Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4950

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
20/00240
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:5957, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 4-6-2021
V-N Vandaag 2021/1328
FutD 2021-1777 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00240

uitspraakdatum: 25 mei 2021

Uitspraak van de tiende enkelvoudig belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2019, nummer UTR 19/513 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 56 te [Z] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2018 vastgesteld op € 194.000. Tegelijk hiermee is aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting 2018 (hierna: OZB) opgelegd.

1.2.

Het tegen die beschikking en aanslag gemaakte bezwaar is door de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank MiddenNederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter (digitale) zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord: namens belanghebbende mr. [A] als zijn gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [B] en [C] (taxateur).

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, zijnde een in 2001 gebouwd appartement op de begane grond met een gebruiksoppervlakte van 77 m2. Bij de onroerende zaak behoren een berging en een terras van (ongeveer) 12 m2. Belanghebbende is voorts gerechtigd tot het één zesde onverdeelde aandeel in de tuin.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2018, per waardepeildatum 1 januari 2017, bij beschikking van 28 februari 2018 vastgesteld op € 194.000. Daarbij is voorts een aanslag OZB 2018 aan belanghebbende opgelegd.

2.3.

Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar aangetekend. Op 7 december 2018 is belanghebbende op diens verzoek gehoord door de heffingsambtenaar. Bij uitspraak van 17 december 2018 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen:

‘(…)

U vindt de waarde te hoog in vergelijking met de WOZ-waarde van [a-straat] 20, 22, 24 en 26.

U stelt in uw bezwaarschrift dat voor vergelijkbare objecten een lagere waarde is vastgesteld. Nader

onderzoek heeft uitgewezen dat deze stelling niet juist is. Er is wel sprake van vergelijkbare objecten,

maar deze zijn niet identiek aan uw object. Het waardeverschil is namelijk het gevolg van verschillen in objectkenmerken. Hierbij merkt de taxateur op dat de door u genoemde woningen [a-straat] 20, 22, 24 en 26 een kleiner woonoppervlakte hebben. De taxateur geeft aan dat de m2 prijs keurig in lijn ligt met de genoemde woningen.

(…)’.

2.4.

In de procedure bij de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, opgemaakt door taxateur [D] (hierna: de taxateur) op 18 maart 2019, waarin een waarde aan de onroerende zaak is toegekend per waardepeildatum 1 januari 2017 van € 194.000. In de matrix zijn gegevens opgenomen van met de onderhavige onroerende zaak vergelijkbare woningen, waaronder [a-straat] 18 te [Z] . Deze woning betreft een in 2002 gebouwd appartement op de begane grond met een gebruiksoppervlakte van 77 m2 en een berging.

2.5.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde van € 194.000 niet te hoog is. Het door belanghebbende gedane beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel) is door de Rechtbank verworpen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde moet worden vastgesteld op € 165.000. De heffingsambtenaar bepleit daarentegen een waarde van € 194.000.

4 Beoordeling van het geschil

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en verbod van willekeur

4.1.

Belanghebbendes stelling dat de heffingsambtenaar het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door in de uitspraak op bezwaar niet in te gaan op de tijdens de hoorzitting betrokken stelling dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel faalt. Blijkens de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtentaar immers gemotiveerd gereageerd op de door belanghebbende betrokken stelling inzake het gelijkheidsbeginsel. Voorts geldt dat een heffingsambtenaar niet gehouden is om op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk in te gaan. De omstandigheid dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet is ingegaan op hetgeen belanghebbende heeft gesteld over de ‘IVS-methode’ en op zijn verwijzing naar een publicatie van dr. J.C.K.W. Bartel in WFR 2018/203, vormt derhalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De stelling van belanghebbende dat sprake is van schending van het verbod van willekeur treft evenmin doel. Het Hof verwijst daarvoor naar de door de Rechtbank in de zesde alinea onder het kopje “Overwegingen” van haar uitspraak vermelde gronden, die het Hof overneemt en tot de zijne maakt.

