Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4946

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
19/00904
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:2640, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00904

uitspraakdatum: 25 mei 2021

Uitspraak van de eenentwintigste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juni 2019, nummer AWB 18/2096, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 23 april 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende [A] (hierna: gemachtigde), bijgestaan door [B] , alsmede namens de Inspecteur mr. [C] , bijgestaan door [D] . Met instemming van partijen zijn daar gezamenlijk behandeld de zaken met nummers 19/00400 tot en met 19/00404 en 19/00904. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 23 augustus 2017 aangifte voor de bpm gedaan voor een gebruikte personenauto, een Volvo XC60 2.4 D5 Summum met een kilometerstand van 41.290. De datum van de eerste toelating is 5 augustus 2014. Bij de berekening van de aangegeven bpm is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 77.485, een historische bruto bpm-bedrag van € 17.069 en een handelsinkoopwaarde – volgens een taxatierapport – van € 19.121 na aftrek van schade tot een bedrag van € 13.289. De aldus berekende bpm van € 4.212 (19.121/77.485 x € 17.069) is op aangifte voldaan. De datum van tenaamstelling is 4 september 2017.

2.2.

De van de calculatie van de reparatiekosten van € 13.289 maakt onderdeel uit van het overgelegde taxatierapport opgemaakt door [E] Taxaties op 18 augustus 2017.

2.3.

In de aangifte voor de bpm heeft belanghebbende zichzelf aangemeld als aanvrager en (toekomstig) houder van het kenteken van de betreffende auto bij de RDW.

2.4.

Namens belanghebbende is bezwaar gemaakt tegen de op aangifte afgedragen bpm.

2.5.

Bij brief van 14 december 2017 heeft de Inspecteur zijn voornemen om het bezwaar ongegrond te verklaren, gemotiveerd aan de gemachtigde van belanghebbende (hierna: gemachtigde) medegedeeld. In deze brief is onder andere ook de volgende passage onder het kopje: ‘Horen in bezwaar’ opgenomen: “Indien u het niet eens bent met mijn voornemen, heeft u het recht om te worden gehoord. Hiertoe zal ik u een voorstel doen dan wel heeft u inmiddels een voorstel ontvangen.”

2.6.

In de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2018 is met betrekking tot het ‘hoorgesprek’ het volgende vermeld: “(…) Hoorgesprek

Voor het houden van een hoorgesprek heb ik u een aantal keren uitgenodigd. Geen der uitnodigingen is door u geaccepteerd, alternatieve datums heeft u niet voorgesteld. In nagenoeg alle gevallen is het afwijzen ingegeven door het feit dat de belanghebbende - die aanwezig wil zijn bij de hoorgesprekken - steeds verhinderd is. U zelf heeft aangegeven - hoewel gemachtigd - niet zonder de belanghebbende het hoorgesprek te willen houden.

Op 19 februari 2018 bent u verschenen en is ook de heer [B] , belanghebbende - ondanks eerdere afwijzing - verschenen. Desgevraagd weigerde u inzage te nemen in de dossiers en aansluitend gehoord te worden. Nu er kennelijk aan uw zijde geen prioriteit gegeven wordt aan het houden van hoorgesprekken heb ik besloten om uitspraak te doen zonder te hebben gehoord. Daarbij zal ik uitgaan van de in het dossier én bezwaarschrift aanwezige informatie.

Ik verwijs u voor een overzicht van eerdere uitnodigingen naar mijn uitnodiging voor het hoorgesprek op 19 februari 2018. Deze brief is verstuurd op 12 januari 2018 en geeft ook een overzicht van de eerdere uitnodigingen. Daarnaast verwijs ik hier naar mijn brief van 22 februari 2018 waarin ik uitgebreid reageer op het hoorgesprek van 19 februari 2018. Daarnaast verwijs ik naar mijn brief van 6 februari 2018 waarin ik de problematiek van de hoor gesprekken bespreek. Beide brieven moeten voor zover nodig als hier ingelast worden beschouwd. (…)”

2.7.

