Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4877

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
21-004612-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke bedreiging en zaaksbeschadiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004612-19

Uitspraak d.d.: 21 mei 2021

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 september 2019 met het parketnummer 16-087046-19 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 7 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. S.J. Jansen, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een geldboete van zeshonderd euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twaalf dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met

10 april 2019 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, telkens

[benadeelde partij] (schriftelijk) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen

- " anders steek ik de boel zelf in de fik vandaag" en/of

- " volgende keer als ik haar zie, sloop ik jullie allebei" en/of

- " deze klap gaat je leven kosten" en/of

- " jij kunt nooit meer veilig over straat",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.
hij op of omstreeks 6 april 2019 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de [naam] (woningbouwvereniging) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Bewijsoverweging ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit

Het gerechtshof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer dat strekt tot vrijspraak van het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde feit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Hetgeen de getuige [getuige] heeft waargenomen, te weten dat zij de verdachte op 6 april 2019 tegen de voordeur van het pand [adres] in [plaats] heeft zien trappen, is voor het gerechtshof overtuigend steunbewijs dat, samen met de aangifte, tevens het wettig bewijs oplevert.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2019 tot en met 10 april 2019 te [plaats] telkens [benadeelde partij] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen

- " volgende keer als ik haar zie, sloop ik jullie allebei" en

- " deze klap gaat je leven kosten" en

- " jij kunt nooit meer veilig over straat".

2.
hij op 6 april 2019 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur, toebehorende aan een ander, te weten aan de [naam] (woningbouwvereniging), heeft beschadigd.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door het plegen van de bewezen verklaarde schriftelijke bedreigingen zijn ex-vriendin schrik en/of angst heeft aangejaagd;

  • -

    de mate waarin de verdachte door zijn onder 2 bewezen verklaarde handelen materiële schade teweeg heeft gebracht, namelijk schade aan de voordeur van een woning.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

6 april 2021, waaruit blijkt dat hij eerder, in het jaar 2005, is veroordeeld, onder meer ter zake van bedreiging, en dat die veroordeling onherroepelijk is.

Dit laatste pleit niet in zijn voordeel, nu een eerdere bestraffing de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw een soortgelijk delict te plegen;

 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof de oplegging van de door de raadsman bepleite deels voorwaardelijke geldboete aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.

Gelet op al deze opgenomen omstandigheden onderling en in samenhang bezien en uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en speciale preventie is het gerechtshof van oordeel dat passend en geboden is de oplegging van de straf die is opgelegd door de politierechter, welke straf thans eveneens is gevorderd door de advocaat-generaal.

Het gerechtshof zal die straf - een geldboete van zeshonderd euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twaalf dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren - daarom opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en

2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 21 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Fuhler is buiten staat dit arrest te ondertekenen.