Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4940

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
21-006216-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte, onder verwerping van een bewijsverweer en onder verwerping van een verweer ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte, wegens het mishandelen van zijn echtgenote en mishandeling van een vriendin van zijn echtgenote tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest en het wijst de vordering van de benadeelde partijen toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006216-19

Uitspraak d.d.: 25 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 28 november 2019 met parketnummer 16-152215-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens de feiten 1 en 2 tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] wordt toegewezen tot een bedrag van € 399,07, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. S. Mangal, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte wegens de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 399,07, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 25 juni 2019 te [plaats] zijn echtgenote, [naam1] , heeft mishandeld door haar in de keel te knijpen en deze enige tijd dicht te drukken;

2.
hij op of omstreeks 25 juni 2019 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door haar in/tegen het gezicht te stompen/slaan en/of in de houdgreep te nemen en/of in de arm te bijten en/of aan de haren te trekken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben op de terechtzitting van het hof het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling van zijn echtgenote [naam1] (hierna: [naam1] ). De onderbouwing van dit verweer komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat verdachte het feit ontkent en dat de verklaring van aangeefster, dat verdachte haar keel gedurende vijf á zeven seconden dichtkneep en dichtgeknepen heeft gehouden, onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Er is bij aangeefster [naam1] geen letsel waargenomen en er is geen medische verklaring waaruit enig letsel blijkt.

Van de verklaring van [benadeelde partij] , dat verdachte [naam1] zodanig met de rechterhand bij de keel greep dat [naam1] daardoor moeite had met praten, kan slechts met de nodige terughoudendheid gebruik worden gemaakt, nu [benadeelde partij] heeft verklaard zoals ze heeft gedaan om haar eigen latere handelen jegens de verdachte te rechtvaardigen. Daar komt bij dat [benadeelde partij] bij het eerste contact dat zij met de verbalisanten had, niet direct over de greep bij de keel van [naam1] door verdachte heeft gerept. [naam2] heeft weliswaar verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte [naam1] met een hand bij de keel greep, maar zij heeft niet gezien of hij daarbij de keel dichtdrukte.

De vader van [naam1] , die eveneens bij het gebeuren aanwezig was, heeft ten slotte verklaard dat hij zag dat verdachte [naam1] met beide handen bij de keel greep en dat hij daarbij zijn handen om haar keel drukte, maar of verdachte de keel ook echt dichtkneep heeft hij niet kunnen zien. Gelet hierop is er, volgens de raadsvrouw, voor het indrukken en ingedrukt houden van de keel geen bewijs, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.

Vast staat dat op 25 juni 2019 in de woning van verdachte en [naam1] een gespannen situatie is ontstaan. Verdachte had er in eerste instantie voor gezorgd dat [naam1] en haar beide vriendinnen ( [benadeelde partij] en [naam2] ) niet in de woning konden komen. Nadat de vader van [naam1] , die door verdachte ter bemiddeling was ingeschakeld, was gearriveerd en deze samen met [naam1] de woning had betreden, verleende [naam1] haar beide vriendinnen toegang tot de woning, wetende dat verdachte dit niet wilde omdat hij zich daardoor in het nauw gedreven zou voelen. In die situatie liep de spanning tussen verdachte en [naam1] in korte tijd hoog op. Dit uitte zich doordat zij tegen elkaar schreeuwden, waarbij zij heel dicht bij elkaar gingen staan. Op grond van de verklaringen van aangeefster, [benadeelde partij] , [naam2] en de vader van aangeefster acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op dat moment [naam1] bij de keel heeft gegrepen, waarbij hij die keel heeft dichtgedrukt en gedurende enige tijd dichtgedrukt heeft gehouden.

Dat verdachte, zoals hij op de terechtzitting van het hof heeft aangevoerd, slechts een afwerende beweging met zijn beide handen voor de borst heeft gemaakt, acht het hof – gelet op de verklaringen van de overige aanwezigen, die allen spreken van het ‘bij de keel grijpen’ door verdachte bij [naam1] – niet aannemelijk.

Dat de hierbij aanwezigen over de precieze gang van zaken op onderdelen enigszins verschillend verklaren maakt dit niet anders en dit maakt evenmin dat de verklaringen van hen niet voor het bewijs gebruikt zouden kunnen worden.

Het hof passeert daarom het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 25 juni 2019 te [plaats] zijn echtgenote, [naam1] , heeft mishandeld door haar in de keel te knijpen en deze enige tijd dicht te drukken;

2.
hij op 25 juni 2019 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door haar tegen het gezicht te stompen/slaan en in de houdgreep te nemen en in de arm te bijten en aan de haren te trekken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft op de terechtzitting van het hof het verweer herhaald dat verdachte ten aanzien van de beide feiten moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij ten aanzien van zowel [naam1] als van [benadeelde partij] heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweer exces, dan wel uit psychische overmacht. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven – aangevoerd:

[naam1] ging samen met haar beide vriendinnen op pad om verhaal te halen bij verdachte die alleen in de echtelijke woning was. Verdachte heeft de vader van [naam1] , die hij respecteert, en [naam1] de woning ingelaten. Verdachte en [naam1] gingen aan het bekvechten en terwijl de gemoederen nog niet waren bedaard, liet [naam1] haar vriendinnen ook de woning betreden, wetende dat verdachte dat niet wilde. [naam1] zocht dus de escalatie en haar vader stond dat toe. Verdachte heeft toen nog de politie gebeld, omdat hij zich bedreigd voelde, maar de politie kwam niet. De spanning nam toe en [naam1] daagde verdachte uit. Door herhaaldelijk te zeggen “sla dan” lokte zij hem uit. Zij kwam toen heel dichtbij verdachte staan en verdachte heeft haar willen tegenhouden. Hij heeft zich hiermee slechts verweerd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Datzelfde geldt ten aanzien van verdachtes handelingen jegens [benadeelde partij] . [benadeelde partij] heeft immers, in plaats van tussen verdachte en [naam1] in te gaan staan teneinde hen bij elkaar vandaan te houden, direct voor de aanval op verdachte gekozen. Zij sloeg er op en haalde enorm uit naar verdachte. Ook tegen die ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft verdachte zich moeten en mogen verweren.

