 15 februari 2019 en evenmin aan de inhoud daarvan. Het hof stelt vast dat de door vader bij de politie afgelegde verklaring overeen komt met andere bewijsmiddelen in het dossier.

Op de zich in het dossier bevindende foto’s van het plaatsje achter de woonwagen, die op de dag na de brand zijn gemaakt, is geen buitenkachel te zien. Het hof neemt verder in aanmerking dat verbalisant [verbalisant 1] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij geen herinnering heeft aan een buitenkachel of een verklaring van vader daarover. Daarentegen kan hij zich wel herinneren dat de vader duidelijk tegen hem heeft gezegd dat hij aangifte tegen zijn zoon wil doen. [verbalisant 1] heeft ook uitgelegd waarom hij zich dat zo goed herinnert. Hij was verrast dat vader [slachtoffer] nu echt aangifte wilde doen tegen zijn zoon. Aangever zei dat hij er nu echt klaar mee was.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verbalisant [verbalisant 2] , die de oorzaak van de brand heeft onderzocht, verklaard dat aangever tegen hem wel heeft gesproken over een buitenkacheltje waarin hij weleens stookte, en ook heeft aangewezen waar dat kacheltje dan stond, te weten midden op het terras, maar dat aangever/vader hem toen niet heeft gezegd dat de brand en de schade aan de woonwagen is ontstaan doordat aangever het kacheltje had omgeschopt of omgetrokken.

Het gegeven dat vader later bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep anders heeft verklaard dan bij het politieverhoor op 13 februari 2019 is op zich geen reden om aan te nemen dat verbalisant [verbalisant 1] in het proces-verbaal van aangifte onwaarheden heeft opgenomen. Ook de omstandigheid dat aangever zijn aangifte destijds niet heeft ondertekend en dat de reden daarvan in het proces-verbaal van verhoor niet is opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen voor de bestandsdelen ‘ik rij je met de auto door de wagen heen, ga maar in de keuken zitten’ en ‘ik rie oe dwars door de wag'n heen!’. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat niet is komen vast te staan dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [slachtoffer] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Volgens de raadsman is het bovendien de vraag of de door verdachte gedane bedreigingen wel bij [slachtoffer] terecht zijn gekomen, nu aangever heeft verklaard dat [slachtoffer] de telefoon aan hem had gegeven.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of een zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Uit het dossier blijkt dat de vader van verdachte op 13 februari 2019 aangifte heeft gedaan van bedreiging. Hij heeft verklaard dat de politie, kort nadat de verdachte was weggereden, op het perceel arriveerde. Vervolgens is de vader van verdachte met de politie in gesprek gegaan. Tijdens dit gesprek werd de vader door verdachte gebeld. Hij hoorde tijdens dit telefoongesprek dat verdachte het volgende zei: "Ik rijd je met de auto door de wagen heen, ga maar vast in de keuken zitten". Hierna verbrak verdachte de verbinding. Vervolgens belde verdachte zijn vader nog een keer en verdachte was daarbij aan het schelden en tieren.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2019 is af te leiden dat de vader van verdachte de telefoon tussen verbalisant [verbalisant 1] en hemzelf had gehouden. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde tijdens het telefoongesprek verdachte met een luide stem zeggen: “ Ik rie oe dwars door de wag’n heen”.

De vader van verdachte heeft later bij de rechter-commissaris op 16 juli 2019 verklaard dat verdachte hem niet heeft bedreigd. Daarnaast heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 2021 verklaard dat hij verdachte niet de in de tenlastelegging opgenomen bedreigingen heeft horen zeggen. Het hof acht de bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van vader ongeloofwaardig, nu de in de aangifte opgenomen verklaring van vader steun vindt in de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] . De vader van verdachte verklaarde in die aangifte ook dat hij en de politieman verdachte weer hoorde zeggen dat hij met de auto door de wagen heen wilde rijden, dat hij bang was dat verdachte dit zou doen en dat hij (vader) zijn vrachtwagen nog wat meer voor de poort van de woonwagen wilde zetten.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat gezien de aard van de door verdachte gedane uitlatingen, alsmede omstandigheden waaronder die zijn gedaan, te weten dat verdachte heel boos was en in een auto reed, sprake is van een bedreiging die van dien aard is dat bij de vader van verdachte in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Dat de vader van verdachte daadwerkelijk op de hoogte van deze bedreiging is gekomen waarbij er vrees bij hem is ontstaan, wordt bevestigd door de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , die zegt dat de telefoon tussen hen in werd gehouden, zodat zij beiden konden horen wat verdachte zei.

