Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4942

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
19/00400 t/m 19/00402
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:837, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 19/00400, 19/00401 en 19/00402

uitspraakdatum: 25 mei 2021

Uitspraak van de eenentwintigste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2019, nummer AWB 18/128, AWB 18/129 en AWB 18/130, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 23 april 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende [A] , bijgestaan door [B] , alsmede namens de Inspecteur mr. [C] , bijgestaan door [D] . Met instemming van partijen zijn daar gezamenlijk behandeld de zaken met nummers 19/00400 tot en met 19/00404 en 19/00904. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 6 april 2017 aangifte voor de bpm gedaan voor een gebruikte personenauto, een Land Rover Discovery 3.0 SDV6 HSE (hierna: de Land Rover) met een kilometerstand van 81.233. De datum van de eerste toelating is 8 september 2010. Het afschrijvingspercentage is volgens de forfaitaire tabel bepaald op 81,67 en de historische bruto bpm op € 30.768. In overeenstemming met deze aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 5.640 bpm op aangifte voldaan. De datum van tenaamstelling is 19 april 2017.

2.2.

Belanghebbende heeft op 31 maart 2017 aangifte voor de bpm gedaan voor een gebruikte personenauto, een Volvo XC70 2.4 D5 Summum (hierna: de Volvo XC70) met een kilometerstand van 218.981. De datum van de eerste toelating is 19 augustus 2008. Het afschrijvingspercentage is volgens de forfaitaire tabel bepaald op 89,5 en de historische bruto bpm op € 22.498. In overeenstemming met deze aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 2.362 bpm op aangifte voldaan. De datum van tenaamstelling is 11 april 2017.

2.3.

Belanghebbende heeft op 31 maart 2017 aangifte voor de bpm gedaan voor een gebruikte personenauto, een Volvo XC60 2.0 D3 FWD Kinetic (hierna: Volvo XC60) met een kilometerstand van 8.362. De datum van de eerste toelating is 23 juli 2014. Het afschrijvingspercentage is volgens de forfaitaire tabel bepaald op 54,5 en de historische bruto bpm op € 15.079. In overeenstemming met deze aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 6.860 bpm op aangifte voldaan. De datum van tenaamstelling is 10 april 2017.

2.4.

De Land Rover, Volvo XC70 en Volvo XC60 worden hierna ook aangeduid als: ‘de auto’s’. In de aangifte voor de bpm heeft belanghebbende zichzelf aangemeld als aanvrager en (toekomstig) houder van het kenteken van de betreffende auto’s bij de RDW.

2.5.

In de uitnodigingsbrief voor de zitting bij de Rechtbank is onder andere het volgende opgenomen:

“(…)

Nieuwe stukken

U kunt nog nieuwe stukken naar de rechtbank sturen. U moet er dan wel voor zorgen dat de rechtbank deze stukken uiterlijk de elfde dag vóór de zitting heeft ontvangen. Als u op een later tijdstip nog stukken naar de rechtbank stuurt, kan de rechtbank beslissen om bij de beoordeling van het beroep geen rekening te houden met die stukken. (…)”

2.6.

Door gemachtigde van belanghebbende (hierna: gemachtigde) is twee werkdagen voor de zitting bij de Rechtbank een nader stuk, door hem ‘pleitnota’ genoemd, bestaande uit 21 pagina’s (hierna: nader stuk) aan de Rechtbank toegezonden. De Rechtbank heeft dit nader stuk buiten beschouwing gelaten. In hoger beroep heeft belanghebbende het stuk niet (opnieuw) ingebracht.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil of:

( i) door het Hof en de Rechtbank te veel griffierecht is geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij de onderhavige geschillen;

(ii) het aanvullende stuk door gemachtigde ‘pleitnota’ genoemd van 21 pagina’s dat twee werkdagen voor de zitting door gemachtigde aan de Rechtbank is toegezonden door de Rechtbank tardief had mogen worden verklaard;

(iii) de Inspecteur artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft geschonden door geen kentekengegevens te overleggen;

(iv) de heffings- en betalingsmodaliteiten voor importvoertuigen ongunstiger zijn dan voor binnenlandse voertuigen, zodat de belasting verminderd moet worden en de hieruit voortvloeiende renteschade wegens vroegere betaling moet worden vergoed;

( v) sprake is van een extra leeftijdskorting vanwege het tijdsverloop tussen het doen van de onderhavige aangifte en de tenaamstelling (registratie) van de auto’s;

