Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4949

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
21-005721-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof vernietigt het vrijsprekende vonnis van de rechtbank en veroordeelt verdachte, onder verwerping van een bewijsverweer, wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005721-18

Uitspraak d.d.: 25 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 oktober 2018 met parketnummer 18-730133-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 augustus 2019, 21 januari 2021 en 11 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. C.D.W. Herrings, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde en heeft de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 28 december 2016 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , door een andere feitelijkheid, [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het vastpakken, althans aanraken, van de/een onbedekte borst van die [benadeelde partij] en bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte, opzettelijk terwijl hij zich met die [benadeelde partij] in de/een sauna bevond (van sauna ' [naam1] ’, gevestigd aan de [adres] , aldaar) voormelde handeling zodanig plotseling en/of onverhoeds heeft gepleegd dat die [benadeelde partij] niet in staat was die handeling (voldoende en/of tijdig) af te weren of daaraan weerstand te bieden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte ontkent zich te hebben schuldig gemaakt aan hetgeen aan hem is ten laste gelegd en zijn raadsvrouw heeft daarom, op de gronden zoals vermeld in haar ter zitting van het hof overgelegde pleitnota, bevestiging van het vrijsprekende vonnis van de rechtbank van
9 oktober 2018 gevraagd.

De raadsvrouw maakt, ter onderbouwing van haar standpunt, gewag van een aantal eigen gevolgtrekkingen en vaststellingen die feitelijke grondslag missen en die zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet aannemelijk zijn.

Zo stelt de raadsvrouw zeer stellig dat tussen aangeefster en haar toenmalige partner enerzijds en getuige [getuige1] die ten tijde van het tenlastegelegde eigenaar van sauna ‘ [naam1] ’ was en de getuige [getuige2] , ten tijde van het tenlastegelegde een gast in de sauna, anderzijds, telefoonnummers zijn ‘uitgewisseld’, en dat zij allen ontzettend veel tijd en ruimte hebben gehad om hun verklaringen met elkaar te bespreken en waar nodig te corrigeren, voordat die verklaringen bij de politie op papier werden gezet. Volgens de raadsvrouw is het duidelijk dat ‘er over is gesproken’ tussen al deze personen en heeft dit overleg naar alle waarschijnlijkheid plaatsgevonden. Waarop de raadsvrouw deze stelling baseert onderbouwt zij niet, althans op grond van hetgeen de raadsvrouw in dit verband heeft aangevoerd wordt deze stelling niet aannemelijk.
Ook komt de raadsvrouw op grond van eigen aannames en interpretaties van [getuige2] ’s verklaring tot de vaststelling dat deze getuige en zijn echtgenote ‘extreem bevooroordeeld’ zijn. Ook hiervoor ontbreekt echter een feitelijke onderbouwing, terwijl ook deze stelling op grond van hetgeen de raadsvrouw hieromtrent heeft aangevoerd niet aannemelijk is te achten.

Ten slotte stelt de raadsvrouw, zonder enige onderbouwing, dat van de verklaring van getuige [getuige1] de vooringenomenheid en fixatie jegens verdachte afdruipt en trekt zij, ook zonder nadere onderbouwing, in twijfel of het telefoongesprek waarover [getuige1] heeft verklaard (welk gesprek hij voerde op het moment dat hij de ruzie tussen [naam2] en verdachte waarnam) wel daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de verklaringen van voornoemde personen op grond van haar gevolgtrekkingen en vaststellingen niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, gaat het hof daar, bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing, aan voorbij.

Wat er overigens ook zij van deze gevolgtrekkingen en vaststellingen, het hof overweegt ten aanzien van de gang van zaken in sauna ‘ [naam1] ’ op 28 december 2016 het volgende.

Vast staat dat zowel aangeefster [benadeelde partij] , als verdachte op 28 december 2016 als gast aanwezig waren in sauna ‘ [naam1] ’ te [plaats] . Aangeefster was daar met haar toenmalige partner [naam2] en verdachte was er alleen. Naast aangeefster en verdachte waren er nog meer gasten in de sauna en ook de eigenaar van de sauna, [getuige1] , was die dag aanwezig.

Vast staat eveneens dat aangeefster [benadeelde partij] op enig moment in het zwembad lag en dat, terwijl zij het zwembad verliet om een nabijgelegen saunacabine in te gaan, een man die op een stoel zat een opmerking tegen haar maakte. Ten slotte staat vast dat kort daarna, terwijl aangeefster [benadeelde partij] in de saunacabine op haar handdoek lag, de man die even daarvoor bij het zwembad een opmerking tegen haar had gemaakt ook de saunacabine binnen kwam.

Verdachte heeft verklaard dat hij de man is geweest die bij het zwembad een opmerking tegen aangeefster heeft gemaakt en dat hij ook, na haar, de betreffende saunacabine is binnen gegaan. Aangeefster en verdachte waren de enige personen in de betreffende sauna.

Ondersteuning voor de hiervoor aangegeven vaststaande feiten en omstandigheden kan mede worden gevonden in de verklaring van de getuige [getuige2] , die immers heeft verklaard dat hij heeft gezien dat aangeefster in het zwembad lag, dat zij de saunacabine in ging en dat verdachte daar enige tijd later ook naar binnen is gegaan.