Gelet op al het voorgaande – in onderling(e) verband en samenhang bezien – is er naar het oordeel van het hof geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling. Het hof verwerpt derhalve het door de raadsman gevoerde verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op of omstreeks 20 maart 2019 te Borne opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning op/aan de [adres 1] en/of een aquarium, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever] en/of woningbouwvereniging [woningbouw vereniging] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij op of omstreeks 13 februari 2019 te Borne opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/nabij een woonwagen op/aan het [adres 2] door open vuur in aanraking te brengen met kleding (die met benzine was besprenkeld/overgoten), althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die kleding en/of bestrating en/of (een deel) de/die woonwagen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woonwagen en/of zich in de nabije omgeving zich bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.
hij op of omstreeks 13 februari 2019 te Borne [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik rijd je met de auto door de wagen heen, ga maar vast in de keuken zitten" en/of "ik rie oe dwars door de wag'n heen!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling

Strafbaarheid van de verdachte

Ter beoordeling van de strafbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde heeft het hof acht geslagen op Pro Justitia rapportages van 23 juli 2019 en 12 januari 2021, opgemaakt door de gedragsdeskundigen F. Verstraeten, psychiater en H.E.W. Koornstra, psycholoog. Uit de rapportages volgt dat bij verdachte ten tijde van de gepleegde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een niet anders gespecifieerde persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen concluderen dat de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte dienen te worden toegerekend.

Het hof neemt de conclusie van de gedragsdeskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid over en maakt die tot de zijne. Het hof is daarom van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Nu er voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit, is de verdachte dus strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 21 oktober 2019 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging van overheidswege opgelegd, waarbij de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, alsmede TBS met voorwaarden alsmede de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. De advocaat-generaal heeft daarbij verzocht de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en bij een eventuele omzetting van TBS met voorwaarden naar TBS met dwangverpleging te bepalen dat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven kan gaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting, in het verlengde van zijn bewijsverweer, primair verzocht verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden op te leggen met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman verzocht, mocht het hof van oordeel zijn dat verdachte alle drie de feiten heeft gepleegd, verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het ondergane voorarrest op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht aan de verdachte TBS met voorwaarden op te leggen en in het arrest op te nemen dat bij een eventuele omzetting van TBS met voorwaarden naar TBS met dwangverpleging de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven kan gaan. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat aan verdachte geen gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Strafoplegging

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Verdachte heeft nabij de woonwagen van zijn ouders brand gesticht. Daarbij is gemeen gevaar voor de woonwagen ontstaan. De verdachte heeft met deze brandstichting een gevaarlijke situatie gecreëerd, waarbij ergere gevolgen slechts voorkomen zijn door het adequaat optreden van zijn vader en de politie. De verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van deze gevaren, nu hij na het plegen van het delict is weggegaan en geen enkele maatregel heeft genomen om de gevolgen van zijn daad te beperken. Daar komt bij dat verdachte zich op diezelfde dag schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van zijn vader, via de telefoon. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten niet alleen angst en vrees bij zijn vader aangejaagd, maar ook bij de verbalisanten die ter plaatse waren en de buurtbewoners. Bovendien heeft verdachte deze feiten gepleegd bij de woonwagen van zijn ouders, terwijl de eigen woning bij uitstek een plek zou moeten zijn waar men veilig is en zich ook veilig voelt. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een vernieling van een ruit van een woning aan de [adres 1] en een aquarium toebehorende aan woningbouwvereniging [woningbouw vereniging] en [aangever] . Door aldus te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen.