(vi) voor de bepaling van de afschrijving uitgegaan dient te worden van een ‘ex-rental’ ook als de betreffende auto geen ‘ex-rental’ is;

(vii) sprake moet zijn van een passende rentevergoeding buiten artikel 28c van de Invorderingswet (hierna: IW) om over de periode van betaling tot de feitelijke terugbetaling;

(viii) het Hof ingeval hij een standpunt van belanghebbende niet volgt, gehouden is tot het stellen van prejudiciële vragen het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: HvJ);

(ix) belanghebbende terecht aanspraak maakt op een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in beroep en in hoger beroep;

( x) recht bestaat op een vergoeding van rente over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop de Inspecteur dat griffierecht vergoedt, en

(xi) sprake moet zijn van vergoeding van werkelijke proceskosten.

4 Beoordeling van het geschil

Hoogte griffierecht (i)

4.1.

Belanghebbende klaagt in de kern erover dat zowel de Rechtbank als het Hof te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij onderhavige geschillen. Dit Nederlandse systeem is volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierechten worden geheven dan 4 percent van de vordering die voorwerp is van geschil.

4.2.

De Inspecteur volstaat met de verwijzing naar de wettelijke regeling.

4.3.

Deze klachten treffen naar het oordeel van het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen doel. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld:

“(…)

3.1.3 (…)

Uit het arrest Kantarev (Hof: Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, N. Kantarev, C571/16, ECLI:EU:C:2018:807), kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).

3.1.4.

In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699). Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het in het arrest Kantarev bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. (…)”.

4.4.

Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van € 338 per beroep en door het Hof een griffierecht van € 519 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven haar financiële situatie of gelet op het bepaalde in artikel 8:41, derde lid, van de Awb, in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering van de geheven griffierechten.

4.5.

Anders dan belanghebbende bepleit, ziet het Hof, gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan HvJ.

Tardief verklaren nader stuk (pleitnota) (ii)

4.6.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte het nader stuk (zie 2.6.) niet tot de gedingstukken heeft gerekend.

4.7.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.8.

Vaststaat dat gemachtigde twee werkdagen voor de zitting bij de Rechtbank een nader stuk van 21 pagina’s aan de Rechtbank heeft gezonden. De Rechtbank heeft deze stukken vervolgens doorgezonden aan de Inspecteur. Ter zitting bij de Rechtbank heeft gemachtigde verklaard dat hem de tijd ontbrak om dit stuk eerder toe te sturen en dat als de Rechtbank vindt dat het tardief is, zij maar aldus moet beslissen.

4.9.

Het Hof overweegt dat, gelet op de toezending voorafgaande aan de zitting en de omvang ervan, dit stuk moet worden aangemerkt als een nader stuk in de zin van artikel 8:58 van de Awb.

4.10.

Artikel 8:58 van de Awb bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Binnen het kader van een goede procesorde heeft de rechter de mogelijkheid stukken die binnen de termijn van tien dagen of op de zitting zijn ingediend al dan niet in de procedure toe te laten (vgl. HR 1 oktober 2004, nr. 38967, ECLI:NL:HR:2004:AR3099). Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (vgl. HR 3 februari 2006, nr. 41329, ECLI:NL:HR:2006:AV0821).

4.11.

Vaststaat dat belanghebbende zich niet aan de termijn van artikel 8:58 van de Awb heeft gehouden. De vraag of het stuk niettemin door de Rechtbank in beroep had moeten worden toegelaten, beantwoordt het Hof ontkennend. In de uitnodigingsbrief (zie 2.5.) voor de zitting bij de Rechtbank is nadrukkelijk gewezen op een tijdige toezending van nieuwe stukken en de mogelijkheid dat de Rechtbank bij een niet tijdige toezending kan beslissen dat bij de beoordeling van het beroep er geen rekening mee wordt gehouden. De stelling van gemachtigde dat hij door tijdgebrek niet in staat was om het stuk eerder te overleggen, kan hem niet baten. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien waarom belanghebbende het overgelegde stuk niet eerder in de procedure had kunnen inbrengen.

4.12.

Nu belanghebbende verder niet heeft toegelicht welk belang zij heeft bij het overleggen van het stuk weegt het algemene belang van een doelmatige procesgang zwaarder. Daarbij betrekt het Hof het belang van de Inspecteur om op mogelijk nieuwe stellingen – waarop het stuk van 21 pagina’s eerst zou moeten worden beoordeeld – naar behoren te kunnen reageren. Daarom heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof terecht op de inhoud van dit stuk geen acht geslagen.

4.13.

Het betoog van belanghebbende dat ziet op schending van het Unierecht volgt het Hof niet.