WOZ-waarde

4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend, welke waarde ingevolge het tweede lid van dat artikel moet worden gesteld op de waarde die aan de onroerende zaak moet worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (waarde in het economische verkeer). Naar de bedoeling van de wetgever is deze waarde de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.

4.3.

Evenals de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar met de in de matrix opgenomen gegevens van de vergelijkingsobjecten aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde van € 194.000 niet te hoog is. Met betrekking tot het appartement [a-straat] 18 verenigt het Hof zich met hetgeen de Rechtbank in overweging 5.2 van haar uitspraak heeft overwogen. Dat bij [a-straat] 18 wel sprake zou zijn, zoals belanghebbende kennelijk bedoelt te stellen, van een onverdeeld recht op gebruik van een eigen tuin, is niet aannemelijk geworden.

Gelijkheidsbeginsel

4.4

In zoverre belanghebbende zijn beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel doet steunen op de stellingen dat sprake is van, kort gezegd, een door de heffingsambtenaar gevoerd begunstigend beleid dan wel van een oogmerk tot begunstiging, kan dit hem niet baten. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat met hem vergelijkbare belanghebbenden bij het vaststellen van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar een gunstigere behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf heeft ondervonden.

4.4.

In zoverre belanghebbende zijn beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel doet steunen op de zogenoemde meerderheidsregel, heeft, zoals de Hoge Raad onder meer in zijn arrest van 8 juli 2005, nr. 39850, ECLI:NL:HR:2005:AT8942 heeft overwogen, het volgende uitgangspunt te gelden.

‘(…)

De omstandigheid dat een WOZ-waardering kan worden gebaseerd op transactieprijzen van "vergelijkbare" objecten, doet er niet aan af dat voor de toepassing van de meerderheidsregel in WOZ-zaken - buiten de gevallen waarin het gaat om fouten die gemaakt zijn ten aanzien van specifieke, aan een aantal woningen gemeenschappelijke kenmerken waardoor die zich van andere woningen onderscheiden (vgl. HR 17 juni 1992, nr. 26777, BNB 1992/294) - de relevante groep wordt gevormd door objecten die identiek zijn, in die zin dat de onderlinge verschillen naar het oordeel van de feitenrechter verwaarloosbaar zijn, zoals bijvoorbeeld bij rijtjeshuizen niet noodzakelijk, maar wel mogelijk het geval zal zijn. Dit brengt enerzijds mee dat een beroep op de meerderheidsregel ondersteund dient te worden met de stelling dat minstens twee identieke objecten lager zijngewaardeerd, anderzijds dat de heffingsambtenaar, op wiens weg het ligt te stellen dat de relevante groep groter is, daartoe slechts (juist gewaardeerde) objecten zal kunnen aanwijzen die eveneens identiek zijn aan dat van de klager.

(…)’.

4.5.

Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn beroep op de meerderheidsregel naar de WOZ-waarden van de appartementen [a-straat] 20, 22, 24 en 26. De heffingsambtenaar heeft onweersproken aangevoerd dat de WOZ-waarden van deze appartementen per waardepeildatum 1 januari 2017 zijn vastgesteld op respectievelijk € 188.000, € 165.000, € 188.000 en € 165.000. In aanmerking genomen dat de appartementen [a-straat] 22, 24 en 26, in tegenstelling tot het appartement van belanghebbende, alle zijn gelegen op de eerste verdieping en de beschikking hebben over een balkon, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de verschillen tussen die appartementen en het appartement van belanghebbende verwaarloosbaar zijn. Dat betekent dat die appartementen niet meetellen in het kader van de meerderheidsregel. Alsdan resteert het appartement [a-straat] 20. Op grond van slechts één identiek appartement kan echter geen sprake zijn van schending van de meerderheidsregel. Derhalve moet worden geconcludeerd dat hier geen sprake is van schending van de meerderheidsregel.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

De raadsheer,

De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 mei 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.