Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:4671

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
Wahv 200.250.082/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Wahv biedt de rechter niet de mogelijkheid om de rechtsgevolgen van een vernietigde beslissing in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.250.082/01

CJIB-nummer

: 209490798

Uitspraak d.d.

: 17 mei 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 8 januari 2021 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

In het tussenarrest is de advocaat-generaal verzocht om nadere informatie te verstrekken. Deze informatie is ontvangen. De griffier van het hof heeft de verkregen informatie (in kopie) doorgestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene. Deze heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd, omdat deze de machtiging om de betrokkene te vertegenwoordigen wel tijdig van de gemachtigde had ontvangen. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat het beroep tegen de inleidende beschikking te laat is ingesteld, terwijl er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Omdat dit naar het oordeel van de kantonrechter betekent dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, heeft de kantonrechter aansluitend bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Nu de Wahv een dergelijke beslissing niet kent, zal het hof op grond van hetgeen is overwogen de beslissing van de kantonrechter aldus verstaan dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk is verklaard.

2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.

3. De gemachtigde voert aan dat niet is gebleken dat de betrokkene de inleidende beschikking heeft ontvangen. In het dossier zit geen kopie van de inleidende beschikking, zodat niet is komen vast te staan dat deze is verzonden en, zo dat al het geval zou zijn, naar welk adres de inleidende beschikking is verzonden. Daarbij komt nog dat het CJIB de verzendadministratie heeft uitbesteed aan een derde, namelijk de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De gemachtigde verwijst naar een convenant tussen het CJIB en de DUO. Vanwege die uitbesteding ligt het des te meer voor de hand dat het openbaar ministerie een begin van bewijs aandraagt dat de inleidende beschikking wel degelijk aan de betrokkene is toegestuurd.

4. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beslissing (aan het juiste adres) is verstuurd. Dat is van belang voor de vraag wanneer de beroepstermijn een aanvang neemt. Als dat aannemelijk is gemaakt en de geadresseerde heeft niet tijdig beroep ingesteld, kan aan de orde komen of de overschrijding van de beroepstermijn aan de geadresseerde kan worden toegerekend. Het is dan aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de beslissing is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.

5. In het zaakoverzicht staat dat de inleidende beschikking op 7 augustus 2017 aan de betrokkene is toegestuurd. Uit de door de advocaat-generaal verstrekte informatie blijkt dat deze beschikking is toegestuurd aan het adres [a-straat1] , [A] . In de machtiging van 25 september 2017 die door de gemachtigde is overgelegd, en die van dezelfde datum is als de datum waarop door de gemachtigde administratief beroep is ingesteld, wordt hetzelfde adres vermeld, terwijl de gemachtigde in het kader van de onderhavige procedure niet heeft aangevoerd dat de betrokkene ten tijde van het toesturen van de inleidende beschikking over een ander adres beschikte. In het arrest van 26 augustus 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:6346, heeft het hof vastgesteld dat, gelet op de inrichting van het aanmaak- en verzendproces de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten, ook nu het CJIB samenwerkt met de DUO. Bij deze stand van zaken mag worden aangenomen dat de inleidende beschikking daadwerkelijk is verstuurd en wel aan het juiste adres van de betrokkene.

6. Omdat de inleidende beschikking op 7 augustus 2017 is verzonden, eindigde de beroepstermijn dus op 18 september 2017. Het beroepschrift is gedateerd 25 september 2017. Uit een stempel blijkt dat dit op 26 september 2017 door de officier van justitie is ontvangen.

7. Namens de betrokkene is ontkend dat de inleidende beschikking is ontvangen. Dat is onvoldoende om de ontvangst te weerleggen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de inleidende beschikking als onbestelbaar retour is gekomen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat de betrokkene deze wel heeft ontvangen.

8. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het administratief beroep niet tijdig is ingesteld.

9. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt voorts dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.

10. De gemachtigde voert aan dat gebleken is dat het CJIB een beleid heeft waaruit kan worden geconcludeerd dat door te bellen met het CJIB een nieuwe inleidende beschikking wordt toegestuurd indien een beschikking te laat of niet is ontvangen. Daarin staat dan een nieuwe beroepstermijn. Het zou gek zijn wanneer de betrokkene in administratief beroep aanvoert geen beschikking te hebben ontvangen, dit tot gevolg heeft dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, terwijl de betrokkene een nieuwe inleidende beschikking met een nieuwe beroepstermijn had gekregen als eerst het CJIB was gebeld. Gelet op dit beleid - waar de betrokkene vertrouwen aan mag ontlenen - is het beroep volgens de gemachtigde vanwege een verschoonbare termijnoverschrijding ontvankelijk.

11. Dat bij het CJIB een beleid zou bestaan om een inleidende beschikking in bepaalde gevallen opnieuw toe te sturen, brengt naar oordeel van het hof niet mee dat de termijnoverschrijding in de onderhavige zaak de betrokkene niet kan worden toegerekend. Wat er verder ook zij van de werkwijze van het CJIB, in gevallen als deze, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de inleidende beschikking daadwerkelijk is verstuurd en ontvangen, is de beroepstermijn daarmee aangevangen. Voor zover door het opnieuw versturen van een inleidende beschikking de indruk zou ontstaan dat alsnog tijdig beroep ingesteld kan worden tegen de inleidende beschikking, wijst het hof erop dat het vaste jurisprudentie is dat vertrouwen, ontleend aan informatie waarvan eerst kennis is genomen na de beroepstermijn, niet maakt dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt (vgl. het arrest Hoge Raad van

22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8419). Daarnaast is de officier van justitie bevoegd om te beslissen op het beroep en niet het CJIB. Aan een dergelijke mededeling van een ter zake niet-bevoegde instantie, komt niet het door de gemachtigde gewenste gevolg toe. Daarom mag er niet op worden vertrouwd, dat gelet op het beleid van het CJIB, een termijnoverschrijding verschoonbaar zal worden geacht wanneer de betrokkene stelt de inleidende beschikking niet te hebben ontvangen en daardoor te laat beroep instelt.

12. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk geoordeeld. Dit brengt mee dat de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie niet kunnen worden beoordeeld.

13. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.