4.14.

Het in unierechtelijke zaken toepasselijke nationale procesrecht wordt beheerst door de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Aangezien in de Nederlandse rechtsorde geen onderscheid wordt gemaakt tussen zogenoemde nationale vorderingen en vorderingen die aan het gemeenschapsrecht kunnen worden ontleend en de gehanteerde procedureregel gelijkelijk van toepassing is op beroepen op grond van schending van het recht van de Unie en op beroepen op grond van niet-inachtneming van het nationale recht, is aan het beginsel van gelijkwaardigheid voldaan.

4.15.

Ten aanzien van het vereiste dat voorzien moet zijn in doeltreffende rechtsbescherming heeft te gelden dat nationale procedureregels de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. In dit geval heeft belanghebbende in een eerder stadium haar stellingen naar voren kunnen brengen. Van schending van effectieve rechtsbescherming zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest is geen sprake.

Schending artikel 8:42 van de Awb; overleggen van kentekengegevens (iii)

4.16.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden, door de kentekengegevens van de auto niet over te leggen. Deze informatie is nodig om de periode die ligt tussen de voldoening (betaling) op aangifte en de daadwerkelijke registratie te kunnen bepalen. Dit is relevant voor het vaststellen van het verschil in de heffings- en betalingsmodaliteiten, alsmede voor een verdergaande leeftijdskorting. Het kenteken is daartoe voldoende en de Inspecteur beschikt daarover, dan wel kan daarover beschikken, aldus belanghebbende. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat zij de kentekenbewijzen in haar bezit heeft gehad omdat zij in alle aangiften heeft aangegeven zelf de aanvrager en de (toekomstige) kentekenhouder te zijn. Zij beschikt er nu niet meer over omdat ze deze gegevens niet bewaard maar heeft vernietigd, door de shredder gehaald, aldus belanghebbende.

4.17.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de kentekengegevens niet in de systemen van de Belastingdienst zijn opgeslagen, maar dat hij deze gegevens moet opvragen bij de RDW en dat hij deze informatie op maandag 19 april 2021 ten behoeve van de zitting bij het Hof voor het eerst ook daadwerkelijk heeft opgevraagd. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn bevindingen – de registratiedata van de auto’s – aan het Hof en belanghebbende bekend gemaakt (zie bij 2.1., 2.2. en 2.3.)

4.18.

Naar het oordeel van het Hof behoren gegevens uit basisregistraties die door andere overheidsdiensten worden bijgehouden, zoals het kentekenregister, het handelsregister en de basisregistratie persoonsgegevens, in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoudens het geval dat die gegevens door de inspecteur zijn opgeslagen, bewerkt of verwerkt (vgl. HR 17 augustus 2018, nr. 17/01448, ECLI:NL:HR:2018:1316). Stukken die zich bevinden onder derden en niet aan de inspecteur zijn verstrekt behoren immers niet tot de ‘art. 8:42 Awb-stukken’, ook niet als de inspecteur met het bestaan ervan bekend is (vgl. HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672) en ook niet als de inspecteur de mogelijkheid heeft om die in basisregistraties opgenomen gegevens te raadplegen. Gelet op de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur (zie 4.17.) behoren de onderhavige kentekengegevens daarom niet tot op de zaak betrekking hebbende stukken en is naar het oordeel van het Hof van schending van artikel 8:42 van de Awb geen sprake.

4.19.

Het betoog van belanghebbende dat op basis van het Unierecht – artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – het aan de Inspecteur is om aannemelijk te maken dat de verschuldigde bpm te hoog is vastgesteld en hij daarom alle relevante informatie waaronder de kentekengegevens aan het dossier toe moet voegen, is onjuist. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847 en Hoge Raad van 21 september 2018, nr. 17/02947, ECLI:NL:HR:2018:1695 volgt dat op een belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte betaalde bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling (vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, nr. 18/03802, ECLI:NL:HR:2020:63).

Heffings- en betalingsmodaliteiten (iv)

4.20.

Belanghebbende stelt dat voor te importeren voertuigen vroegere betaling van bpm moet plaatsvinden dan voor reeds in het binnenland geregistreerde voertuigen, terwijl artikel 110 van het VWEU zich verzet tegen verschillende heffings- en betalingsmodaliteiten. In de onderhavige gevallen is de bpm voor de auto’s betaald op respectievelijk 13 april 2017, 7 april 2017 en 4 april 2017, terwijl de betaling op het moment van de registratie op respectievelijk 19 april 2017, 11 april 2017 en 10 april 2017 (zie bij 2.1., 2.2. en 2.3.) zou moeten plaatsvinden, aldus belanghebbende.

