Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4750

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.268.002/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kantonrechter overweegt ten onrechte dat de beslissing van de officier van justitie slechts marginaal kan worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.268.002/01

CJIB-nummer

: 220271249

Uitspraak d.d.

: 18 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema LLB, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter berust op een ondeugdelijke motivering. Met de hierna met a en c aangeduide passages uit zijn overwegingen, miskent de kantonrechter niet alleen dat de beslissing van de officier van justitie dient te berusten op een deugdelijke motivering maar ook dat de kantonrechter volledige toetsingsbevoegdheid heeft.

2. De kantonrechter heeft onder meer het volgende overwogen:

“Betrokkene voert aan dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. (a) Daargelaten dat in de Wahv-procedures geen rechtsregel voorschrijft, op straffe van nietigheid, dat op bepaalde stellingen van een betrokkene uitdrukkelijk en gemotiveerd door de officier van justitie moet worden beslist, (b) begrijpt de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie aldus dat de gedraging op grond van de verklaring van de verbalisant vaststaat. (…) (c) Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat de officier van justitie een zeer ruime beoordelingsvrijheid toe komt bij de beantwoording van de vraag of het beroep moet worden afgewezen. Die beslissing leent zich slechts voor een marginale beoordeling door de kantonrechter. De kantonrechter verwerpt het verweer.”

3. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter niet deugdelijk is gemotiveerd, nu deze blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Wahv is de beslissing van de officier van justitie niet aan een marginale beoordeling door de kantonrechter onderworpen. Het hof zal, ter beantwoording van de vraag of de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd dan wel zich leent voor bevestiging met verbetering van gronden, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

4. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden.” Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 21 augustus 2018 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

5. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie eveneens vernietigd dient te worden wegens een motiveringsgebrek. De officier van justitie is in zijn beslissing niet (gemotiveerd) ingegaan op de gronden dat op basis van de gegevens in het lege zaakoverzicht niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die matiging van het sanctiebedrag rechtvaardigen, te weten dat het voertuig niet op de openbare weg is geweest.

6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde genoemde gronden heeft aangevoerd in zijn brief van

14 november 2018 en tijdens de hoorzitting. Dat de officier van justitie niet is ingegaan op het verzoek het bedrag van de sanctie te matigen is niet juist. De officier van justitie heeft in zijn beslissing overwogen dat de verzekeringsplicht gerelateerd is aan het op naam hebben van het kentekenbewijs, dat als de betrokkene het motorrijtuig niet wil of kan verzekeren hij de geldigheid van kentekenbewijs kan laten schorsen en dat het wel of niet gebruiken van het voertuig op de openbare weg niet van belang is.

7. Verder heeft de officier van justitie heeft in zijn beslissing overwogen : “Er wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan de waarneming van de verbalisant. Omrent de bewijsvoering verwijst de officier van justitie naar de u eerder toegestuurde stukken.”

8. Het hof stelt vast dat uit de beslissing van de officier van justitie voldoende blijkt dat de door de gemachtigde aangevoerde grond omtrent het bewijs in zijn beslissing is betrokken en dat de officier van justitie die grond afwijst. Deze reactie is weliswaar kort, maar afdoende in aanmerking genomen dat het hof in zijn arresten van 5 november 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:9465) en

5 maart 2020 (ECLI:GHARL:2020:1946) heeft geoordeeld dat de gegevens op pagina 1 van het zaakoverzicht volstaan voor de constatering dat de onderhavige gedraging is verricht.

9. De klacht dat sprake is van gebrekkige motivering van de beslissing van de officier van justitie faalt. De omstandigheid dat de gemachtigde zich niet kan vinden in de door de officier van justitie gegeven reactie en het om die reden niet eens is met die motivering, maakt niet dat er sprake is van een gebrekkige motivering.

10. Het door de gemachtigde in hoger beroep wederom aangevoerde argument dat aanleiding bestaat om het bedrag van de sanctie te matigen, omdat het voertuig gedurende de betreffende periode niet op de weg is geweest, faalt om de door de officier van justitie al genoemde reden. Wordt

met het voertuig geen gebruik gemaakt van de weg, dan brengt slechts schorsing van de tenaamstelling in het kentekenregister mee dat de verzekeringsplicht van de kentekenhouder gedurende de periode van schorsing niet geldt.

11. Gelet op het voorgaande wordt de beslissing van de kantonrechter bevestigd met verbetering van gronden.

12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.