Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4873

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
21-005625-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005625-19

Uitspraak d.d.: 21 mei 2021

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2019 met het parketnummer 16-111861-19 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 7 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. R.W.A. Offermanns, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte ter zake van de primair aan hem ten laste gelegde poging tot inbraak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken.

Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 2 februari 2019 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan het [adres] ) weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming door

- het raam van voornoemd pand te forceren/vernielen en/of

- voornoemd pand te betreden en/of

- aldaar een of meerdere kasten te openen en/of te doorzoeken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 2 februari 2019 te [plaats] in de woning, het besloten lokaal en/of het erf, [adres] , bij een ander, te weten bij [naam] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

Bewijsoverweging

Het gerechtshof is van oordeel dat het door de verdachte en zijn raadsman gevoerde verweer dat strekt tot vrijspraak van het primair aan de verdachte ten laste gelegde feit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Met name het aantreffen van een bloedspoor - waarvan het DNA overeenkomt met het DNA van de verdachte - op een doosje dat in dat pand uit een kast is gehaald, is voor het gerechtshof redengevend voor de betrokkenheid van de verdachte bij poging tot diefstal.

Evenals de verdediging acht het gerechtshof evenwel niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte daartoe het pand van de atletiekvereniging heeft betreden door een raam van dat pand te forceren/vernielen. Redengevende feiten en/of omstandigheden daarvoor ontbreken. Dat laat de mogelijkheid open dat de verdachte het pand binnen is gekomen op de wijze die hij ter terechtzitting in hoger beroep nader heeft toegelicht, te weten wandelend door een niet afgesloten deur van dat pand. Partiële vrijspraak van braak en/of inklimming is daarom wel aan de orde.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 2 februari 2019 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een pand, gelegen aan het [adres] , weg te nemen enig goed, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, zich toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door voornoemd pand te betreden en daar een of meerdere kasten te openen en te doorzoeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dat delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door zijn handelen overlast en ergernis heeft veroorzaakt voor de gedupeerde.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

6 april 2021, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van een soortgelijk delict, en dat die veroordeling onherroepelijk is. Dit laatste pleit niet in zijn voordeel, nu een eerdere bestraffing de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw te proberen een vermogensdelict te plegen;

 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Kern daarvan is dat thans - anders dan voorheen - sprake is van een stabiele situatie in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Ter terechtzitting in hoger beroep is voorts gebleken dat de verdachte de taakstraf die aan hem is opgelegd op 13 maart 2018, ter zake van een gekwalificeerde poging tot diefstal, inmiddels heeft verricht. Op grond van deze veroordeling is het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht - het taakstrafverbod - in deze zaak van toepassing.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

Gelet op het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en speciale preventie is passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van eenendertig dagen, waarvan dertig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 45 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 (eenendertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. O. Anjewierden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 21 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Fuhler is buiten staat dit arrest te ondertekenen.