Aangeefster heeft verklaard dat de man die kort na haar de saunacabine binnen was gekomen, verdachte, onverhoeds haar borst vastpakte. Nadat zij de man had gezegd dat zij daarvan niet was gediend, heeft zij onmiddellijk de saunacabine verlaten.

Aangeefster heeft met betrekking tot de aan de verdachte verweten gedragingen zowel bij de politie als op de zitting van het hof naar het oordeel van het hof consistent, authentiek en geloofwaardig verklaard. Het hof acht deze verklaring dan ook bruikbaar voor het bewijs. De enige door de verdediging geopperde suggestie die afbreuk aan de geloofwaardigheid van aangeefster zou moeten doen, is de algemene stelling dat het wel voorkomt dat vrouwen die in het verleden zijn misbruikt later weleens mannen vals beschuldigen van onzedelijk gedrag. Dat hiervan, hetzij seksueel misbruik in het verleden, hetzij vals-beschuldigen, in het onderhavige geval daadwerkelijk sprake zou zijn is gesteld noch gebleken en tijdens de ondervraging van aangeefster als getuige (op de terechtzitting van het hof van 21 januari 2021) zijn door de verdediging (ook) op dit punt geen vragen gesteld. Het hof gaat aan dit verweer dan ook voorbij.

De verklaring van aangeefster wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van de getuige [getuige2] (inhoudende de door hem gedane directe waarneming dat hij aangeefster in paniek de saunacabine heeft zien verlaten) en de getuige [getuige1] die op de terechtzitting van het hof nogmaals heeft verklaard dat verdachte, nadat hij op zijn gedrag was aangesproken, - zakelijk weergegeven - heeft verklaard dat hij spijt had van hetgeen waarvan hij werd beschuldigd, door onder meer te zeggen: “Ik weet niet waarom ik het gedaan heb”. [getuige1] heeft desgevraagd verklaard dat verdachte aldus destijds onmiskenbaar de juistheid van de beschuldiging dat hij de borst van [benadeelde partij] had vastgepakt, heeft erkend. Voor het afstemmen van verklaringen tussen aangeefster, [getuige2] en [getuige1] – personen die elkaar niet kenden –, zoals door de verdediging betoogd, biedt de inhoud van het dossier noch het onderzoek ter terechtzitting enig aanknopingspunt.

Het hof verwerpt, gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, het verweer dat strekt tot vrijspraak van verdachte.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 december 2016 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , door een feitelijkheid, [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het aanraken van een onbedekte borst van die [benadeelde partij] en bestaande die feitelijkheid hieruit dat verdachte opzettelijk, terwijl hij zich met die [benadeelde partij] in een sauna bevond (van sauna ' [naam1] , gevestigd aan de [adres] , aldaar) voormelde handeling zodanig plotseling en/of onverhoeds heeft gepleegd dat die [benadeelde partij] niet in staat was die handeling af te weren of daaraan weerstand te bieden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster [benadeelde partij] terwijl zij zich als gast van een saunabedrijf in een van de saunacabines bevond. Dit is een bijzonder kwalijk feit, waarmee verdachte ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. In een sauna bevinden bezoekers zich op veel momenten geheel zonder kleding en stellen zich daarmee kwetsbaar op. Tegen die achtergrond dienen bezoekers zich daarom bij uitstek in een sauna veilig te kunnen voelen en zich gevrijwaard te moeten weten van dergelijk grensoverschrijdend gedrag. Daar komt bij dat uit de verschillende verklaringen in het dossier omtrent het gedrag van verdachte voortvloeit dat sprake is geweest van een zekere opbouw, te weten: het gadeslaan van het latere slachtoffer, het aanspreken van haar, het volgen van het slachtoffer de saunacabine in en ten slotte het betasten van het slachtoffer. Van een puur impulsieve actie was geen sprake en ook dit rekent het hof de verdachte aan. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte – wat het hof betreft – ‘tegen beter weten in’ geen enkele verantwoordelijkheid aanvaardt voor hetgeen hij heeft misdaan en daarmee aangeefster extra leed toevoegt door haar (impliciet) aan te merken als iemand die hem valselijk beschuldigt.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2021 waaruit blijkt dat hij niet eerder is vervolgd.

Daarnaast slaat het hof ook acht op de omstandigheid dat verdachte als gevolg van deze strafzaak in zijn persoonlijk leven zwaar wordt getroffen door de consequenties ervan.

Gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden. De gevorderde straf(modaliteit) acht het hof in dit concrete geval geen recht doen aan de aard en ernst van de zaak. Gevangenisstraf daarentegen doet wel recht aan de aard en ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd.

Het hof stelt, met de raadsvrouw, nog wel vast dat sprake is van enige overschrijding van de redelijke termijn, maar nu het hof tot oplegging van een geheel voorwaardelijke straf komt, kan met de enkele vaststelling daarvan worden volstaan.

De vordering van de benadeelde partij

In eerste aanleg had [benadeelde partij] zich gesteld als benadeelde partij met een vordering ter zake van immateriële schade van € 350,00. Omdat de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het ten laste gelegde, werd de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

[benadeelde partij] heeft haar vordering niet gehandhaafd en op de terechtzitting van het hof van 21 januari 2021 heeft zij te kennen gegeven dat zij geen prijs (meer) stelt op enige financiële schadevergoeding. Het hof zal daarom geen beslissing geven op de vordering van de benadeelde partij nu deze niet meer aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. G. Souer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 25 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.