4.21.

De Inspecteur stelt dat de heffing in Nederland niet aansluit bij de invoer van een buitenlands voertuig, maar bij de registratie ervan, net zoals dit het geval is bij binnenlandse voertuigen. Van enige discriminatie is naar zijn mening geen sprake.

4.22.

Het Hof is van oordeel dat het niet in strijd is met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt (vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, nr. 20/00706, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.). Het betoog van belanghebbende faalt.

Leeftijdskorting (v)

4.23.

Belanghebbende heeft ter zitting de stelling dat een extra leeftijdskorting moet worden berekend op basis van de goedkeuring opgenomen in het Besluit van 16 juni 2015, nr. BLKB2015/642M, Stcrt. 2015, 17269 uitdrukkelijk laten varen.

Afschrijving – ‘ex-rental’ (vi)

4.24.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Volgens belanghebbende is niet uit te sluiten dat de betreffende auto’s zijn gebruikt als huurauto. De waarde van de auto’s, dus ook de verschuldigde belasting dient daarom te worden verminderd, aldus belanghebbende.

4.25.

De Inspecteur stelt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de onderhavige auto’s ‘ex-rental’ of ‘soortgelijke gebruikte voertuigen’ zijn en verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2018, nr. 18/00073 tot en met 18/00076, ECLI:NL:GHSHE:2018:4117.

4.26.

Het betoog van belanghebbende faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331. In dit arrest heeft de Hoge Raad – kort gezegd – geoordeeld dat de vermindering van de waarde in verband met ‘ex-rental’ alleen kan worden toegepast indien er ook daadwerkelijk sprake is van een ‘ex-rental’ voertuig. Belanghebbende, op wie te dezen de stelplicht en de bewijslast rust, heeft niet (voldoende) gemotiveerd gesteld dat de betreffende auto’s ‘ex-rentals’ en/of daarmee vergelijkbare voertuigen zijn.

Passende rentevergoeding (vii)

4.27.

De stelling van belanghebbende dat haar verzoek om toekenning van een passende rentevergoeding buiten artikel 28c van de IW om over de periode van de betaling tot de feitelijke terugbetaling had moeten worden gehonoreerd, faalt, reeds omdat in de onderhavige zaken niet gebleken is van in strijd met het Unierecht geheven belasting.

Stellen van prejudiciële vragen (viii)

4.28.

Het betoog van belanghebbende houdt in de kern in dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen en toe te passen. Dit is onjuist, het Hof verwijst daarvoor naar onderdeel 7.2. van de conclusie van A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, waarmee het Hof zich verenigt. Tegen beslissingen van het Hof staat cassatieberoep open. Op basis van artikel 267, onderdeel b van het VWEU is het Hof daarom wel bevoegd maar niet verplicht om prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ. Het Hof ziet dan ook voor de overige geschilpunten geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

Verzoek immateriële schadevergoeding (ix)

4.29.

Belanghebbende heeft het Hof ten slotte verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in beroep en in hoger beroep. Belanghebbende merkt daarbij op dat de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBB) van 16 februari 2021, nr. 19/172, 19/173 en 19/174, ECLI:NL:CBB:2021:158 waarin het CBB de redelijke termijn heeft verlengd met vier maanden in verband met de gevolgen van de Coronapandemie, ziet op zaken die daadwerkelijk zijn verdaagd.

4.30.

De Inspecteur volstaat met de verwijzing naar de hiervoor (zie 4.30.) aangehaalde uitspraak van het CBB en de verlenging van de redelijke termijn met vier maanden in verband met de gevolgen van de Coronapandemie.

4.31.

Het Hof stelt vast dat de Rechtbank binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur uitspraak heeft gedaan. Dit houdt in dat voor de berechting van de zaak in hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252), terwijl compensatie vanwege het enkele feit dat de behandeling van de zaak in de eerdere fase van de procedure korter heeft geduurd niet kan plaatsvinden. Naar het oordeel van het Hof is de Coronapandemie echter een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die een verlenging van de termijn met vier maanden rechtvaardigt. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen. Het hoger beroep is ingesteld op 1 april 2017 en het Hof doet heden uitspraak, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

Overige geschilpunten

4.32.

Gezien het voorgaande zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigen en kunnen de geschilpunten x en xi (zie bij 3.) onbesproken blijven.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, lid van de eenentwintigste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(T. Tanghe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 mei 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.