Het hele gebeuren heeft bij verdachte een hevige gemoedsbeweging teweeg gebracht, waardoor hij reageerde zoals hij heeft gedaan. Hij stond er alleen voor en de politie kwam hem niet helpen. Hij bevond zich in een onveilige situatie en hij moest zich daaraan onttrekken om zodoende zijn eigen leven te redden. Zo heeft hij de situatie ervaren.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.

Zoals hiervoor onder het kopje ‘Overweging met betrekking tot het bewijs’ is gesteld, staat wel vast dat op 25 juni 2019 in de woning van verdachte en [naam1] een gespannen situatie is ontstaan, die zijn hoogtepunt bereikte op het moment dat verdachte en [naam1] tegen elkaar schreeuwen en dicht bij elkaar staan.
Anders dan de raadsvrouw ingang wil doen vinden, levert dit niet een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op waartegen verdachte zich heeft mogen verweren. Dat verdachte zich onder de gegeven omstandigheden niet op zijn gemak heeft gevoeld is daarvoor onvoldoende. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de hiervoor bedoelde omstandigheden resulteerden in een ‘noodweersituatie’ als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De keuze van verdachte om er in die – gespannen – situatie voor te kiezen om [naam1] bij de keel te grijpen en bij haar de keel in te drukken wordt door de boosheid, het geschreeuw en het dicht bij hem staan van [naam1] niet gerechtvaardigd, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen. En nu van noodweer c.q. een noodweersituatie geen sprake was, moet ook het beroep op noodweer exces worden verworpen.

Voor wat betreft de mishandeling van [benadeelde partij] heeft te gelden dat [benadeelde partij] , op het moment dat zij zag dat verdachte [naam1] bij de keel greep en hij daarbij de keel indrukte, tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [naam1] door verdachte optrad ter noodzakelijke verdediging van [naam1] . Een beroep op noodweer(exces) komt onder die omstandigheid niet aan verdachte toe, nu hij degene was tegen wie moest worden opgetreden ter afwending van het gevaar voor [naam1] . Nu verdachte niet een beroep op noodweer toekomt ten aanzien van zijn handelingen jegens [benadeelde partij] , kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen.

Voor zover de raadsvrouw nog heeft willen aanvoeren dat verdachte jegens [naam1] en/of [benadeelde partij] heeft gehandeld uit psychische overmacht, strandt dit verweer reeds op de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is, dat verdachte de feiten heeft begaan onder dusdanige benarde omstandigheden die maken dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij anders zou hebben gehandeld.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 25 juni 2019 zijn (toenmalige) echtgenote mishandeld door haar bij de keel te grijpen en deze enige tijd dichtgedrukt te houden. Vervolgens heeft verdachte een vriendin van zijn echtgenote, die haar tegen de mishandeling door verdachte wilde beschermen, mishandeld door haar tegen het gezicht te stompen/slaan, in de houdgreep te nemen, in de arm te bijten en aan de haren te trekken. Het hof rekent het verdachte aan dat hij de lichamelijke integriteit van zowel zijn echtgenote als haar vriendin heeft aangetast en pijn bij hen heeft veroorzaakt.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 april 2021 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is vervolgd.

Het hof houdt voorts rekening met de rol die verdachtes toenmalige echtgenote heeft gespeeld bij de gebeurtenissen op 25 juni 2019, waarbij zij tegen de uitdrukkelijke wil van verdachte haar beide vriendinnen toegang verschafte tot de echtelijke woning en zij boos en schreeuwend vlak voor verdachte is gaan staan, terwijl zij verdachte kende en wist dat hij zich daardoor bijzonder ongemakkelijk zou voelen. Dit handelen van de toenmalige echtgenote rechtvaardigt, als voormeld, niet het handelen van verdachte, maar het werkt wel strafmatigend, in die zin dat het hof een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm zal opleggen.

Gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van honderd uren, waarvan veertig uren voorwaardelijk, passend.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 599,07. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 399,07. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Eveneens is gebleken dat ook nu, ten tijde van behandeling van de zaak in hoger beroep, zij nog een zichtbaar litteken in haar gezicht heeft. Niet alleen is dit voor haar ontsierend, maar ook wordt zij hierdoor nog dagelijks aan de mishandeling door verdachte herinnerd. Het hof acht mede op grond hiervan integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij redelijk en billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 599,07 (vijfhonderdnegenennegentig euro en zeven cent) bestaande uit € 99,07 (negenennegentig euro en zeven cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 599,07 (vijfhonderdnegenennegentig euro en zeven cent) bestaande uit € 99,07 (negenennegentig euro en zeven cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 25 juni 2019.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. G. Souer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 25 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.