In de uitnodigingsbrief voor de zitting bij de Rechtbank is onder andere het volgende opgenomen:

“(…)

Nieuwe stukken

U kunt nog nieuwe stukken naar de rechtbank sturen. U moet er dan wel voor zorgen dat de rechtbank deze stukken uiterlijk de elfde dag vóór de zitting heeft ontvangen. Als u op een later tijdstip nog stukken naar de rechtbank stuurt, kan de rechtbank beslissen om bij de beoordeling van het beroep geen rekening te houden met die stukken. (…)”

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil of:

( i) door het Hof en de Rechtbank te veel griffierecht is geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij de onderhavige geschillen;

(ii) sprake is van schending van de hoorplicht, zodat terugwijzing moet plaatsvinden;

(iii) de Inspecteur artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft geschonden door geen kentekengegevens te overleggen;

(iv) de heffings- en betalingsmodaliteiten voor importvoertuigen ongunstiger zijn dan voor binnenlandse voertuigen, zodat de belasting verminderd moet worden en de hieruit voortvloeiende renteschade wegens vroegere betaling moet worden vergoed;

( v) sprake is van een extra leeftijdskorting vanwege het tijdsverloop tussen het doen van de onderhavige aangifte en de tenaamstelling (registratie) van de auto;

(vi) belanghebbende voor de handelswaarde in onbeschadigde staat alsnog uit mag gaan van een koerslijst en of deze waarde vervolgens mag worden verminderd met 100% van de getaxeerde reparatiekosten van de schade om zo de handelswaarde in beschadigde staat te bepalen;

(vii) voor de bepaling van de afschrijving uitgegaan dient te worden van een ‘ex-rental’ ook als de betreffende auto geen ‘ex-rental’ is;

(viii) sprake moet zijn van een passende rentevergoeding buiten artikel 28c van de Invorderingswet (hierna: IW) om over de periode van betaling tot de feitelijke terugbetaling;

(ix) het Hof ingeval hij een standpunt van belanghebbende niet volgt, gehouden is tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: HvJ);

( x) recht bestaat op een vergoeding van rente over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop de Inspecteur dat griffierecht vergoedt; en

(xi) sprake moet zijn van vergoeding van werkelijke proceskosten in de bezwaar-, beroeps- en hoger beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Hoogte griffierecht (i)

4.1.

Belanghebbende klaagt in de kern erover dat zowel de Rechtbank als het Hof te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij onderhavige geschillen. Dit Nederlandse systeem is volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierechten worden geheven dan 4 percent van de vordering die voorwerp is van geschil.

4.2.

De Inspecteur volstaat met de verwijzing naar de wettelijke regeling.

4.3.

Deze klachten treffen naar het oordeel van het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen doel. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld:

“(…)

3.1.3 (…)

Uit het arrest Kantarev (Hof: Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, N. Kantarev, C571/16, ECLI:EU:C:2018:807), kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).

3.1.4.

In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699). Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het in het arrest Kantarev bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. (…)”.

4.4.

Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van € 170 en door het Hof een griffierecht van € 259 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven zijn financiële situatie of gelet op het bepaalde in artikel 8:41, derde lid, van de Awb, in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering van de geheven griffierechten.

4.5.

Anders dan belanghebbende bepleit, ziet het Hof, gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

Schending hoorplicht (ii)

4.6.

Gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat hij niet is gehoord op zijn bezwaar en dat daarom terugwijzing naar de Inspecteur moet plaatsvinden. Bij de Rechtbank heeft gemachtigde verklaard dat hij inderdaad diverse keren is uitgenodigd voor een hoorgesprek en dat hij ook op 19 februari 2018 is verschenen, maar dat er niet over de inhoud van de zaak is gesproken.

4.7.

De Inspecteur stelt dat de hoorplicht niet is geschonden en verwijst daarbij naar de motivering van de Rechtbank. Hij stelt dat hij gemachtigde diverse keren in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Op 19 februari 2018 is gemachtigde ook daadwerkelijk verschenen, maar is – zonder over de inhoud van de zaak te willen spreken – zelf weer vertrokken.