Het hof heeft tevens gelet op de inhoud van het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 maart 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten, waaronder gewelds- en agressiedelicten. Deze eerder opgelegde straffen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het hof is van oordeel dat – mede gelet op wat hiervoor is overwogen en de ernst van het

bewezenverklaarde – de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

Motivering van de maatregel TBS

Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of en zo ja, in welke vorm, de maatregel van TBS moet worden opgelegd.

Vooropgesteld dient te worden dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37, tweede en derde lid en 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de maatregel TBS kunnen worden opgelegd. In de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit dient in de tweede plaats een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1 Sr) vermeld.

In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.

Het hof stelt vast dat de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid aanhef en onder 2˚ Sr, waardoor TBS mogelijk is.

Gebleken is, zoals hiervoor reeds overwogen, dat bij verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een niet anders gespecifieerde persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen concluderen dan ook in hun rapportages dat de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte dienen te worden toegerekend.

Voorts is er – naar het oordeel van het hof – sprake van een hoog recidiverisico. Het hof ontleent de inschatting van dat risico aan de inhoud van de Pro Justitia rapportages van 23 juli 2019 en 12 januari 2021, opgemaakt door de gedragsdeskundigen F. Verstraeten, psychiater en H.E.W. Koornstra, psycholoog.

Psychiater F. Verstraeten concludeert in het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 23 juli 2019 dat zij op basis van het gebruik van de risicotaxatie-instrumenten gecombineerd met het klinische oordeel tot de inschatting van een hoog recidiverisico op geweld komt. De psychiater meent dat de kans op recidive sterk bepaald wordt door zijn persoonlijkheidsstoornis in combinatie met zwakbegaafdheid waardoor zijn coping strategieën zeer beperkt zijn en verdachte geneigd is als coping bij spanning meer middelen te gaan gebruiken die zijn remmingen verder doen wegvallen en kunnen leiden tot recidive. Verdachtes middelenproblematiek maakt hem labieler voor het ervaren van spanning en zal zijn gevoel dat hij tekort gedaan worden versterken. Volgens de deskundige dient er een behandeling gericht op zijn persoonlijkheidsproblematiek te komen. Om zijn persoonlijkheidsproblematiek te behandelen zal er, zowel ambulant als klinisch, een lang behandeltraject nodig zijn. De deskundige adviseert daarom om de behandeling klinisch te starten.

Psycholoog H.E.W. Koornstra concludeert tevens in het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 23 juli 2019 dat de klinische inschatting in combinatie met de gestructureerde risciotaxatie leidt tot de inschatting van een hoog recidiverisico. Verder blijkt uit de rapportage dat een klinische start van een behandeling noodzakelijk is om de huidige aangebracht structuur in hechtenis te continueren.

Gelet op de ernst van de persoonlijkheidsstoornissen, het hoge recidivegevaar, de ernst van de door verdachte gepleegde feiten en het feit dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van TBS noodzakelijk is en dat niet kan worden volstaan met oplegging van alleen een gevangenisstraf.

Bevel tot verpleging van overheidswege of voorwaarden

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden welke vorm van TBS opgelegd dient te worden: TBS met bevel tot verpleging van overheidswege of TBS met de oplegging van voorwaarden.

In hoger beroep hebben de hiervoor genoemde gedragsdeskundigen op verzoek van de raadsheer-commissaris aanvullend over verdachte gerapporteerd. Het hof heeft kennisgenomen van de aanvullende Pro Justitia rapportages van 12 januari 2021, opgemaakt door de gedragsdeskundigen F. Verstraeten, psychiater en H.E.W. Koornstra, psycholoog.

