Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4702

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
200.238.363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest na bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.238.363/01

zaaknummer rechtbank Overijssel, sector Kanton, locatie Enschede, 5750003 \ CV EXPL 17-1552

arrest van 18 mei 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.F. van Hommerig te Enschede,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2],

beiden wonende te [A] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: respectievelijk [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en gezamenlijk [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. M. Samsen te Deventer.


als vervolg op het tussenarrest van 29 december 2020.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij tussenarrest zijn [geïntimeerden] c.s. in de gelegenheid gesteld tot bewijslevering.

1.2.

Daarop hebben [geïntimeerden] c.s. een akte genomen (met één productie) waarop een antwoordakte van [appellante] (met twee producties) is gevolgd. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Als overwogen in het tussenarrest rust op [geïntimeerden] c.s. de bewijslast van de stelling dat niet zij, maar de aannemer rechtstreeks op of omstreeks 1 maart 2016 opdracht heeft gegeven tot het leveren en plaatsen van de screens.

2.2.

[geïntimeerden] c.s. hebben in het kader van de bewijsopdracht als productie 9 een aanvullende schriftelijke verklaring van hun architect, [B] (hierna: [B] ) overgelegd.

2.3.

Deze verklaring, gedateerd 15 januari 2021, komt op het volgende neer. Op 1 maart 2016 heeft een overleg plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren [C] en [D] namens Bouwbedrijf van der Molen (de aannemer), [E] namens [F] , [geïntimeerde2] en [B] . Het ging hier om een tussentijds bouwoverleg dat betrekking had op de levering en montage van de screens. In het bijzijn van alle aanwezigen is afgesproken dat de factuur voor levering en montage van de screens conform het bestek naar Bouwbedrijf van der Molen zou gaan en dat de meerkosten voor een extra screen zouden worden voldaan door [geïntimeerde2] .

2.4.

[appellante] heeft de inhoud van die schriftelijke verklaring gemotiveerd bestreden en kort gezegd betoogd, onder overlegging van een verklaring van de aannemer, dat tijdens de bespreking met de aannemer en de architect enkel afspraken over de financiële afwikkeling van de inmiddels ontstane feitelijke situatie zijn gemaakt, maar dat zij daarmee nog geen contract met [geïntimeerde1] aannemer heeft gesloten.

2.5.

Gelet op deze betwisting en het ontbreken in het dossier van voldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel, kan niet worden uitgegaan van een (overigens voor het eerst in hoger beroep gestelde) door de aannemer rechtstreeks op of omstreeks 1 maart 2016 gegeven opdracht.

2.6.

Daarmee faalt het in hoger beroep primair door [geïntimeerden] c.s. gevoerde verweer. In rov. 4.12 van het tussenarrest is al geoordeeld dat het in hoger beroep subsidiair gevoerde verweer faalt. Dat betekent dat de vordering van [appellante] tot betaling van € 4.406,82 voor toewijzing gereed ligt.

2.7.

[appellante] vordert daarnaast een bedrag van € 684,47 (€ 565,68 exclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. Met de bij inleidende dagvaarding overgelegde brief van 31 augustus 2016 heeft zij [geïntimeerden] c.s. een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daaruit volgt genoegzaam dat zij daadwerkelijk incassomaatregelen heeft genomen (HR 13 juni 2014 ECLI:NL:HR:2014:1405). Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat het hof de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. De door [appellante] over de incassokosten gevorderde btw is echter niet toewijsbaar omdat [appellante] niet – overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 sub 3 Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten – heeft gesteld dat haar btw in rekening is gebracht die zij niet heeft kunnen verrekenen.

3 De slotsom

3.1.

De grieven 2 en 3 slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. [geïntimeerden] c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 4.406,82 aan [appellante] . Nu [geïntimeerden] c.s. als gevolg van de eerder genoemde brief van 31 augustus 2016 in verzuim zijn geraakt, is over dat bedrag de wettelijke rente verschuldigd en toewijsbaar vanaf 7 februari 2017, de door [appellante] bij memorie van grieven genoemde datum. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties veroordelen.

3.2.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 97,31

- griffierecht € 223,00

totaal verschotten € 320,31

- salaris advocaat € 400,00 (salaris gemachtigde)

3.3.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 81,00

- griffierecht € 318,00

totaal verschotten € 399,00

- salaris advocaat € 1.967,50 (2,5 punten × (appel)tarief I)

3.4.

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 28 november 2017 van de rechtbank Overijssel, sector Kanton, locatie Enschede en doet opnieuw recht:

4.1.

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 4.406,82 aan [appellante] , vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 7 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

4.2.

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 565,68 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

4.3.

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk tot terugbetaling van het uit hoofde van het bestreden vonnis betaalde bedrag van € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

4.4.

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties, wat betreft de eerste aanleg aan de zijde van [appellante] tot aan genoemd vonnis vastgesteld op € 320,31 voor verschotten en op € 400,00 voor salaris gemachtigde en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 399,00 voor verschotten en op € 1.967,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

4.5.

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de nakosten, begroot op € 163,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,00 in geval niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

4.6.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, P.P.M. Rousseau en E.J. van Sandick, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.