4.8.

Het Hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Inspecteur uitdrukkelijk het initiatief heeft genomen en gemachtigde meerdere keren in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord en dat gemachtigde op een afgesproken tijdstip op 19 februari 2018 ook daadwerkelijk, bijgestaan door de heer [B] , is verschenen maar vervolgens, zonder over de inhoud van het bezwaar te willen spreken, weer is vertrokken. In het licht van deze feiten en omstandigheden ligt het op de weg van gemachtigde om, als hij alsnog inhoudelijk over het bezwaar wil spreken, zelf initiatief te nemen om alsnog te worden gehoord (vgl. HR 6 november 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:HR:2020:1728). Belanghebbende heeft hier blijkbaar om hem moverende redenen van afgezien. Dat er in het onderhavige geval sprake is van een Unierechtelijke component, leidt niet tot een andere conclusie (vgl. HR 22 januari 2021, nr. 19/03309, ECLI:NL:HR:2021:84). Het hoger beroep op dit punt faalt.

Schending artikel 8:42 van de Awb; overleggen van kentekengegevens (iii)

4.9.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden, door de kentekengegevens van de auto niet over te leggen. Deze informatie is nodig om de periode die ligt tussen de voldoening (betaling) op aangifte en de daadwerkelijke registratie te kunnen bepalen. Dit is relevant voor het vaststellen van het verschil in de heffings- en betalingsmodaliteiten, alsmede voor een verdergaande leeftijdskorting. Het kenteken is daartoe voldoende en de Inspecteur beschikt daarover, dan wel kan daarover beschikken, aldus belanghebbende.

4.10.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de kentekengegevens niet in de systemen van de Belastingdienst zijn opgeslagen, maar dat hij deze gegevens moet opvragen bij de RDW en dat hij deze informatie op maandag 19 april 2021 ten behoeve van de zitting bij het Hof voor het eerst ook daadwerkelijk heeft opgevraagd. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn bevindingen – de registratiedata van de auto – aan het Hof en belanghebbende bekendgemaakt (zie bij 2.1.)

4.11.

Naar het oordeel van het Hof behoren gegevens uit basisregistraties die door andere overheidsdiensten worden bijgehouden, zoals het kentekenregister, het handelsregister en de basisregistratie persoonsgegevens, in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoudens het geval dat die gegevens door de inspecteur zijn opgeslagen, bewerkt of verwerkt (vgl. HR 17 augustus 2018, nr. 17/01448, ECLI:NL:HR:2018:1316). Stukken die zich bevinden onder derden en niet aan de inspecteur zijn verstrekt behoren immers niet tot de ‘art. 8:42 Awb-stukken’, ook niet als de inspecteur met het bestaan ervan bekend is (vgl. HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672) en ook niet als de inspecteur de mogelijkheid heeft om die in basisregistraties opgenomen gegevens te raadplegen. Gelet op de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur (zie 4.10.) behoren de onderhavige kentekengegevens daarom niet tot op de zaak betrekking hebbende stukken en is naar het oordeel van het Hof van schending van artikel 8:42 van de Awb geen sprake.

4.12.

Het betoog van belanghebbende dat op basis van het Unierecht – artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – het aan de Inspecteur is om aannemelijk te maken dat de verschuldigde bpm te hoog is vastgesteld en hij daarom alle relevante informatie waaronder de kentekengegevens aan het dossier toe moet voegen, is onjuist. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847 en Hoge Raad van 21 september 2018, nr. 17/02947, ECLI:NL:HR:2018:1695 volgt dat op een belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte betaalde bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling (vgl. HR 17 januari 2020, nr. 18/03802, ECLI:NL:HR:2020:63).

Heffings- en betalingsmodaliteiten (iv)

4.13.

