Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4794

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.262.956
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 11, lid 5, Wahv. Informatieplicht rechtbank. De betrokkene heeft recht op alle stukken die betrekking hebben op het beroep. De griffier mag niet volstaan met verstrekking van een foto en een zaakoverzicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.262.956/01

CJIB-nummer

: 218463601

Uitspraak d.d.

: 19 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland van 7 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat ten onrechte geen afschrift van het complete procesdossier is verstrekt door de griffier van de kantonrechter.

2. In de fase van het beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van stukken geregeld in artikel 11, vijfde lid, van de Wahv (vergelijk het arrest van dit hof van 4 juli 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:5606).

3. Ingevolge deze bepaling worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter neergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

4. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde in het beroepschrift bij de kantonrechter van

4 december 2018 heeft verzocht om een afschrift van het procesdossier.
In rectie op dit verzoek heeft de griffie van de rechtbank de gemachtigde bij brief van 6 februari 2019 het volgende bericht:

“De stukken van het dossier bestaan uit correspondentie van uw zijde en/of de betrokkene en stukken van de instantie die u reeds zijn toegezonden.
Ik wijs u voorts op de mogelijkheid om met de griffier van de rechtbank een afspraak te maken om de stukken in te zien.
De kantonrechter is echter wel van oordeel dat betrokkene recht heeft op het zaakoverzicht (en eventuele foto(s). (zie arrest Hof, ECLI:NL:GHARL:2016:3034). Een kopie van de stukken wordt als bijlage bijgevoegd.

U kunt naar aanleiding hiervan uw gronden nog aanvullen.”

Bij brief van 27 februari 2019 heeft de gemachtigde de gronden van het beroep aangevuld en de kantonrechter verzocht om alsnog het complete procesdossier op te sturen.

5. Uit het dossier blijkt niet dat de kantonrechter naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde (alsnog) een afschrift van het procesdossier aan de gemachtigde is toegezonden. Gelet hierop kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal daarom die beslissing vernietigen. Hetgeen de gemachtigde voor het overige tegen de beslissing van de kantonrechter heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer. Het hof dient thans te oordelen over het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 juli 2018 om 12.51 uur op de Pijperlaan in Utrecht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

7. De gemachtigde voert aan dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte is bekeurd op kenteken. Kentekencontrole vormt op zichzelf geen verklaring voor het niet kunnen staandehouden. Voorts voert de gemachtigde aan de gedraging onvoldoende individualiseerbaar is. Het had op de weg van de verbalisant gelegen om duidelijker te omschrijven waar betrokkene het rode licht zou hebben genegeerd.

8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 1,0 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding: Pijper/Leidseweg. (…)

Reden geen staandehouding: kenteken controle.”

10. De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal overgelegd, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:

“Op 12 juli 2018 bevond ik mij, verbalisant met een onopvallend dienstvoertuig op de openbare weg, de Pijperlaan.

Ik hield daar een controle op kenteken zonder staande houding op weggebruikers welke het rode licht negeerde op de kruising Pijperlaan /Leidse weg.

Het is mij ambtshalve bekend dat er op genoemde locatie veelvuldig door rood gereden wordt én dat er via de (destijds) gelegen voorsorteerstrook voor rechtsaf rechtdoor (door rood) werd gereden.

Ik had mijn voertuig rechts op het trottoir tegen het appartementen complex geparkeerd met zicht op de kruising, de verkeerslichten en de voorsorteerstroken.

Ik heb destijds geconstateerd dat betrokkene op bovengenoemde datum omstreeks 12:51 uur het rode licht negeerde en is daarvoor geverbaliseerd op kenteken.

Omdat ik, om daar zicht te hebben zoals boven omschreven, daar zo stond opgesteld was het onmogelijk om een staande houding te verrichten.

Dan had ik een fietspad/groenstrook met bomen moeten doorkruisen, een hoge stoeprand af moeten rijden en dan rekening houden met aldaar rijdend verkeer.

Ik heb de gevaarzetting van de vele overtredingen en daarvoor bekeuren op kenteken verkozen boven staande houden. Bovendien is er op genoemde locatie geen geschikte plek om statisch te controleren en de overtreder achterhalen en staande houden op een veilige manier.”

In dit proces-verbaal is een fotografische opname van Google Maps opgenomen, waarop is aangegeven waar het dienstvoertuig stond opgesteld en waar het kruisingsvlak was.

11. Uitgangspunt in zaken betreffende de Wahv dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vgl. onder meer het arrest van het hof Leeuwarden van 26 januari 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8373). Daar is in het onderhavige geval aan voldaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat de inleidende beschikking onvoldoende informatie bevat om de gedraging waarop de sanctie betrekking heeft te individualiseren. Het hof verwerpt het verweer dat de gedraging niet voldoende individualiseerbaar is.

12. Uit hetgeen de ambtenaar heeft verklaard in het aanvullend proces-verbaal blijkt voldoende dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Het hof is van oordeel dat de ambtenaar de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder heeft opgelegd.

13. Gelet op het voorgaande verklaart het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.