Psychiater F. Verstraeten concludeert, in tegenstelling tot haar eerdere rapportage, dat een TBS met voorwaarden toereikend is om het recidiverisico bij verdachte te verlagen. Verdachte is inmiddels langere tijd abstinent van alcohol en hij is bezig met de afbouw van valium. Daarnaast is hij goed ingesteld op medicatie voor zijn paniekstoornis met mogelijk effect op zijn persoonlijkheidsstoornis en heeft hij meer ziektebesef en enige ziekte-inzicht. Bovendien heeft hij ook meer motivatie voor een behandeling. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de psychiater de oplegging van TBS geadviseerd. Zij verklaart daarbij dat de motivatie van verdachte op dit moment voldoende daarvoor is. Zolang verdachte meewerkt aan de behandeling, kan hij meer inzicht krijgen en kan hij daardoor een intrinsieke motivatie ontwikkelen, aldus de psychiater.

Psycholoog H.E.W. Koornstra rapporteert in de aanvullende rapportage dat verdachte binnen de voor hem sterk structureerde en regulerende hechtenis een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, waarbij hij meer overzicht en enig inzicht in de hem hinderende problematiek heeft. Verdachte realiseert zich steun te behoeven en hoewel hij enig zicht heeft op de oorzaken van zijn alcoholgebruik en impulsiviteit, heeft hij geen behoefte hier nog verder bij stil te staan en lijkt zich niet te beseffen dat een leven buiten de muren van de penitentiaire inrichting terugval kan betekenen. De deskundige concludeert dat, in tegenstelling tot ten tijde van het oorspronkelijk onderzoek, inmiddels sprake is van enige behandelmotivatie die, hoewel extern bepaald, voldoende lijkt om een behandeling in voorwaardelijke kader mogelijk te maken. Verdachte is daarbij bereid om zich aan de voorwaarden te houden indien hij TBS met voorwaarden opgelegd zou krijgen, aldus de psycholoog.

Tot slot heeft het hof kennisgenomen van het maatregelrapport van de reclassering van 26 maart 2021. Ook de reclassering adviseert TBS met voorwaarden. Volgens de reclassering is het TBS-kader wel nodig om ervoor te zorgen dat verdachte de benodigde behandeling krijgt, waardoor het recidiverisico verlaagt en hij niet voortijdig de behandeling staakt. Een klinische behandeling is naar inziens van de reclassering nodig om het recidiverisico te beperken. Uit het rapport blijkt voorts dat de reclassering een akkoord voor de acceptatie van behandeling van verdachte van de zorginstelling [zorginstelling] heeft gekregen. [zorginstelling] heeft bij dit akkoord aangegeven dat ze verdachte naar alle waarschijnlijkheid op 26 april 2021 op kunnen nemen.

Het hof neemt de adviezen van de voornoemde deskundigen en van de reclassering over en maakt de inhoud daarvan tot zijn oordeel. Het hof acht met de deskundigen en de reclassering, gelet op de omstandigheden dat (1) verdachte heeft aangegeven open te staan voor behandeling en bereid te zijn zich aan voorwaarden te houden, (2) ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat bij verdachte sprake is van enig groeiend besef van en inzicht in zijn psychische problematiek en (3) ook uit de rapporten is gebleken dat er bij verdachte sprake is van een behandelmotivatie, dat aan verdachte TBS met voorwaarden kan worden opgelegd. Het hof zal dus beslissen tot oplegging van een TBS met voorwaarden en daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden stellen die door de reclassering zijn geadviseerd en hieronder in het dictum nader worden weergegeven.

Daarnaast zal het hof bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Het hof overweegt hierbij dat er sprake is van een recidiverisico en dat vanwege de ernst van de persoonlijkheidsstoornissen en de noodzakelijke vloeiende overgang tussen de beëindiging van de voorlopige hechtenis en de TBS met voorwaarden nodig is dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Het hof stelt ten slotte – anders dan de rechtbank – vast dat in de bewezenverklaring van het hof geen sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De TBS is daarom, in het geval de TBS met voorwaarden in de toekomst alsnog wordt omgezet naar een TBS met verpleging van overheidswege, anders dan de rechtbank heeft overwogen, beperkt tot de maximale periode van vier jaren.