Belanghebbende stelt dat voor te importeren voertuigen vroegere betaling van bpm moet plaatsvinden dan voor reeds in het binnenland geregistreerde voertuigen, terwijl artikel 110 van het VWEU zich verzet tegen verschillende heffings- en betalingsmodaliteiten. In het onderhavige geval is de bpm voor de auto betaald op 7 april 2017, terwijl de betaling op het moment van de registratie op 4 september 2017 (zie bij 2.1.) zou moeten plaatsvinden, aldus belanghebbende.

4.14.

De Inspecteur stelt dat de heffing in Nederland niet aansluit bij de invoer van een buitenlands voertuig, maar bij de registratie ervan, net zoals dit het geval is bij binnenlandse voertuigen. Van enige discriminatie is naar zijn mening geen sprake.

4.15.

Het Hof is van oordeel dat het niet in strijd is met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt (vgl. HR 26 maart 2021, nr. 20/00706, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.). Het betoog van belanghebbende faalt.

Leeftijdskorting (v)

4.16.

Belanghebbende heeft ter zitting de stelling dat een extra leeftijdskorting moet worden berekend op basis van de goedkeuring opgenomen in het Besluit van 16 juni 2015, nr. BLKB2015/642M, Stcrt. 2015, 17269 uitdrukkelijk laten varen.

Koerslijst minus schade (vi)

4.17.

Belanghebbende stelt dat in afwijking van de aangifte (zie 2.1.) de bpm moet worden berekend door uit te gaan van de waarde volgens de XRAY-koerslijst van € 31.281, welke waarde moet worden verminderd met een bedrag van € 13.289 zijnde 100% van de reparatiekosten van de schade. Het Hof verstaat dat belanghebbende de handelswaarde in beschadigde staat aldus berekent op € 17.992 en de verschuldigde bpm op € 3.963 (17.992/77.485 x € 17.069), terwijl op aangifte een bedrag van € 4.212 is voldaan. Verder stelt belanghebbende dat de bewijslast rust op de Inspecteur en dat ‘interne compensatie’ in strijd is met het Unierecht

4.18.

De Inspecteur stelt dat volgens het wettelijk systeem van de bpm het niet mogelijk is om gebruik te maken van een koerslijst verminderd met eventuele schade. Verder is er in het taxatierapport niet gemotiveerd waarom de waardevermindering hoger is dan de vastgestelde norm van 72%. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De Inspecteur concludeert dat de 72% norm moet worden gehanteerd, hetgeen tot gevolg heeft dat deze stelling van de belanghebbende leidt tot een hoger bedrag aan verschuldigde bpm dan op aangifte is voldaan en hij beroept zich daarom op interne compensatie.

4.19.

Het betoog van de Inspecteur, dat het wettelijk systeem van de bpm niet toelaat om feitelijk getaxeerde schade in mindering te brengen op de handelswaarde zoals deze volgt uit een koerslijst, faalt (vgl. HR 26 januari 2018, nr. 17/0825, ECLI:NL:HR:2018:102 naar aanleiding van de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 4 mei 2017, nr. 16/00440, ECLI:NL:GHSHE:2017:1931).

4.20.

Anders dan belanghebbende betoogt, is het Hof van oordeel dat ‘interne compensatie’ in het kader van de voldoening op aangifte van bpm per auto – dus niet tussen de auto’s onderling – is toegestaan. Het Hof verwijst voor de gronden daartoe naar zijn uitspraak van 16 maart 2021, nr. 19/00394, ECLI:NL:GHARL:2021:2545, overwegingen 4.16 en 4.17.

4.21.

Dit betekent dat het Hof vervolgens zal oordelen of de waardevermindering als gevolg van de schade op 100% of op 72% van de geraamde reparatiekosten moet worden vastgesteld.

4.22.

Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling BPM geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan een auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan 72% van het schadebedrag (vgl. HR 12 juli 2019, nr. 18/02955, ECLI:NL:HR:2019:1084). In zoverre belanghebbende betoogt dat deze bepaling in strijd komt met het Unierecht en daarom onverbindend is, faalt dit betoog. Het Hof verwijst daarvoor naar de conclusie van A-G Wattel van 22 maart 2019, nrs. 18/02951 t/m 18/02956, ECLI:NL:PHR:2019:276, onderdeel 7, waarmee het Hof zich verenigt.

4.23.

Het Hof acht niet aannemelijk dat de waardevermindering als gevolg van de schade meer dan 72% van de geraamde reparatiekosten bedraagt. Belanghebbende heeft daartoe geen bewijs bijgebracht. Een nadere toelichting waarom de taxateur 100% in plaats van 72% van de gecalculeerde reparatiekosten heeft genomen, ontbreekt.

4.24.

Het voorgaande betekent dat als de waarde van € 31.281 volgens de XRAY-koerslijst als uitgangspunt wordt genomen, welke waarde vervolgens moet worden verminderd met een bedrag van € 9.569 zijnde 72% van de reparatiekosten van de schade, de handelswaarde in beschadigde staat € 21.712 bedraagt. De verschuldigde bpm bedraagt dan € 4.782 (21.712/77.485 x € 17.069), hetgeen meer is dan het bedrag van € 4.212 dat op aangifte is voldaan. In de aangifte is uitgegaan van de taxatiewaarde van € 32.410 (€ 19.121 + € 13.289, zie bij 2.1.), terwijl de volgens de koerslijst de waarde € 31.281 bedraagt. Dit verschil van € 1.129 wordt echter voldoende gecompenseerd doordat in de aangifte € 13.289 (100%) als waardevermindering wegens schade als uitgangspunt is genomen, terwijl volgens het oordeel van het Hof dit een bedrag van € 9.569 (72%) had moeten zijn. Hierdoor treft de stelling van belanghebbende (zie 4.17.) geen doel.

Afschrijving – ‘ex-rental’ (vii)

4.25.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Volgens belanghebbende is niet uit te sluiten dat de betreffende auto is gebruikt als huurauto. De waarde van de auto, dus ook de verschuldigde belasting dient daarom te worden verminderd, aldus belanghebbende.

4.26.

De Inspecteur stelt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de onderhavige auto ‘ex-rental’ of een ‘soortgelijke gebruikt voertuig’ is en verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2018, nr. 18/00073 tot en met 18/00076, ECLI:NL:GHSHE:2018:4117.

4.27.

Het betoog van belanghebbende faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331. In dit arrest heeft de Hoge Raad – kort gezegd – geoordeeld dat de vermindering van de waarde in verband met ‘ex-rental’ alleen kan worden toegepast indien er ook daadwerkelijk sprake is van een ‘ex-rental’ voertuig. Belanghebbende, op wie te dezen de stelplicht en de bewijslast rust, heeft niet (voldoende) gemotiveerd gesteld dat de betreffende auto ‘ex-rentals’ en/of daarmee vergelijkbaar voertuig is.

Passende rentevergoeding (viii)

4.28.

De stelling van belanghebbende dat zijn verzoek om toekenning van een passende rentevergoeding buiten artikel 28c van de IW om over de periode van de betaling tot de feitelijke terugbetaling had moeten worden gehonoreerd, faalt, reeds omdat in de onderhavige zaken niet gebleken is van in strijd met het Unierecht geheven belasting.

Stellen van prejudiciële vragen (ix)

4.29.

Het betoog van belanghebbende houdt in de kern in dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen en toe te passen. Dit is onjuist, het Hof verwijst daarvoor naar onderdeel 7.2. van de conclusie van A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, waarmee het Hof zich verenigt. Tegen beslissingen van het Hof staat cassatieberoep open. Op basis van artikel 267, onderdeel b van het VWEU is het Hof daarom wel bevoegd maar niet verplicht om prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ. Het Hof ziet dan ook voor de overige geschilpunten geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

4.30.

Gezien het voorgaande zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigen en kan het geschilpunt x en xi (zie bij 3.) onbesproken blijven.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, lid van de eenentwintigste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(T. Tanghe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 mei 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.