De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

Ten aanzien van de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel overweegt het hof als volgt. Het hof ziet in de door de advocaat-generaal gegeven onderbouwing, geen aanleiding om – naast de maatregel van TBS met voorwaarden – tevens een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De inbeslaggenomen voorwerpen

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende spijkerbroek en schoenen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 38, 38a, 57, 63, 157, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de volgende voorwaarden:

  1. Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

  2. Verdachte begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland. Verdachte overlegt hierover vooraf met de reclassering, het Openbaar Ministerie beslist;

  3. Verdachte verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;

  4. Verdachte werkt mee, indien de reclassering dit nodig acht, aan een time-out in een forensische psychiatrische instelling, zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie van maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

  5. Verdachte verleent medewerking aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend, in:

a. medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;

b. zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;

c. zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

d. medewerking verlenen aan huisbezoeken;

e. inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

f. niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;

g. medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. Verdachte laat zich opnemen in FPK [zorginstelling] (of een soortgelijke zorginstelling), zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij volgt de aanwijzingen van de behandelaars conform de op stellen (delictpreventieve) behandelovereenkomst en het nader te formuleren behandelplan op. Dit behandelplan zal op geëigende momenten bijgesteld en nader gespecificeerd worden;

  2. Indien er niet meteen plek is bij FPK [zorginstelling] zal verdachte meewerken aan overbruggingszorg en zich laten opnemen in een instelling geïndiceerd door de voor plaatsing verantwoorde instelling. Verdachte zal zich houden aan de regels, afspraken en aanwijzingen van deze instelling;

  3. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit inhoudt het innemen van medicatie die nodig is voor de behandeling;

  4. Indien tijdens de behandeling een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst is, zulks ter beoordeling van de reclassering, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Verdachte zal zich committeren aan het nazorgtraject (zoals ambulante behandeling) waaraan te zijner tijd invulling gegeven zal gaan worden. Dit omvat tevens het bepalen van een woonplek na overleg en toestemming van de reclassering. Contact en afstemming met de wijkagent zal in de (nieuwe) woonomgeving tot stand gebracht worden;

  5. Verdachte zal inzicht geven in zijn sociaal netwerk en werkt mee aan eventuele screening van deze contacten. Hij werkt mee aan relatie- en/of systeemgesprekken indien dit geïndiceerd is;

  6. Verdachte dient inzicht te geven in zijn financiële huishouding. Indien de reclassering het noodzakelijk acht zal verdachte zijn medewerking verlenen aan budgetteringshulpverlening en/of financiële bewindvoering;

  7. Verdachte gebruikt geen alcohol, drugs of niet voorgeschreven medicatie door een behandelend arts. Verdachte meldt een terugval in gebruik direct bij de reclassering. Mocht verdachte een terugval hebben in gebruik dan zullen alle betrokken partijen overleggen wat de gevolgen zijn voor de voortzetting van het toezicht;

  8. Verdachte zal meewerken aan urinecontroles of blaasproeven in verband met middelen/alcoholgebruik. Deze controles zullen onderdeel uitmaken van de (terugvalpreventie-) behandeling;

  9. Verdachte werkt mee aan een zinvolle dagbesteding. Indien passend werk niet direct voorhanden is, zal verdachte meewerken aan een andere dag invulling (zoals scholing of vrijwilligerswerk).

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Heft op het bevel voorlopige hechtenis.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een spijkerbroek (kleur blauw);

  • -

    1 stuk schoen (merk Mustang, kleur bruin); en

  • -

    2 stuks schoenen (merk Mustang, kleur bruin).

Aldus gewezen door

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. K.J.C. Geeve, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.B.T. Renes, griffier,

en op 23 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Het arrest is vastgesteld en ondertekend op 26 april 2021.

De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 23 april 2021.

Tegenwoordig:

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,

mr. M. Klein, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.